Parallelsessies




Kleine toelichting op het onderstaande schema met parallelsessies

 

Blader

De sessierondes worden getoond door op de dag te klikken. Door op een ervan te klikken, kunt u door alle sessies in deze ronde bladeren. Wanneer u op een specifieke sessie klikt, wordt de abstracttekst weergegeven. Door nogmaals op de sessie te klikken, vouwt de tekst weer in.

 

Zoek

Gebruik het zoekveld bovenaan om sessies te vinden met het ingevulde woord, de naam van de spreker of het abstractnummer. Als u het type presentatie invult (bijvoorbeeld workshop of symposium), worden alle sessies van het gevraagde type weergegeven.

 

Kies

U kunt sessies van uw interesse selecteren door op de ster in de linkerbovenhoek te klikken. De ster wordt geel. U kunt al uw geselecteerde favorieten bekijken door de knop ‘Toon mijn keuzes’ in de rechterbovenhoek van de schemakop te klikken. Als u alle sessies opnieuw wilt bekijken, klikt u op de knop ‘Toon/verberg alles’.

Het schema gebruikt cookies om uw geselecteerde sessies te onthouden voor wanneer u op een later moment terugkeert naar de pagina.

De selectie garandeert geen stoel voor u; alle sessies worden gegeven op basis van wie het eerst komt, het eerst maalt.

 
 
Zoek:

maandag 18 mrt 2019

13:45 - 15:15 Parallelsessie 1

Possible Futures! Een open blik op de wereld

WorkshopINVITED 159Joke Klaassen, Koen Cools, Thomas More Hogeschool

Artiestencaféma 13:45 - 15:15

Abstract

Aan de lerarenopleiding van de Vlaamse Thomas More Hogeschool is persoonsvorming één van de basispijlers van het curriculum. In het opleidingsonderdeel Educatie wordt de student op een ervaringsgerichte manier uitgenodigd om met een open blik naar de wereld te kijken. Aansluitend bij de visie van Masschelein en Simons (Katholieke Universiteit Leuven) wordt vastgehouden aan de oude betekenis van educatie: “E-ducatie als het (weg)geleid-worden-uit, als het naar buiten gevoerd worden, de straat op, de wereld in.” Ervaring en experiment staan hierbij centraal. Op een interactieve, uitdagende manier komen thema’s als wereldburgerschap, cultuur, stedelijkheid en diversiteit aan bod. De manier waarop hedendaagse kunstenaars kijken naar en spelen met de maatschappelijke realiteit, vormt vaak de basis voor vertrek. De grootstad Antwerpen is het uitgangspunt om thema’s als (super)diversiteit en stedelijkheid te verkennen. Doorheen het Educatietraject, wordt de student uitgedaagd om op een kritische, open en onderzoekende manier stil te staan bij zijn of haar eigen houding en ideeën.

Aansluiting bij het congresthema

Tijdens deze workshop tonen we hoe we aspirant-leraren stimuleren om op een kritische en onderzoekende manier naar zichzelf en de wereld te kijken. Het project Possible Futures! is een didactische en inhoudelijke good practice over diversiteit en urban education. We tonen hoe persoonsvorming een zichtbare plaats krijgt in het curriculum.

Praktijk van waaruit ingediend

Tijdens deze interactieve workshop houden we een pleidooi voor persoonsvorming in de lerarenopleiding. Aan de hand van een good practice tonen we hoe dit in het opleidingsprogramma van de bacheloropleiding lager onderwijs aan de Thomas More Hogeschool (Vlaanderen) een plaats kreeg. In het vak ‘Educatie’, worden de studenten op een ervaringsgerichte, af en toe experimentele manier uitgedaagd om met een open blik naar de wereld te kijken. Aansluitend bij de visie van Jan Masschelein en Maarten Simons (Katholieke Universiteit Leuven) houden we vast aan de oude betekenis van educatie: “E-ducatie als het (weg)geleid-worden-uit, als het naar buiten gevoerd worden, de straat op, de wereld in.”

Onderwerp en context

Stap mee in ons verhaal en denk na over Possible Futures: Wat als alles virtueel zou zijn? Is meer gelijkheid in de wereld absoluut noodzakelijk? Denkt een kunstenaar die zich bezighoudt met het kruisen van kippen écht betrokken na over maatschappij en diversiteit? Kijk je met andere ogen naar de stad als je een dag lang een rechte lijn bewandelt? … Veel open vragen, weinig sluitende antwoorden. Wél bewustwording van en reflectie op jezelf en de wereld. Via ervaringsgerichte activiteiten zoeken we een ingang om grote en actuele maatschappelijke thema’s – wereldburgerschap, (super)diversiteit, cultuur, stedelijkheid en kunst – tot bij de student te brengen. We zoeken aansluiting bij de leefwereld maar we proberen die leefwereld ook achter ons te laten. Een beknopte selectie van deze activiteiten, komt aan bod tijdens de workshop. Kortom, ervaar zelf hoe je als lerarenopleider studenten kan uitnodigen om met een open blik naar de wereld te kijken.

Doel

Tijdens de workshop tonen we hoe persoonsvorming inhoudelijk en didactisch in praktijk wordt gebracht. We maken duidelijk hoe we studenten ertoe aanzetten om met een open blik naar de wereld te kijken. Daarnaast tonen we hoe persoonsvorming en urban education een zichtbare plaats kan krijgen in het programma van een lerarenopleiding. Tot slot willen we een pleidooi houden voor persoonsvorming in de lerarenopleiding.

Activering en organisatie

Tijdens de workshop worden de deelnemers uitgenodigd om op een interactieve manier te participeren. Aan de hand van enkele ervaringsgerichte opdrachten en werkvormen, staan we stil bij onze eigen kijk op onderwijs en wereld. Er is plaats voor kritische reflectie en discussie.

Praktische relevantie

Deze workshop is een inspiratiesessie en een good practice van hoe persoonsvorming op een toegankelijke, ervaringsgerichte en vernieuwende manier in praktijk kan worden gebracht. Zo sluit de workshop ook aan bij de beslissing om burgerschapseducatie sterker zichtbaar te maken in het Vlaamse onderwijs. De deelnemers worden vanuit concrete voorbeelden en ervaringen geïnspireerd om zelf (verder) aan de slag te gaan.

Maatschappij van morgen: diversiteit en urban education
(wereld)burgerschap, cultuur, persoonsvorming

Kernvragen bij Samen Opleiden en Werkplekleren

Workshop121Bob Koster, Fontys Lerarenopleiding Tilburg, TILBURG

Brasseriema 13:45 - 15:15

Abstract

De mate waarin een leraar-in-opleiding in staat is om eigen praktijk(ervaringen en handelingen) te integreren met (praktijk)theorie en zichzelf als persoon en, in het verlengde daarvan, de manier waarop in praktijken van Samen Opleiden en leren op de werkplek dat verbindingsproces ondersteund wordt, is en blijft een belangrijke graadmeter voor de kwaliteit van opleidingsroutes voor leraren, in welke vorm dan ook.

Dit ‘verbindingsperspectief’ is de gemeenschappelijke noemer van onderzoeksprojecten die de lectoraten van de vier zuidelijke lerarenopleidingen (FLOT, FLOS, HR en HAN) uitvoeren. Het achterliggende vraagstuk is steeds (in) hoe(verre) praktijken van Samen Opleiden en leren op de werkplek bijdragen aan het verbinden van praktijk, theorie en persoon.

In de workshop komen een aantal kernvragen aan de orde, die te maken hebben met opleidingstrajecten naar het leraarschap en het beroepsbeeld van de leraar dat daaronder ligt, zoals bijvoorbeeld de vraag ‘In hoeverre zijn generieke of contextspecifieke ontwerpregels richtinggevend voor het ontwikkelen van praktijken van Samen Opleiden / werkplekleren?’ of de vraag ‘Hoe leveren praktijken van Samen Opleiden / werkplekleren een bijdrage aan het leren van aanstaande leraren?’.

Deze kernvragen rondom Samen Opleiden en leren op de werkplek proberen we in de workshop samen met de deelnemers te beantwoorden.

Korte beschrijving

In de toekomstige routes die leiden tot het leraarschap zijn praktijken van Samen Opleiden en werkplekleren niet meer weg te denken. De kwaliteit van vormen van levensecht leren en opleiden is daarbij een cruciale factor. In de workshop wordt hier op ingegaan vanuit de opbrengsten van de verschillende praktijkonderzoeken.

Tekst

Praktijk van waaruit ingediend

Binnen de lectoraten van de vier zuidelijke lerarenopleidingen (FLOT, FLOS, HR en HAN) wordt een aantal onderzoeksprojecten over samen opleiden / leren op de werkplek van aanstaande leraren uitgevoerd. Op zoek naar verbinding tussen onze projecten stuitten we op een aantal kernvragen.

Onderwerp

Kernvragen rondom Samen Opleiden en leren op de werkplek koppelen aan lopende praktijkonderzoeken.

Context

In de workshop komen vier kernvragen, die te maken hebben met opleidingstrajecten naar het leraar schap en het beroepsbeeld van de leraar dat daaronder ligt, aan de orde:

In hoeverre zijn generieke of contextspecifieke ontwerpregels richtinggevend voor het ontwikkelen van praktijken van Samen Opleiden / werkplekleren? Focus op ontwerpcriteria.

Hoe draagt de organisatie van praktijken van Samen Opleiden / werkplekleren en begeleiding daarvan bij tot een goed opleidingstraject voor (aanstaande) leraren? Focus op ontwerp zelf.

In hoeverre ervaren studenten samenhang in de praktijken van Samen Opleiden / werkplekleren? Focus op motivatie en beleving. .

Hoe leveren praktijken van Samen Opleiden / werkplekleren een bijdrage aan het leren van aanstaande leraren? Focus op het leren.

Doel

De kernvragen rondom Samen Opleiden en leren op de werkplek proberen we te beantwoorden door input te geven vanuit praktijkonderzoek dat binnen verschillende lectoraten plaatsvindt. Tijdens de workshop verbinden we onderzoeksresullaten met praktijkervaringen en inzichten van de deelnemers. Op basis daarvan verkennen we perspectieven die helpen om meer diepgang aan te brengen in het ontwerpen en verbeteren van praktijken Samen Opleiden en werkplekleren.

Activering deelnemers en organisatie workshop

De workshop start met een toelichting op het ‘verbindingsperspectief’ als gemeenschappelijke noemer van de lectoraatsthema’s Samen Opleiden (Theunissen, 2017), Werkplekleren (Koster, 2013) en Integratief Opleiden (Crasborn, 2018) en de specifieke focus van de betrokken lectoraten daarbinnen.

Vervolgens gaan de deelnemers van de workshop in de zgn. expert werkvorm (zie Ebbens & Ettekoven, 2016) aan de slag met de vier kernvragen en de daarbij behorende vier onderzoeken: FLOT-onderzoek naar ontwerpregels voor het werken vanuit en verdiepen van positieve ervaringen van aanstaande leraren (Stappers e.a., 2017); FLOS onderzoek naar rol- en taakopvattingen van werkplekbegeleiders (Vandyck & Crasborn, 2018); HAN onderzoek naar de gezamenlijke onderzoeksbegeleiding van aanstaande leraren (Van der Steen & Oolbekkink-Marchand, 2017) en HR onderzoek naar duo-stages (Theunissen, 2018). De deelnemers hebben hierbij de gelegenheid hun eigen ervaringen met Samen Opleiden in te brengen.

Plenair worden op grond van de gesprekken in de groepen conclusies getrokken ten aanzien van bepaalde antwoorden die mogelijk zijn op de kernvragen. In dit gesprek wordt gebruik gemaakt van bronnen over de meerwaarde van Samen Opleiden (bijvoorbeeld Helms e.a., 2018), condities voor Werkplekleren (bijvoorbeeld Nieuwenhuis e.a., 2017) en besteden we aandacht aan in hoeverre er sprake is van aannames of nieuwe kernvragen.

Discussiepunt

Leidt samen opleiden daadwerkelijk tot goed opgeleide en kwalitatief hoogwaardige leraren?

Kwaliteit voor en ín de klas
Integratief Opleiden, Werkplekleren

Werkplaatsen Onderwijsonderzoek als aanjager voor curriculum- en professionele ontwikkeling

Praktijkvoorbeelden: symposium36Erna van Hest, Universiteit van Amsterdam, AMSTERDAM; Anoucke Bakx, Fontys Hogescholen, TILBURG; Ditte Lockhorst, Oberon, UTRECHT

Cinema 1ma 13:45 - 15:15

Abstract

In de Werkplaatsen Onderwijsonderzoek PO werken collega’s uit scholen, universiteiten en lerarenopleidingen intensief en gelijkwaardig samen aan onderzoek, rekening houdend met ieder zijn expertise. Het doel van de Werkplaatsen Onderwijsonderzoek is verbetering van de kwaliteit van het onderwijs op basis van onderzoek en een betere verbinding tussen onderwijsonderzoek en -praktijk. Het samen werken, leren en onderzoeken heeft voor alle betrokken partijen in de werkplaats een meerwaarde én leerwaarde. Vanuit de rol van de lerarenopleidingen primair onderwijs zoomen we in op de meerwaarde van de werkplaatsen voor het opleiden van (toekomstige) leraren.

Tijdens de drie sessies gaan we in op:

1. De werkwijze van de Werkplaats Onderwijsonderzoek Tilburg PO met als thema hoogbegaafdheid en de Werkplaats Ondewijsonderzoek Amsterdam met als thema diversiteit

2. De rol en positie van lerarenopleidingen binnen de werkplaatsen 3. Output van de werkplaatsen als input voor het curriculum van de lerarenopleidingen primair onderwijs

De Werkplaats Onderwijsonderzoek Tilburg gaat in op bovenstaande punten in de eerste sessie. In de tweede sessie zal de Werkplaats Onderwijsonderzoek Amsterdam dit ook doen op basis van hun ervaringen. De derde sessie geeft inzicht in de praktijkervaringen vanuit de monitor uitgevoerd door Oberon.

Korte beschrijving

In de Werkplaatsen Onderwijsonderzoek PO werken collega’s uit scholen, universiteiten en lerarenopleidingen intensief en gelijkwaardig samen aan onderzoek. Het samen werken, leren en onderzoeken heeft voor ieder meerwaarde én leerwaarde. Wat is de meerwaarde van de werkplaatsen voor het opleiden van (toekomstige) leraren?

Tekst

Deze tekst is gericht op 3 praktijksessies ineen (zelfde ruimte/zelfde tijd) In de Werkplaatsen Onderwijsonderzoek PO werken collega’s uit scholen, universiteiten en lerarenopleidingen intensief en gelijkwaardig samen aan onderzoek, rekening houdend met ieder zijn expertise. Het doel van de Werkplaatsen Onderwijsonderzoek is verbetering van de kwaliteit van het onderwijs op basis van onderzoek en een betere verbinding tussen onderwijsonderzoek en -praktijk. Het leidt tot grote betrokkenheid en eigenaarschap van leraren en lerarenopleiders. Hierdoor ontstaat een leercultuur waarin kennisontwikkeling en professionalisering van deelnemers kan plaatsvinden. Het samen werken, leren en onderzoeken heeft voor alle betrokken partijen in de werkplaats een meerwaarde én leerwaarde. Vanuit de rol van de lerarenopleidingen primair onderwijs zoomen we in op de meerwaarde van de werkplaatsen voor het opleiden van (toekomstige) leraren. Het flankerend onderzoek naar de drie werkplaatsen onderwijsonderzoek PO laat zien dat onderzoekers die werken in de werkplaatsen vooral opbrengsten ervaren in hun rol als opleider, zowel voor de begeleiding van de studenten als het curriculum.

Tijdens de drie sessies gaan we in op:

1. De werkwijze van de Werkplaats Onderwijsonderzoek Tilburg PO met als thema hoogbegaafdheid en de Werkplaats Ondewijsonderzoek Amsterdam met als thema diversiteit

2. De rol en positie van lerarenopleidingen binnen de werkplaatsen

3. Output van de werkplaatsen als input voor het curriculum van de lerarenopleidingen primair onderwijs: wat is de relevantie van resultaten uit de werkplaatsen voor de lerarenopleidingen en hoe kun je die resultaten vertalen naar het curriculum van de lerarenopleidingen?

De Werkplaats Onderwijsonderzoek Tilburg gaat in op bovenstaande punten in de eerste sessie. In de tweede sessie zal de Werkplaats Onderwijsonderzoek Amsterdam dit ook doen op basis van hun ervaringen. De derde sessie geeft inzicht in de praktijkervaringen vanuit de monitor uitgevoerd door Oberon van de 3 werkplaatsen onderwijsonderzoek PO.

Elk jaar worden interviewrondes gehouden met alle betrokkenen bij de werkplaatsen. Hierin wordt onder andere gevraagd naar de wijze van samenwerking, kennisontwikkeling en professionalisering van deelnemers dus zowel van leraren als docenten.

De resultaten worden o.a. afgezet tegen wat uit onderzoek naar voren komt waar effectieve professionaliseringsactiviteiten voor leraren aan moeten voldoen. De betrokkenheid van lerarenopleidingen en lerarenopleiders in de werkplaatsen biedt mogelijkheden voor lerarenopleiders en studenten van de lerarenopleiding kennis te ontwikkelen en te vergaren op inhoud en werkwijzen waarmee de opleiding van aanstaande leraren wordt versterkt.

Anouke Bakx Werkplaats Onderwijsonderzoek Tilburg - POINT

Erna van Hest Werkplaats Onderwijsonderzoek Amsterdam - WOA

Ditte Lockhorst - Oberon

Leraren van de toekomst: flexibele professionals
curriculumontwikkeling, onderzoekende houding

Het ontwerpen van leerruimtes bottom-up door middel van design thinking

Uitnodigende praktijkvoorbeelden111Jouri Van Landeghem, Hogeschool Gent, GENT

Cinema 3ma 13:45 - 15:15

Abstract

Het ontwerpen van een fysieke leeromgeving om leerkrachten-in-spé voor te bereiden op de uitdagingen van de snel evoluerende maatschappij van de 21e eeuw is een complex probleem waarvoor geen eenduidige oplossing bestaat.

Door gebruik te maken van technieken uit design thinking, en in dialoog te gaan met verschillende groepen belanghebbenden, zijn we tot een aantal inzichten gekomen zowel rond hoe een dergelijke fysieke leeromgeving eruit moet zien, als over welke competenties een leerkracht-in-opleiding nù moeten meegegeven worden om “future-proof” het werkveld in te kunnen stappen.

In deze sessie bekijken we zowel de methodiek als de resultaten, en gaan we met de deelnemers in dialoog over mogelijke verdere stappen.

Korte beschrijving

Een case-study hoe leerruimtes kunnen ontworpen worden met alle betrokken stakeholders door gebruik te maken van technieken uit design thinking. Tekst

Het ontwerpen van leerruimtes bottom-up door middel van design thinking

Context

De lerarenopleiding van de Hogeschool Gent ambieert studenten op te leiden tot inspirerende, innovatieve, en kritische “future-proof” leerkrachten. Daarvoor is het noodzakelijk om mee te blijven met, en zelfs voor te lopen op, de snel wijzigende vereisten die de maatschappij stelt aan onderwijs [1]. De complexiteit van deze evoluties vereist een nieuwe leeromgeving om een nieuwe, innovatieve aanpak [2] te kunnen implementeren bij het opleiden van leerkrachten [3], afgestemd op de 21e eeuw.

Doel

Het doel van dit project was het ontwerpen van een leeromgeving, waarin studenten de nodige competenties kunnen verwerven als leerkracht in een sterk veranderende maatschappij. Een leeromgeving die uitnodigt tot leren, samenwerken, onderzoeken, kritisch denken, communiceren en creëren. Een leeromgeving die niet alleen geschikt is voor leerkrachten in opleiding, maar ook voor de verdere vorming van leerkrachten in het veld die geconfronteerd worden met nieuwe uitdagingen.

Centrale uitdaging

Het ontwerpen van een dergelijke leeromgeving is zélf een complex probleem. Ten eerste door de verschillende belanghebbenden: de studenten, lesgevers, de scholen waar studenten nu als leerkracht-in-opleiding, maar later als volwaardige lid van het schoolteam terecht komen, pedagogische begeleidingsdiensten, …

Ten tweede doordat visies en opvattingen over onderwijs dat tegenmoet komt aan de vereisten van de 21e eeuw sterk kunnen verschillen en uiteenlopen, en er geen bewezen succesrecept bestaat hoe die uitdagingen het best aangepakt kunnen worden.

Om deze knoop te ontwarren, hebben we gebruik gemaakt van technieken uit Design Thinking [5],[6],[7]. Deze technieken zijn uitermate geschikt om dergelijke complexe problemen aan te pakken waar er geen éénduidige juiste oplossing voor handen is, maar vooral gezocht moet worden naar oplossingen die wérken voor de belanghebbenden.

Om tot een oplossing te komen werden drie design sessies georganiseerd met verschillende groepen stakeholders: lectoren van de lerarenopleiding, studenten, en alumni actief in het werkveld.

In een eerste fase van een dergelijke sessie werden door deelnemers “persona” ontwikkeld om zich in te kunnen leven in een leerkracht 10 jaar in de toekomst. Door “storyboards” en “storytelling” werd inzicht verworven in het probleem van lesgeven in een school in 2028, en aan de hand van “mindmapping” werd een overzicht gemaakt welke “tools” een lerarenopleiding moet meegeven aan studenten om klaar te zijn voor een complexe toekomst. Aan het eind van de design sessie werd met lego een “prototype” gemaakt van een hoe een leeromgeving eruit zou moeten zien om aan deze noden tegenmoet te komen.

Ten slotte werden de ideeën rond welke “tools” een lerarenopleiding moet meegeven en hoe de leeromgeving eruit moet zien getoetst tijdens interviews met directie en leerkrachten van duidelijk innovatieve scholen.

Opbrengst

De belangrijkste opbrengst is een ontwerp van hoe een leeromgeving eruit moet zien om studenten voor te bereiden op een loopbaan als leerkracht in de sterk veranderende maatschappij van de 21e eeuw, en een overzicht van de noodzakelijke competenties die hierin meegegeven moeten worden.

Activering deelnemers

De deelnemers worden actief meegenomen in de stappen van ontwerpproces.

Discussiepunt

In de sessie leggen we de resultaten voor aan de deelnemers, en vragen hen feedback.

Anders organiseren van onderwijs: wat en hoe
Designthinking, Leerruimte

Een case study van het leren binnen een schooloverstijgende professionele leergemeenschap

Onderzoekspresentatie: individueel138Caroline Timmers, Saxion, ENSCHEDE

Cinema 3ma 13:45 - 15:15

Abstract

Het leren in professionele netwerken is een veelbelovende professionaliseringsstrategie voor leraren van de toekomst. In dit drie jaar durende exploratieve case study onderzoek is onderzocht hoe een schooloverstijgende professionele leergemeenschap gericht op omgaan met verschillen met behulp van digitale leermiddelen (Team Mobiel leren) functioneert. Literatuur over de ontwikkeling van sociaal kaptiaal in een professioneel netwerk en leermechanismen die een rol spelen bij het leren tussen netwerken (boundary crossing) is hierbij gebruikt als kader voor analyse van observaties en documenten (o.a. Mail en app-wisseling). Het Team Mobiel leren was effectief voor de professionele ontwikkeling van de deelnemers en in de vele producten die zij ontwikkeld heeft (Http://rekenen.lerendeleraren.nl). Na een korte doorstart na de subsidieperiode, is het team gestopt. Dit is te verklaren vanuit de geisoleerde positie van het team ten opzichte van de schoolteams en besturen van de deelnemers en het netwerk Lerende Leraren Twente. Daardoor heeft transformatie alleen plaatsgevonden in de vorm van boundary objects en niet in nieuwe praktijken op de scholen van de deelnemers.

Korte beschrijving

Het leren in professionele netwerken is een veelbelovende professionaliseringsstrategie voor leraren van de toekomst. In dit drie jaar durende exploratieve case study onderzoek is onderzocht hoe een schooloverstijgende professionele leergemeenschap gericht op omgaan met verschillen met behulp van digitale leermiddelen (Team Mobiel leren) functioneert.

Tekst

Praktijk van waaruit geschreven

In het kader van de subsidiegelden Versterking Samenwerking is van 2014 – 2017 in Twente een intensieve samenwerking tussen alle stichtingen van basisscholen gestart. In het kader van deze samenwerking zijn stichting overstijgende professionele leergemeenschappen (PLG) van start gegaan, waarbij aan de condities voor effectieve professionalisering (Binkhorst, 2017) in vergaande mate is voldaan.

Inleiding

De leraar van de toekomst leert een leven lang. Het leren in professionele netwerken is hiertoe een veelbelovende strategie. Hoe dit leren plaats vindt staat centraal in dit papervoorstel. Onderwerp van onderzoek is een bovenschoolse PLG gericht op het omgaan met verschillen m.b.v. digitale leermiddelen (Team Mobiel leren).

Theoretisch kader

In deze case study hanteren we het leren in netwerken als theoretische lens om het functioneren van Team Mobiel leren te beschrijven en te analyseren. De ontwikkeling van sociaal kapitaal in een professioneel netwerk kan langs 4 dimensies beschreven worden (Coburn & Russel, 2008):ƒ. Structuur (reikwijdte en kracht)„. Vertrouwen…. Expertise†. Diepte van informatie-uitwisseling Akkermans en Bakker (2011) beschrijven op basis van een systematische literatuurstudie de leermechanismen die een rol spelen bij het leren tussen netwerken (boundary crossing):ƒ. Identificatie, expliciteren van je rol in verschillende netwerken „. Coördinatie, de dialoog tussen beiden netwerken…. Reflectie, innemen verschillende perspectieven†. Transformatie, nieuwe oplossingen realiseren

Onderzoeksvraag

De centrale onderzoeksvraag luidt als volgt: Hoe functioneert een schooloverstijgende PLG? - Hoe werd sociaal kapitaal ontwikkeld? - Hoe vond leren via boundary crossing plaats? - In hoeverre was team mobiel leren effectief?

Methode

De casus in dit onderzoek betreft het functioneren van de Team Mobiel leren in de periode september 2015 tot september 2018. Deze exploratieve case study (Yin, 2014) is uitgevoerd middels participerende observatie, documentenanalyse (inclusief mail en app-wisseling), een reflective journal van de onderzoeker en een member check.

Resultaten

De resultaten zijn samengevat in Tabel 1 en Tabel 2: Zie bijgevoegde afbeelding! Tabel 1: Dimensies sociaal kapitaal Team Mobiel leren Tabel 2: Leermechanismen boundary crossing Het Team Mobiel leren was effectief voor de professionele ontwikkeling van de deelnemers en in de vele producten die ze ontwikkeld heeft (zie http://rekenen.lerendeleraren.nl). Hoewel het Team Mobiel leren het enige team was dat na de subsidieperiode op eigen initiatief een doorstart maakte, is het team niet bijeen gebleven. Dit is te verklaren vanuit de geïsoleerde positie van het team ten opzichte van de schoolteams en besturen van de deelnemers en het netwerk Lerende Leraren Twente (gebrek aan coördinatie). Daardoor heeft transformatie alleen plaatsgevonden in de vorm van boundary objects en niet in nieuwe praktijken op de scholen van de deelnemers.

Hoe deelnemers actief betrokken worden bij de presentatie

Bij aanvang wisselen de deelnemers met een buurman en/of de hele groep uit wat ze al dan niet aanspreekt in een PLG. Tijdens de presentatie wordt hier (waar mogelijk) een link mee gelegd. Discussiepunt Hoe verhoudt een PLG zich tot de andere professionele netwerken van de deelnemers is een belangrijk discussiepunt voor de verdere ontwikkeling van het kennisnetwerk Lerende Leraren Twente.

Leraren van de toekomst: flexibele professionals
Docent Professionalisering, Netwerk leren, Professionele leergemeenschap

Grenspraktijken van docenten in het MBO met een afgeronde Master Leren en Innoveren (MLI)

Onderzoekspresentatie: individueel31Arjen Nawijn, Aeres Hogeschool Wageningen, WAGENINGEN

Cinema 3ma 13:45 - 15:15

Abstract

Er is behoefte aan docenten met een educatieve master die in staat zijn om het onderwijs te innoveren, die onderwijskundige ontwikkelingen kunnen vertalen naar de lespraktijk en die daar praktijkgericht onderzoek aan kunnen verbinden (Coonen & Kwakman, 2006). In de kwalificaties van de Masters Leren en Innoveren (MLI) is dit profiel van onderzoekende innovator van leren zichtbaar.

Met dit profiel verbinden zij in eigen persoon als ‘boundary crossers’ (Akkerman & Bakker, 2012) de werelden van onderzoek en onderwijs(innovatie). Van den Berg (2016, p. 21) stelt dat opleiders en praktijk(gericht)onderzoekers die samenwerken aan praktijkvraagstukken over twee hoofdtypen boundary crossing kwaliteiten dienen te beschikken: onderzoekend vermogen en transdisciplinair vermogen.

In dit onderzoek zijn aan de hand van zeven interviews grenspraktijken van MLI-opgeleide MBO docenten in kaart gebracht. Hoe zien hun grenspraktijken er uit en welke vermogens zetten zij in?

Het blijkt dat de alumni werken aan onderwijsvraagstukken van wisselende complexiteit. Eén respondent verbindt hieraan praktijkgericht onderzoek. Alle geïnterviewden zetten in hoge mate een onderzoekende houding in. Zij zijn sterk gericht op het toepassen van kennis uit onderzoek. Respondenten geven echter meermaals aan dat hun onderwijsorganisatie een remmende factor is bij het inzetten van eigen praktijkgericht onderzoek bij innovaties.

Korte beschrijving

Educatieve Masters zijn onder andere in het leven geroepen vanuit de behoefte aan docenten die in staat zijn het onderwijs te innoveren en hier praktijkgericht onderzoek aan kunnen verbinden. Inzicht in werkpraktijken van masteropgeleide docenten is belangrijke feedback voor de toekomstige invulling van deze opleidingen en het gevoerde alumnibeleid.

Tekst

Praktijk van waaruit geschreven

Aeres Hogeschool Wageningen biedt een Master Leren en Innoveren (MLI) aan voor docenten die zich verder willen bekwamen als onderzoekende innovator van leren.

Inleiding

Er is behoefte aan docenten met een educatieve master die in staat zijn om het onderwijs te innoveren, die onderwijskundige ontwikkelingen kunnen vertalen naar de lespraktijk en die daar praktijkgericht onderzoek aan kunnen verbinden (Coonen & Kwakman, 2006). In de kwalificaties van de Masters Leren en Innoveren (MLI) is dit profiel van onderzoekende innovator van leren zichtbaar.

Theoretisch kader

Met dit profiel verkeren deze MLI-opgeleide professionals in de werelden van onderzoek en onderwijs(innovatie). Zij verbinden in eigen persoon als ‘boundary crosser’ (Akkerman & Bakker, 2012) elementen van de ene praktijk met elementen van de andere en bewegen zich daarmee over een grens of ‘boundary’.

Van den Berg (2016) stelt op basis van literatuuronderzoek dat opleiders en praktijk(gericht)onderzoekers die samenwerken aan praktijkvraagstukken over twee hoofdtypen boundary crossing kwaliteiten dienen te beschikken: onderzoekend vermogen en transdisciplinair vermogen. Ze hebben onder meer een onderzoekende houding, passen onderzoekskennis toe, doen zelf onderzoek en werken interactief samen met anderen, over de grenzen van onderwijs en onderzoek heen.

Onderzoeksvraag

De vraag die in dit onderzoek centraal staat is: Hoe zien de grenspraktijken van MLI-alumni er uit? Aan welke onderwijsvraagstukken werken ze en welke kwaliteiten zetten ze in?

Methode

Voor de analyse van de werkpraktijk zijn zeven alumni van de MLI werkzaam in het MBO geïnterviewd op basis van een (half gestructureerde) interviewleidraad. Vijf van hen waren docenten met staftaken en twee respondenten hadden een staffunctie.

Resultaten

Het blijkt dat de alumni werken aan onderwijsvraagstukken van wisselende complexiteit. De complexiteit zit meer in de procesbegeleiding dan in de onderwijsinhoudelijke kant van het vraagstuk. De complexiteit zit bijvoorbeeld meer in het betrekken van verschillende belanghebbenden bij een innovatie, dan in de precieze inhoudelijke ontwikkeling van die innovatie.

Alle geïnterviewde MLI-alumni zetten in hoge mate een onderzoekende houding in. Zij zijn sterk gericht op het toepassen van kennis uit onderzoek en hebben ook een stimulerende rol in de ontwikkeling van onderzoekend vermogen bij collega’s. Respondenten geven meermaals aan dat hun onderwijsorganisatie een remmende factor is bij het inzetten van eigen praktijkgericht onderzoek bij innovaties. Eén respondent doet daadwerkelijk praktijkgericht onderzoek. Deze respondent zet dan ook in hoge mate onderzoekend en transdisciplinair vermogen in.

Vanuit de literatuur is de verwachting dat naarmate de complexiteit van vraagstukken groter wordt, ook de potentiële bijdrage van onderzoek groter wordt (Van den Berg, 2016). In de onderzochte werkpraktijken is een dergelijke relatie niet gevonden. Daarmee laten scholen mogelijk kansen liggen om onderzoek te betrekken bij het werken aan praktijkvraagstukken.

Interactie deelnemers

Bij de start van de presentatie worden de deelnemers gevraagd naar hun eigen ervaringen met masteropleidingen en naar hun zicht op de werkpraktijken van masteropgeleide docenten. Na de presentatie wordt de deelnemers gevraagd hun eigen beelden te vergelijken met de uitkomsten van het onderzoek.

Discussiepunt

Veel (MBO) scholen zien onvoldoende het belang in van docenten met een kwalificatieprofiel als onderzoekende innovator van leren.

Leraren van de toekomst: flexibele professionals
interactiviteit, masteropleiding, onderzoekend vermogen

Samen zij-instromers opleiden en begeleiden

Uitnodigende praktijkvoorbeelden141Beike van den Eeden, Samen Tussen Amstel en IJ, AMSTERDAM

Dansstudioma 13:45 - 15:15

Abstract

Dit praktijkvoorbeeld betreft een good practice. Dit is een uniek voorbeeld van hoe de samenwerking vorm gekregen heeft en nog steeds samen doorontwikkeld wordt. Een uitvoeringspraktijk gericht op een doelgroep die reeds een carrière achter de rug heeft en die daarom zorg op maat vraagt van opleiding en begeleiding.

Doel is dat er per schooljaar meerdere groepen kandidaten succesvol het zij-instroomtraject afronden en instromen in het openbaar primair onderwijs in Amsterdam.

Het voorbereidende werkervaringstraject en het zij-instroomtraject wordt zo ontwikkeld waardoor we efficiënt kunnen samenwerken als opleiding en schoolbesturen, hierbij de krachten kunnen bundelen en daardoor investeren in aankomende leerkrachten op Amsterdams niveau.

Korte beschrijving

Good practice over samenwerking rondom zij-instromers: De Amsterdamse schoolbesturen voor openbaar onderwijs (de Federatie) en de Hogeschool van Amsterdam werken samen aan een traject voor zij-instromers primair onderwijs. De opleiding verzorgt het lesaanbod en de begeleiding en beoordeling worden mede vormgegeven en uitgevoerd door de verschillende schoolbesturen binnen de federatie.

Tekst

Dit praktijkvoorbeeld betreft een good practice. Dit is een uniek voorbeeld van hoe de samenwerking vorm gekregen heeft en nog steeds samen doorontwikkeld wordt. Een uitvoeringspraktijk gericht op een volwassen doelgroep die naast het onderwijsaanbod zorg op maat vraagt van opleiding en begeleiding. De Amsterdamse schoolbesturen voor openbaar onderwijs (de Federatie) en de Hogeschool van Amsterdam werken samen aan een traject voor zij-instromers primair onderwijs. Dit traject bestaat uit een voorbereidend werkervaringstraject en het zij-instromertraject waarbij de opleiding het lesaanbod verzorgt en de begeleiding en beoordeling mede vormgegeven en uitgevoerd wordt door de verschillende schoolbesturen binnen de federatie.

Tijdens het voorbereidende werkervaringstraject maken kandidaten kennis met het openbaar basisonderwijs in Amsterdam, kunnen zij werkervaring opdoen en bereiden ze zich voor op het geschiktheidsonderzoek. Kandidaten kunnen zich zo oriënteren op het onderwijs, schoolbesturen kunnen het voortraject gebruiken om te selecteren en de opleiding om eventueel door te verwijzen.

De scholen ontwikkelen een begeleidingsstructuur voor het voor- en zij-instroomtraject. Daarbij maken ze gebruik van de expertise van de opleiders in school en expert-assessoren in het werkveld, die in de afgelopen jaren is opgebouwd in de diverse Opleidingsscholen. De reeds ontwikkelende opleidingsinfrastructuur wordt benut en uitgebouwd voor zij-instromers. Onderdeel van het werkervaringstraject is een kort scholingsprogramma ‘hands-on in de klas’, gericht op praktische vaardigheden, dat de HvA uitvoert in opdracht van de Federatie.

De opleiding biedt tijdens het zij-instroomtraject een basisstudieprogramma aan dat bestaat uit een stevige pedagogische- en vakdidactische scholing als basis van het beroep. Hiermee wordt de benodigde kennis en vaardigheden aangeleerd om de zij-instromer zich binnen twee jaar te laten ontwikkelen tot startbekwaam leraar basisonderwijs. Gedurende het opleidingstraject vormen de zij-instromers een groep zodat zij onderlinge verbondenheid ervaren. Het opleidingsaanbod wordt bij de tripartiete-overeenkomst (zij-instromer, bestuur en opleiding) op maat opgesteld waarbij rekening wordt gehouden met vooropleiding en voorkeur voor studeren.

De werkplek van de zij-instromer heeft een belangrijke en centrale rol in het zij-instroomtraject. Er wordt lesgegeven aan basisschoolleerlingen, er wordt samengewerkt met collega's en de zij-instromer draagt bij aan ontwikkeling van de school. In de praktijk wordt de theorie toegepast en leerkrachtvaardigheden ontwikkeld. De zij-instromer wordt op de werkplek op maat begeleid door een schoolopleider van de opleidingsschool die werkt vanuit het bestuur. Aan het einde van het traject wordt in de praktijk beoordeeld of de zij-instromer functioneert op het niveau van startbekwaamheid. Hiervoor wordt gebruik gemaakt van dezelfde beoordelingscriteria als voor studenten aan het einde van de reguliere bacheloropleiding. Daarnaast wordt de zij-instromer begeleid door een praktijkbegeleider vanuit de school. De zij-instromer ontvangt eveneens begeleiding van een expert-assessor bij het opbouwen van het portfolio waarmee de zij-instromer aan het einde van het traject tijdens het startbekwaamheidsonderzoek kan aantonen op startbekwaam niveau te kunnen functioneren.

Doel is dat er per schooljaar meerdere groepen kandidaten succesvol het zij-instroomtraject afronden en instromen in het openbaar primair onderwijs in Amsterdam. Het voorbereidende werkervaringstraject en het zij-instroomtraject wordt zo ontwikkeld waardoor we efficiënt kunnen samenwerken, de krachten kunnen bundelen en investeren in aankomende leerkrachten op Amsterdams niveau. Graag bespreken we onze uitdagingen.

Kwaliteit voor en ín de klas
Samenwerking opleiding en schoolbesturen, Verbondenheid groep zij-instromers, Zij-instromers opleiden en begeleiden in Amsterdam

Ritsen als professioneel leren door lerarenopleiders

Uitnodigende praktijkvoorbeelden43Geert Kelchtermans, Ann Deketelaere, KU Leuven, LEUVEN

Dansstudioma 13:45 - 15:15

Abstract

De theorie-praktijk-kloof is een oud zeer in de opleiding van leraren, maar stelt zich evenzeer in de opleiding van lerarenopleiders. In het opleidingsonderdeel “Professionaliteit van de lerarenopleider” in de Vlaamse opleiding voor lerarenopleiders stellen we het zogenaamde “rits-principe” centraal: deelnemers brengen hun ervaringen en interpretatiekaders mee naar de opleiding, waar ze in het curriculum uitgedaagd worden door verschillende theoretische begrippenkaders. Via werkvormen en opdrachten worden de deelnemers uitgenodigd en ondersteund om vanuit de theorie hun ervaringen te bevragen en omgekeerd vanuit hun praktijk de theorie kritisch te verkennen. Op die manier kunnen ze zelf de “rits te sluiten” tussen theorie en praktijkervaring en aldus hun professionaliteit verdiepen. We presenteren het rits-principe (en zijn onderwijskundige fundering), beschrijven opzet en werkvorm en tonen aan de hand van werkstukken door de deelnemers hoe dit ritsen er in de concrete praktijk uit kan zien. Zowel succeservaringen als uitdagingen worden in de vorm van stellingen voorgelegd aan het publiek, dat uitgenodigd wordt tot kritisch-constructief meedenken en discussie.

Korte beschrijving

De Vlaamse opleiding voor lerarenopleiders gebruikt het “rits-principe”: ervaringen en interpretatiekaders van de deelnemers worden er uitgedaagd door de theoretische begrippenkaders. Deelnemers worden begeleid in het kritisch bevragen van zowel de theorie als de eigen praktijkervaringen en zo zelf de “rits te sluiten” tussen beiden om hun professionaliteit te verdiepen.

Tekst

De theorie-praktijk-kloof is een oude kwestie in de opleiding van leraren, maar stelt zich evenzeer in het vormen van lerarenopleiders (zie bijv. Kessels & Korthagen, 1996). Deze bijdrage is gebaseerd op ervaringen in de nieuwe Vlaamse Opleiding voor Lerarenopleiders. Vanuit een praktijkgebaseerd en onderzoeksgericht perspectief op de professionalisering van lerarenopleiders (Berry, 2007; Kelchtermans, 2013; Kelchtermans, Vanassche & Deketelaere, 2014; Loughran, 2007) geven we in het curriculum en de didactische aanpak een centrale plaats aan het zogenaamde “rits-principe” (Kelchtermans, 2018). Lerarenopleiders brengen onvermijdelijk hun ervaringen en interpretatiekaders mee wanneer ze aan de opleiding deelnemen. In het opleidingscurriculum worden ze via werkvormen en opdrachten enerzijds gestimuleerd om zich scherper bewust te worden van die interpretatiekaders en de ervaringen waarin ze geworteld zijn. Anderzijds worden ze uitgenodigd tot het grondig bestuderen van theoretische begrippenkaders en daarmee kritisch-reflectief in dialoog te gaan. Daarbij laten ze hun praktijkervaringen uitdagen door de theoretische kaders, maar stellen die op hun beurt ook in vraag vanuit hun praktijkervaringen. Theorie en praktijk vormen zo als het ware de twee elementen die door de deelnemers op elkaar betrokken worden. Of nog: de deelnemers worden uitgenodigd en ondersteund zo zelf de “rits te sluiten” tussen theorie en praktijkervaring en aldus hun professionaliteit verdiepen.

In deze bijdrage presenteren we het rits-principe (en zijn onderwijskundige fundering) en beschrijven we het opzet en de concrete aanpak in het opleidingsonderdeel “Professionaliteit van de Lerarenopleider” (o.m. het werken met prakijkcases als rode draad, vaste tafelgroepen als studie- en discussiegroep, digitale discussiefora, leesseminaries en tekstanalyse). Aan de hand van een analyse van de werkstukken van de deelnemers uit het eerste opleidingsjaar (gestart in 2018) illustreren we concreet hoe dit “ritsen” als leerresultaat van professionalisering er concreet kan uitzien. Bijvoorbeeld hoe de bril van een bepaald begrippenkader helpt om de eigen ervaringen letterlijk anders te ‘zien’, zich bewust te worden van onvermoede aspecten en effecten, die op hun beurt ook weer het denken en spreken over die praktijk nuanceren en verfijnen. Tegelijkertijd is in die processen de persoon van de lerarenopleider nooit ver weg. Voor de vorm van de presentatie laten we ons leiden door het concept van “goed praktijkvoorbeeld” (als verschillend van “voorbeeld van goede praktijk”): beschrijven én inzichtelijk maken van praktijken (Kelchtermans, Ballet, Peeters & Verckens, 2009). We laten de presentatie uitlopen in een aantal stellingen/vragen waarin we de succeservaringen beschrijven en duiden. Daarbij hebben we niet alleen oog voor de bedoelde resultaten, maar ook voor de onbedoelde neveneffecten van het rits-proces. Daarnaast brengen we ook een aantal blijvende uitdagingen, moeilijkheden en drempels in kaart. De stellingen/uitdagingen worden tot slot gebruikt voor een gestructureerde gedachtenwisseling met het publiek.

Anders organiseren van onderwijs: wat en hoe
professionalisering lerarenopleider, rits-principe, theorie-praktijk kloof

Co-teaching, een vorm van samen professionaliseren, op verschillende manieren in te zetten

Uitnodigende praktijkvoorbeelden78Annette Schaafsma, Marnix Academie, UTRECHT; Marjolein Oosterbroek, SBO de Binnentuin, VLEUTEN

Dansstudioma 13:45 - 15:15

Abstract

Vijf jaar geleden startten SBO de Binnentuin en de Marnix Academie in Utrecht een project waarin co-teaching centraal stond. Hierin zijn veel ervaringen en kennis opgedaan en inmiddels heeft co-teaching, in verschillende vormen, een vaste plaats op de Binnentuin, de Marnix Academie en in het partnerschap Partners in Opleiding en ontwikkeling. De kracht van co-teaching is het samen leren, samen nieuwe onderwijsactiviteiten uitproberen en gebruik maken van elkaars expertise.

Op de Binnentuin wordt co-teaching ingezet bij een hulp- of leervraag of van een leerkracht of een student. Er is een format ontwikkeld dat wordt ingezet, waarin de vraag en het doel gekoppeld worden aan de kwaliteiten van de co-teachers. Op de Marnix Academie worden studenten voorbereid op het samen lesgeven. In trainingen voor mentoren en ICO’s (schoolopleiders) is co-teaching een vast onderdeel. Door co-teaching leer je voorafgaand aan de lesactiviteit en in het moment en dat is vaak effectiever dan feedback achteraf. Studenten leren zo al tijdens de opleiding, ook op de opleidingsschool, dat je veel van elkaar kunt leren door samen nieuwe dingen uit te proberen.

De deelnemers verkennen de mogelijkheden van co-teaching binnen de school, de opleiding en het samen opleiden.

Korte beschrijving

Leraren van de toekomst werken samen en maken gebruik van elkaars kwaliteiten. Samen weet en kan je meer dan alleen en onze ervaring is dat door middel van co-teaching vernieuwende onderwijsactiviteiten worden uitgeprobeerd en opgepakt.

Tekst

Co-teaching, een vorm van samen professionaliseren, op verschillende manieren in te zetten

Context Leraren van de toekomst werken samen en maken gebruik van elkaars kwaliteiten. Samen weet en kan je meer dan alleen en onze ervaring op de Binnentuin en de Marnix Academie in Utrecht is dat door middel van co-teaching vernieuwende onderwijsactiviteiten worden uitgeprobeerd en opgepakt. Daarmee is co-teaching een goede vorm voor professionalisering voor leerkrachten en studenten. Vijf jaar geleden startten SBO de Binnentuin en de Marnix Academie in Utrecht een project waarin co-teaching centraal stond. Hierin zijn veel ervaringen en kennis opgedaan en inmiddels heeft co-teaching, in verschillende vormen, een vaste plaats op de Binnentuin, de Marnix Academie en in het partnerschap Partners in Opleiding en Ontwikkeling. De kracht van co-teaching is het samen leren, samen nieuwe onderwijsactiviteiten uitproberen en gebruik maken van elkaars expertise.

Op de Binnentuin wordt co-teaching ingezet bij een hulp- of leervraag van een leerkracht of een student. Er is een format ontwikkeld dat wordt ingezet, waarin de vraag en het doel gekoppeld worden aan de kwaliteiten van de co-teachers. Op de Marnix Academie worden studenten voorbereid op het samen met je mentor of medestudent lesactiviteiten voorbereiden, geven en hierop reflecteren. In trainingen voor mentoren en ICO’s (schoolopleiders) is co-teaching een vast onderdeel. Door co-teaching leer je voorafgaand aan de lesactiviteit en in het moment en dat is vaak effectiever dan feedback achteraf. Studenten leren zo al tijdens de opleiding, ook op de opleidingsschool dat je veel van elkaar kunt leren door samen nieuwe dingen uit te proberen.

Doel Deelnemers verkennen op basis van de gedeelde praktijkvoorbeelden van de Binnentuin en de Marnix Academie de mogelijkheden van co-teaching binnen hun eigen context.

Centrale uitdaging/probleem en verloop van de practice Tijdens de bijeenkomst wordt na een korte introductie over co-teaching de manier waarop co-teaching wordt ingezet op de Binnentuin en de Marnix Academie gedeeld met de deelnemers. aan de hand van de ontwikkelde materialen en ervaringen en uitspraken van betrokkenen.

Daarna volgt een discussie aan de hand van twee stellingen: 1. Co-teaching is een effectieve manier van professionaliseren 2. Elke leerkracht moet regelmatig co-teachen en binnen de schoolorganisatie moet dat gefaciliteerd worden.

Belangrijkste opbrengst De deelnemers kennen en verkennen de mogelijkheden van co-teaching binnen de school, de opleiding en het samen opleiden.

Activering van de deelnemers tijdens de presentatie De presentatie zal plaatsvinden aan de hand van concrete voorbeelden en ervaringen. Er is voldoende ruimte voor discussie naar aanleiding van de presentatie en de stellingen.

Discussiepunt De stellingen die worden ingebracht zijn tevens de discussiepunten.

Bronnen: Howerter, C.S. ( 2013) An Analysis of Co-Teaching Instruction Provided in Teacher Education and Inservice Training for Special Education and General Education Teachers. University of Nevada, Las Vegas Koot, S. (2011). Co-teaching. Krachtig gereedschap bij de begeleiding van leraren. Huizen: Uitgeverij Pica Pontier, M.C. (2013). Co-teaching een passende oplossing. Utrecht: Universiteit Utrecht? Schaafsma, A. & Hamers, C. (2015). Co-teaching, samen leren. In: JSW. Amersfoort: Thieme Meulenhoff.?

Kwaliteit voor en ín de klas
samen leren

Anders organiseren van professionaliseren in ’t LEF (Leiden Education Fieldlab)

Workshop18Sanne van der Linden, Hogeschool Leiden, LEIDEN; Myra Warmer, Da Vinci scholengroep, LEIDEN; Hilde Swets, Ruimtehouders, WOERDEN

De Verdiepingma 13:45 - 15:15

Abstract

Wanneer je in een proces zit van professionaliseren en innoveren, komt er een fase dat je het niet weet. Je weet het antwoord niet op de vraag die je jezelf stelt. Door het niet weten te omarmen, langer stil te staan bij cruciale vragen en deze samen te verkennen, ontstaan er meer initiatieven en een grotere range aan antwoorden. In ’t LEF (Leiden Education Fieldlab) geven we hier invulling aan en organiseren we diverse professionaliseringsactiviteiten waar onderwijsprofessionals van verschillende onderwijssectoren en musea samen met het bedrijfsleven vragen formuleren. Vervolgens staan we langer stil bij deze cruciale vragen en bieden we ruimte en ondersteuning om deze vragen verder uit te werken. Samen ervaren we wat dit oplevert voor professionalisering en innovatie. Onderwijsprofessionals, musea en bedrijfsleven ontmoeten elkaar buiten hun eigen (school)gebouw in ’t LEF voorbij de grenzen van de eigen organisatie. ’t LEF biedt een structurele professionaliseringsvorm die formeel en informeel geladen wordt. Wat wordt er mogelijk als je over grenzen gaat in professionalisering van leraren en ontwikkeling van leerlingen? Dat ervaar je tijdens onze workshop.

Korte beschrijving

Deze workshop past goed binnen het thema omdat het de meerwaarde zichtbaar maakt van sectoroverstijgend samenwerken, professionaliseren en innoveren. We laten dit de deelnemers op een bijzondere manier ervaren die past bij ons initiatief. Dit sluit aan bij de actuele vragen die er landelijk zijn rondom aansluitingsproblematiek tussen verschillende sectoren.

Tekst -

Praktijk van waaruit ingediend;

‘t LEF (Leiden Education Fieldlab) heeft de ambitie om:

Onderwijsprofessionals uit de verschillende sectoren (po-vo/mbo-ho) in de regio Leiden samen te brengen zodat zij zich kunnen professionaliseren op verschillende kernactiviteiten. Dit zijn bijvoorbeeld onderwijs verzorgen, leraren opleiden, innoveren, praktijkonderzoek doen en leidinggeven elkaar te laten ontmoetenen met elkaar te verbinden.Daartoe wil het (een) ruimtebieden waar professionals werken en kennis creëren met elkaar. De activiteiten betreffen voorwaardelijk het faciliteren en aanjagen van samenwerken aan projecten en een bedding creëren voor onderwijs-start-ups; denk aan een ‘seats-to-meet’-locatie voor (onderwijs-)ondernemerschap, onderwijsinitiatieven van bijvoorbeeld groepen leraren, wetenschappers en studenten.

Voor Leidse docenten betekent dit dat zij verder kunnen professionaliseren door sector overstijgende samenwerking en ontmoetingen in ‘t LEF. Eén van de vormen die we aan bieden zijn creatieve sessies rond een cruciaal onderwijsvraagstuk. In de workshop laten we dit ervaren.

Deelnemers ervaren de fase van ‘niet weten’ als een cruciale fase in een creatief proces om met elkaar tot een antwoord op een vraag te komen. Deelnemers krijgen antwoord op de vraag, ervaren het creatief proces en een innovatieve vorm van professionaliseren. Op deze manier laat ’t LEF zien hoe zij een bijdrage wil leveren aan het kantelen van het onderwijs.

We starten met een actuele vraag vanuit één van de sessies van ’t LEF die begint met: Hoe kunnen we … Deze vraag nemen we mee naar de workshop in maart. We gebruiken diverse werkvormen om de deelnemers te laten stil staan bij deze vraag en samen op zoek te gaan naar een breder palet aan antwoorden. Door het deelnemers zelf te laten ervaren zijn zij in staat om de werkvormen toe te passen in hun eigen praktijk.

Het gesprek gaat over de ervaring van deelnemers met een deel van het creatief proces en deze innovatieve vorm van professionaliseren. Dit levert twee vragen op:

1. Wat levert het op om langer stil te staan bij een actuele vraag?

2. Wat wordt er mogelijk als je over grenzen gaat in professionalisering van leraren en ontwikkeling van leerlingen?

Maximaal 25 deelnemers

25 max
Anders organiseren van onderwijs: wat en hoe
creatief proces, innovatie, sectoroverstijgend professionaliseren

Naar (opleidings)onderwijs waarin creativiteit gestimuleerd wordt

Ronde en hoekige tafelgesprekken3Ida Oosterheert, Radboud Docenten Academie, NIJMEGEN

Emma de Jongzaal - tafel 1ma 13:45 - 15:15

Abstract

Creativiteitsontwikkeling staat hoog op de onderwijsagenda. De stap naar gerichte creativiteitsontwikkeling in het primair en voortgezet onderwijs wordt echter in Nederland en ook elders nog nauwelijks systematisch gemaakt. Hetzelfde geldt voor de lerarenopleidingen. In deze bijdrage wordt betoogd dat deze aarzeling onder meer te begrijpen is vanuit wat creativiteitsontwikkeling in educatieve settingen behelst, namelijk het creëren van een specifieke context. Kenmerken van deze ‘creativiteit cultiverende context’ worden uiteengezet en onderbouwd met wetenschappelijke kennis en discours over het verschijnsel creativiteit zelf en een breed scala aan (vooral internationale) literatuur over het cultiveren van creativiteit. Centraal daarin staat kennis over 1) het deels domeinspecifieke karakter van creatief functioneren 2) de veelzijdigheid van het creatieve proces en 3) de kwetsbaarheid van het functioneren in een creatieve modus op school. Met de deelnemers gaan we graag in gesprek over implicaties hiervan voor (kwaliteiten van) leraren en daarmee voor de vormgeving van lerarenopleidingen.

Korte beschrijving

Veel leraren vinden het lastig handen en voeten te geven aan het stimuleren van creativiteit in hun (opleidings)onderwijs. Wat vraagt het eigenlijk om dit te doen? We schetsen kenmerken van een 'creativiteit cultiverende leercontext' en kwaliteiten van leraren die worden verondersteld daarbij te horen. We bediscussieren de implicatie voor lerarenopleidingen.

Tekst

Deze ronde/hoekige tafel wordt ingeleid met een beknopte presentatie van een aantal argumenten voor de positie dat het cultiveren van creativiteit (op school, in de lerarenopleiding) een specifieke context behoeft. De argumenten worden ontleend aan wetenschappelijke discours over drie essentiële kenmerken van creatief functioneren. Het eerste kenmerk heeft betrekking op domeinspecifieke en het tweede en derde op generieke kennis, vaardigheden en (persoonlijke) kwaliteiten die nodig zijn voor creatief functioneren (zie Oosterheert & Meijer, 2017). 1) Er is domeinspecifieke kennis nodig voor creatief functioneren. Dit is een belangrijk gegeven voor het (opleidings)onderwijs. Het stelt namelijk aan een creatieve uitdaging de eis dat lerenden er hun domeinspecifieke kennis bij moeten inzetten. Bovendien stelt het eisen aan de kwaliteit van deze kennis, namelijk dat zij zich er echt iets bij kunnen voorstellen en er (dus) mee kunnen denken. Creatief functioneren vraagt derhalve om het kunnen inzetten van diep verworven kennis (Krathwohl, 2002; Sternberg, 2012). Dit geldt evenzeer voor leraren; met diep verworven kennis kunnen zij creatiever functioneren. 2) In een volledig creatief proces, dat wil zeggen een proces waarin divergeren én convergeren plaatsvinden binnen de context van een betekenisvolle creatieve uitdaging, wordt een beroep gedaan op een veelzijdige combinatie van kwaliteiten van lerenden. Ze zijn vaak tegengesteld aan elkaar maar functioneel in verschillende fasen van het creatieve proces. In de aard van het creatieve proces ligt daarmee de mogelijkheid tot brede ontwikkeling van lerenden besloten, mits leraren hen vanuit een breed ontwikkelingsperspectief richten op en begeleiden bij hun functioneren in het creatieve proces. 3) De veelzijdigheid van het creatieve proces maakt het daarin functioneren ook kwetsbaar, zeker in het onderwijs. Bij uitstek bij creatief functioneren markeren motivationele oriëntaties van lerenden in hoge mate de scheidslijn tussen wat zij kunnen en wat zij in het onderwijs laten zien. Vooral in onderwijs dat nog moet wennen aan manifeste verbeeldingskracht van lerenden en open einden. Lerenden kunnen veel redenen hebben op safe te spelen door conventioneel gedrag te laten zien. Dit risico kan worden beperkt wanneer docenten bij de oriëntatie op een creatieve uitdaging, tijdens het creatieve proces en bij het kijken naar creatieve opbrengsten lerenden richten op het plezier van creatief functioneren, het bewustworden van wat creativiteit is en het ontwikkelen van hun creatieve kwaliteiten. Het gesprek met de deelnemers richt zich op de kwaliteiten van leraren die nodig zijn om deze creativiteit cultiverende context te realiseren (vanuit een open voorzet; Meijer & Oosterheert, 2018) en over de implicaties voor lerarenopleidingen.

Leraren van de toekomst: flexibele professionals
Creativiteit, Flexibiliteit, Leeromgeving

Samen studenten begeleiden op de werkplek: het werken met de opleidingsdidactiek CMA

Ronde en hoekige tafelgesprekken41Nicole Poulussen, Avans Hogeschool, BREDA

Emma de Jongzaal - tafel 1ma 13:45 - 15:15

Abstract

Tijdens dit tafelgesprek zal de specifieke opleidingsdidactiek CMA worden besproken zoals die bij de Pabo van Avans Hogeschool is toepast tijdens het opleiden in de school. Bij CMA doorlopen de student, de mentor en de contactdocent gezamenlijk verschillende cycli bij het voorbereiden, uitvoeren en evalueren van lesactiviteiten. Modellen en scaffolden spelen hierbij een rol. Uit een onderzoek naar de ervaringen met deze didactiek blijkt dat de rol van de student onderbelicht blijft. Wat vraagt het van de voorbereiding en wat heeft de student aan ondersteuning nodig om zijn rol goed in te vullen? Hier zal in gesprek verder op ingegaan worden aan de hand van vragen.

Korte beschrijving

Hoe zorgen we voor goede leraren in de klas? Welke manier van het opleiden in de school zorgt voor verdieping bij studenten én ook bij de mentor? De Pabo van Avans Hogeschool heeft een, voor deze studenten, mentoren en contactdocenten, nieuwe didactiek ingezet om het samen opleiden verder te versterken.

Tekst

- Praktijk van waaruit ingediend;

Op de Pabo van Avans Hogeschool is er een nieuw impuls gegeven aan het samen opleiden en het bevorderen van het leren op de werkplek, waarbij de praktijk-theoriekoppeling wordt gemaakt in een context waar schoolopleiders, instituutsopleiders en studenten bij betrokken zijn.

Onderwerp;

Samen studenten begeleiden op de werkplek: het werken met de opleidingsdidactiek CMA

Context;

Op verschillende basisscholen in het Partnerschap Samen Opleiden van Pabo Avans hebben teams van studenten, mentoren en contactdocenten gewerkt volgens de principes van de CMA-didactiek. Deze opleidingsdidactiek is opgebouwd aan de hand van een cyclus van drie lessen, waarbij de voor- en nabesprekingen tussen de student en de mentor essentieel zijn. De leervraag van de student staat centraal tijdens de verschillende activiteiten van deze cyclus. De eerste les wordt gegeven door de mentor, de tweede les wordt gegeven door de student en de mentor samen en de derde les wordt door de student gegeven. Door middel van modelling en scaffolding wordt de student tijdens deze activiteiten begeleid bij het leren op de werkplek gericht op zijn leervraag. Tijdens de besprekingen voor- en achteraf wordt de praktijkkennis van de mentor gedeeld en toegankelijk gemaakt voor de student.

Doel;

De doelstelling is tweeledig. Enerzijds is het doel het delen van de ervaringen met deze didactiek. Anderzijds wordt tijdens het tafelgesprek input gevraagd over de ondersteuning van de student gedurende het werken volgens de CMA-didactiek.

Praktische en/of beleidsmatige relevantie;

De praktische relevantie bestaat voor collega-opleiders uit de bruikbaarheid van deze opleidingsdidactiek voor de eigen opleidingspraktijk en/of uitgangspunten van deze werkwijze. Daarnaast biedt deze didactiek vele mogelijkheden om samen opleiden te verdiepen.

Activering deelnemers;

Tijdens het tafelgesprek wordt een actieve deelname gevraagd van de deelnemers door een bijdrage te leveren aan de hand van de vragen die gesteld worden.

Discussiepunt;

Hoe kunnen we studenten de ondersteunen tijdens de voorbereiding en uitvoering bij het werken volgens de principes van de CMA-didactiek?

Kwaliteit voor en ín de klas
opleidingsdidactiek, voorbereiding van de student

Hoe scholen samen met lerarenopleidingen een duurzame begeleiding van startende leraren vormgeven

Ronde en hoekige tafelgesprekken7Barbara Roosken, Fontys Hogescholen, TILBURG

Emma de Jongzaal - tafel 1ma 13:45 - 15:15

Abstract

Samen ontwikkelen vanuit expertise was het motto van het project Begeleiding Startende Leraren (BSL) dat de lerarenopleidingen van Tilburg University en Fontys Hogescholen hebben uitgevoerd samen met scholen in de regio Brabant en Zeeland. De scholen hebben inductietrajecten opgezet met ondersteuning van de lerarenopleidingen, gericht op het professionaliseren van de begeleiders van startende leraren en het introduceren en begeleiden van werkvormen voor collegiaal leren. Om zicht te krijgen op de verduurzaming van de begeleiding, zijn er gesprekken gevoerd met schoolleiding, coaches en startende leraren van acht deelnemende scholen. Ons doel was om vanuit de expertise en ervaring van de schoolleiding en coaches te weten te komen wat belangrijk is voor een inductietraject. Daarnaast hebben de beginnende leraren hun professionalisering en het effect van de inductietrajecten kritisch besproken. In deze sessie wordt er een korte casusbeschrijving gegeven (5 min), gevolgd door een interactieve sessie. Deelnemers reflecteren op de casus en bespreken hoe vorm kan worden gegeven aan eigenaarschap en maatwerk van inductietrajecten (20 min). Tenslotte is er een afsluiting waarin issues die uit de groep naar voren zijn gekomen worden samengevat (5 min).

Korte beschrijving

Aan de hand van casussen wordt besproken hoe een inductietraject onderdeel kan worden van het schoolbeleid. Vervolgens reflecteren de deelnemers hierop vanuit hun eigen context. Hoe kan de begeleiding van starters een vast onderdeel worden in het schoolbeleid? Welke rol kan de lerarenopleiding vervullen in de begeleiding van starters?

Tekst

Praktijk:

Samen ontwikkelen vanuit expertise was het motto van het project Begeleiding Startende Leraren (BSL) dat de lerarenopleidingen van Tilburg University en Fontys Hogescholen hebben uitgevoerd samen met scholen in de regio Brabant en Zeeland. De scholen hebben inductietrajecten opgezet met ondersteuning van de lerarenopleidingen, gericht op het professionaliseren van de begeleiders van startende leraren en het introduceren en begeleiden van werkvormen voor collegiaal leren. Om zicht te krijgen op de verduurzaming van de begeleiding, zijn er gesprekken gevoerd met schoolleiding, coaches en startende leraren van acht deelnemende scholen. Ons doel was om vanuit de expertise en ervaring van de schoolleiding en coaches te weten te komen wat belangrijk is voor een inductietraject. Daarnaast hebben de beginnende leraren hun professionalisering en het effect van de inductietrajecten kritisch besproken.

Context:

voortgezet onderwijs – inductie – coaching en begeleiding van beginnende leraren in het VO

Doel van het tafelgesprek:

We bespreken aan de hand van casussen hoe een inductietraject onderdeel kan worden van de schoolcultuur en het schoolbeleid. We vragen vervolgens aan de deelnemers hierop te reflecteren vanuit hun eigen context. Hoe kan de begeleiding van startende docenten een vast onderdeel worden in het schoolbeleid? Welke rol kan de lerarenopleiding vervullen in de begeleiding van startende leraren?

Activering deelnemers en organisatie workshop:

Eerst wordt er een korte casusbeschrijving gegeven (5 min), gevolgd door een interactieve sessie. Deelnemers reflecteren op de casus en bespreken hoe vorm kan worden gegeven aan eigenaarschap en maatwerk van inductietrajecten (20 min). Tenslotte is er een afsluiting waarin issues die uit de groep naar voren zijn gekomen worden samengevat (5 min).

Discussiepunt:

Hoe kunnen scholen zorgdragen dat de begeleiding van startende leraren onderdeel wordt van het schoolbeleid en wat is de rol van de lerarenopleidingen hierbij?

Leraren van de toekomst: flexibele professionals
begeleiden van starters, inductietraject, voortgezet onderwijs

Samen opleiden met het werkveld: wat betekent dat voor de lerarenopleider?

Ronde en hoekige tafelgesprekken149Jorien van Heerde, Véronique Damoiseaux, Ilse Halfwerk, Katholieke Pabo Zwolle, ZWOLLE

Emma de Jongzaal - tafel 2ma 13:45 - 15:15

Abstract Lerarenopleiders en het werkveld zullen vanuit een gezamenlijke verantwoordelijkheid dienen na te denken over hoe zij kwalitatieve professionals opleiden voor de toekomst. Dit levert logischerwijs spanningen op bijvoorbeeld als het gaat om de urgentie waarin (startende) professionals idealiter de arbeidsmarkt betreden en de complexe werkzaamheden waar een professional mee te maken krijgt. Hoe zorgen we er met elkaar voor dat de (toekomstig) professional in staat is en zich voldoende toegerust voelt voor dit complexe werk? Nu, maar ook in de toekomst? Verschillende opleidingsinitiatieven zijn in samenwerking met het werkveld en andere onderwijspartners uitgewerkt, zoals het opzetten van talentenprogramma’s, het starten van de opleiding PPKE en de post-hbo-opleiding De Nieuwe Leraar. Echter ondervinden we dat ook onze eigen rol verandert. Zijn en blijven we enkel lerarenopleider of verandert onze rol steeds meer in die van dienstverlener? En wat betekent dit dan? Voor de (toekomstig) professional, de samenwerking met het werkveld en de wijze waarop wij het eigen onderwijs vormgeven? In deze rondetafel verkennen we graag met elkaar de mogelijkheden om samen met het werkveld kwalitatief goede leraren op te leiden en wat er voor nodig is om deze samenwerking te optimaliseren.

Korte beschrijving

In het rondetafelgesprek gaan we in op de vraag hoe we als lerarenopleiders en werkveld vanuit een gezamenlijke verantwoordelijkheid dienen te balanceren tussen het kunnen blijven bieden van een hoogwaardige opleiding enerzijds en de urgentie vanuit de arbeidsmarkt om op korte termijn duurzame professionals te leveren.

Tekst

Praktijk van waaruit ingediend

Katholieke Pabo Zwolle (KPZ) streeft naar regionale impact en heeft van daaruit verschillende initiatieven ontplooid in samenwerking met het werkveld en andere opleidingspartners. De deeltijdopleiding wordt vernieuwd, talentenprogramma’s zijn opgestart en de Ad PPKE, Post-hbo-opleiding De Nieuwe Leraar en de Master Leiderschap en Innovatie Kind en Educatie zijn ontwikkeld. Onderwerp

De kwalitatieve vraag om (toekomstig) professionals op te leiden die beschikken over competenties passend bij toekomstgericht onderwijs staat nadrukkelijk onder spanning met het toenemende lerarentekort. Het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap heeft recent extra acties aangekondigd om te anticiperen op het toenemende lerarentekort (Van Ark, 2018). Daarentegen pleit de Onderwijsraad vooral voor een stevige kwaliteitsslag in het onderwijs (Onderwijsraad, 2018). Juist door de kwaliteit van het onderwijs als uitgangspunt te nemen, zo geven zij aan, zal uiteindelijk het leraarschap aantrekkelijker worden voor (toekomstig) professionals. Doordat de onderwijsarbeidsmarkt vooral functioneert op regionaal niveau wordt bovendien steeds duidelijker dat een regionale aanpak waarbij partijen in het onderwijs met elkaar samenwerken nodig is om te anticiperen op de arbeidsmarkt en kwalitatieve ontwikkelingen in het domein Kind en Educatie (Slob, 2018). Daarin is een belangrijke rol voor de lerarenopleider weggelegd.

Context

Op verschillende manieren is KPZ als opleidingsinstituut op verschillende lagen met het werkveld in gesprek. Zo is er regelmatig een strategisch beraad, vindt er afstemming plaats met een werkveldadviesraad of worden studentenpanels ingezet om de kwaliteit in kaart te brengen en te waarborgen. Tevens worden actieve gesprekken gevoerd in het werkveld over de opleidingsbehoeften van teams en professionals, waarin de balans en afstemming tussen de ontwikkelvraag en het opleidingsaanbod wordt gezocht. Kan en wil een lerarenopleider altijd bieden wat het werkveld vraagt en visa versa?

Doel

Deze rondetafel gaat in op de wijze waarop de samenwerking met het werkveld kan worden geoptimaliseerd. Het levert kennis op die gebruikt kan worden om de dialoog tussen lerarenopleiders en het werkveld impulsen te geven. Met als doel dat daarmee de positie van zowel de lerarenopleider als het werkveld in het gezamenlijk opleiden van (toekomstig) professionals kan worden versterkt.

Praktische en/of beleidsmatige relevantie

Het toenemende lerarentekort en de acties die als antwoord hierop door het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (bron) zijn aangekondigd vraagt aan lerarenopleidingen positie in te nemen. Hoe geven zij het opleidingsaanbod in samenwerking met het werkveld vorm en op welke wijze wordt de kwaliteit van afgestudeerden gewaarborgd? Maar ook: hoe positioneert de lerarenopleider zichzelf en hoe kijkt zij naar de veranderende rol richting die van dienstverlener?

Activering deelnemers

Na een korte introductie van het onderwerp worden de deelnemers uitgenodigd om kennis en ervaringen te delen betreffende het discussiepunt.

Discussiepunt

Samen opleiden en professionaliseren met het werkveld: wat betekent dit voor je rol als lerarenopleider en in hoeverre anticipeer je op vragen/behoeften vanuit het werkveld?

Kwaliteit voor en ín de klas
Kwaliteit van onderwijs, Lerarentekort, Samen opleiden met het werkveld

Praktijkgericht onderzoek naar hoe leerkrachten participatie in de klas kunnen verhogen

Ronde en hoekige tafelgesprekken49Koen Defour, Arteveldehogeschool, GENT

Emma de Jongzaal - tafel 2ma 13:45 - 15:15

Abstract

Tijdens dit onderzoek ligt de nadruk op hoe leerlingen en leerkrachten kunnen samenwerken om leerlingenparticipatie te verhogen. Ons vertrekpunt hierbij is de unieke kennis waarover leerlingen en leerkrachten beschikken over de eigen (klas)situatie. We hebben gekozen om parallel te werken met verschillende onderzoeksmethodes zoals een nul- en eindmeting via survey voor leerlingen en semi-gestructureerde interviews van leerkrachten, individuele gesprekken met alle deelnemende leerlingen (in de experimentfase), focusgroepen en een survey voor leerkrachten. Het onderzoek is kwalitatief van aard, hoewel er ook een kwantitatieve analyse is gebeurd bij de nul- en eindmeting. De doelgroep is 2e jaar secundair onderwijs (13-14-jarigen).

De resultaten zijn veelbelovend: niet alleen wordt eerder onderzoek van Vansteenkiste & Aelterman (2018, 2012) bevestigd, het biedt ook aanknopingspunten om leerkrachten heel gericht te laten werken aan leerlingenparticipatie in hun klas. De zelfinschatting op basis van het ontwikkelde circumplex van Vansteenkiste & Aelterman gekoppeld aan de klasobservatie zorgt ervoor dat de leerkracht op een onderbouwde manier de leerlingenparticipatie kan verhogen. Participatief werken heeft enkel een kans op slagen als de basiscondities in een klas vervuld zoals relationele steun, structuur en afstemming.

Korte beschrijving

De basis van dit onderzoek is kwaliteit voor en in de klas, aangezien er gewerkt wordt met leerkrachten en leerlingen in reële klassituaties. Tijdens het rondetafelgesprek zal een centrale hypothese uit het onderzoek besproken worden op participatieve wijze, zoals we voorzien in de ontwikkelde toolbox.

Tekst

Praktijk van waaruit ingediend:

Dit onderzoek werd gerealiseerd door Arteveldehogeschool (Gent) vanuit verschillende vakgroepen: “Opleiding Secundair Onderwijs”, “Sociaal werk” en “Pedagogie van het jonge kind (opvoeding en coaching)”. Aangezien het om praktijkgericht onderzoek gaat werd samengewerkt met 5 scholen secundair onderwijs.

Onderwerp:

Het onderzoek spitst zich toe op hoe leerkrachten en leerlingen kunnen samenwerken om leerlingenparticipatie in de klas te verhogen. Van bij aanvang werd op basis van literatuur- en documentonderzoek een testversie van een participatiepakket en toolbox opgesteld om een experiment op te zetten en zo te kunnen toetsen hoe dit concreet verliep in de respectieve klassen 2e jaar secundair onderwijs (13-14-jarigen). Zowel het leerkracht-, als het leerlingenperspectief werd onderzocht op verschillende manieren: survey, semi-gestructureerde interviews, individuele gesprekken, coachingsmomenten, registraties van de gebruikte tools en focusgroepen. In een tweede fase worden deze bevindingen verwerkt in een nieuwe versie om hiermee opnieuw aan de slag te gaan, maar nu met een grotere groep leerkrachten en leerlingen.

Context:

Er werd gewerkt met 5 scholen secundair onderwijs in Vlaanderen (Gent, Oudenaarde, Oostende), specifiek in het 2e jaar secundair onderwijs in de B-stroom (beroeps- of technisch onderwijs). In een eerste fase van het onderzoek werd er een experiment opgezet in 5 klassen waarbij alle andere klassen als controlegroep fungeerden. In een tweede fase werd met een groep leerkrachten gewerkt om ook de “minder gemotiveerde” leerkrachten te betrekken in het onderzoek. Daarnaast hadden we hierdoor een groter bereik aan leerlingen.

Doel:

Centraal stonden van bij aanvang twee doelstellingen voorop. Enerzijds biedt het onderzoek een beeld van hoe leerkrachten en leerlingen het verhogen van leerlingenparticipatie ervaren. Op basis hiervan werd duidelijk welke factoren cruciaal zijn in het werken aan deze participatie in de klas. Anderzijds is er het doel om een instrument te ontwikkelen dat ondersteunend is voor leerkrachten in het participatief werken in de klas.

Daarnaast werd onderzocht wat de impact is van deze specifieke aanpak op welbevinden, leermotivatie en de ervaren mate van inspraak.

Praktische en/of beleidsmatige relevantie: We zijn overtuigd dat het ontwikkelde instrument kan bijdragen tot de leerkrachtenopleiding, meer specifiek in de noodzaak om zichzelf en de klasgroep in te schatten zodat er een directe koppeling mogelijk is met leerkrachtgedrag in functie van verhogen van leerlingenparticipatie. Het onderzoek draagt ook bij tot het beleid, vooral dan de vaststelling dat een doordachte, planmatige aanpak van participatie in de klas nodig is, met name dat een aantal basiscondities vervuld moeten zijn om van participatie in de klas een succes te maken.

Activering deelnemers:

In het rondetafelgesprek laten we de deelnemers ervaren hoe de toolbox in elkaar zit door er zelf mee aan de slag te gaan en zo de participatie te verhogen.

Discussiepunt:

“Indien er geen rekening wordt gehouden met relationele steun, structuur en afstemming, dan is participatief werken in een klas contraproductief.”

Kwaliteit voor en ín de klas
leerkrachtgedrag, leerlingenparticipatie, leermotivatie

Themagroep Beginnende Lerarenopleiders

Ronde en hoekige tafelgesprekkenVelon Themagroep Beginnende Lerarenopleiders 57Evelien van Geffen, Hogeschool van Amsterdam, AMSTERDAM

Emma de Jongzaal - tafel 2ma 13:45 - 15:15

Abstract

In Nederland zijn er geen vaste afspraken over de inductieperiode van lerarenopleiders. Met deze bijeenkomst willen we inventariseren wat een beginnend lerarenopleider aan ondersteuning kan en moet krijgen, hoe dat georganiseerd kan worden, wat beginnende lerarenopleiders zelf kunnen doen en welke rol de themagroep daarin kan hebben. Daarnaast presenteren we een eerste verkenning rondom deze thematiek aan de hand van gesprekken die we de afgelopen jaren met beginnende lerarenopleiders hebben gevoerd. Wie zijn beginnende lerarenopleiders en waar hebben zij behoefte aan? Uit onze eerste verkenning blijkt onder andere dat door de diversiteit van de achtergrond van de beginnende lerarenopleiders er ook verschillende behoeftes zijn in de inductieperiode. Maatwerk voor de beginnende lerarenopleider in de inductieperiode is dan ook nodig. De lerarenopleider kan hier zelf ook stappen in ondernemen, hetgeen al op verschillende plekken gebeurt. Tijdens een rondetafelgesprek staat de beginnende lerarenopleider centraal met als doel om scherp te krijgen wat de inductiepriode van lerarenopleiders inhoudt en hoe deze het best kan worden vormgegeven.

Korte beschrijving

De vraag die binnen dit thema speelt is hoe de leraar van de toekomst er uit ziet. In deze bijeenkomst vragen we ons af hoe de lerarenopleider van de toekomst er uit ziet.

Tekst

Praktijk van waaruit ingediend

Deze bijdrage wordt verzorgd door de themagroep Beginnende Lerarenopleiders.

Onderwerp & Context

Naast het beroep van leraar krijgt ook het beroep van lerarenopleider meer aandacht. De overgang van leraar naar lerarenopleider gaat niet vanzelf. Uit onderzoek van Murray en Male (2005) blijkt dat het bijvoorbeeld twee tot drie jaar kost voordat een lerarenopleider, ondanks zijn/haar ervaring in onderwijs, diens professionele identiteit als lerarenopleider heeft ontwikkeld. Eén van de punten waarop een lerarenopleider zich moet ontwikkelen is de didactiek om leraren-in-opleiding te onderwijzen. Ken Zeichner (2005) vertelt in zijn artikel over zijn eigen zoektocht binnen het lerarenopleiderschap en geeft als aanbeveling dat je als lerarenopleider kritisch moet zijn op je eigen handelen, linken moeten maken naar de andere vakken binnen de lerarenopleiding en dat er aandacht moet worden geschonken aan de bestaande literatuur over lerarenopleiderschap. Lunenberg, Korthagen en Swennen (2007) bevelen naar aanleiding van hun onderzoek aan dat lerarenopleiders getraind moeten worden om modelleren in hun onderwijs toe te passen, bijvoorbeeld door systematische discussies en observaties uit te voeren.

Met de beroepsstandaard van de VELON is duidelijk welke bekwaamheden belangrijk als lerarenopleider en vanuit welke perspectieven daar naar gekeken kan worden, zie figuur 1.

Velzen, Klink, Swennen & Yaffe (2010) geven handvatten voor de inductieperiode van lerarenopleiders. Veel van hun geïnterviewde lerarenopleiders had zich eenzaam gevoeld. Voor de formele opleidingsactiviteiten was de wens om studenten te leren begeleiden, de regels en procedures van de organisatie te leren kennen en werkdruk te verminderen. Verder werd aangegeven dat er tijdens de inductieperiode tijd moet zijn voor informeel overleg met collega’s, discussie, en gezamenlijk voorbereiden en uitvoeren van onderwijs. De vraag is hoe de themagroep Beginnende lerarenopleiders hier een rol in kan spelen.

Doel

Het doel van deze bijeenkomst is scherp te krijgen wat de inductieperiode van lerarenopleiders inhoudt en hoe deze het best ondersteund kan worden.

Praktische en/of beleidsmatige relevantie

De relevantie van deze bijeenkomst ligt in het beleid dat de themagroep gaat voeren om mee te werken aan lerarenopleiders die zich zelfverzekerd voelen in hun vak en toekomstbestendig zijn.

Activering deelnemers en Discussiepunt

Allereerst volgt een brainstorm waarin deelnemers kunnen aangeven waar een lerarenopleider behoefte aan heeft/kan hebben in de inductieperiode. Daarna wordt de tijdlijn specifieker ingevuld met wie (bijv. de beginnende lerarenopleider, ervaren lerarenopleiders, leidinggevenden; de Velon-themagroep Beginngnede lerarenopleiders) daar een rol kan spelen en de verantwoordelijkheid voor heeft/kan hebben. Vervolgens wordt in groepen een tijdlijn ingevuld wie welke taken wanneer op zich zou moeten/kunnen nemen, met het nadrukkelijke verzoek na te denken over de rol van de themagroep.

Leraren van de toekomst: flexibele professionals
Beginnende lerarenopleiders

Lesgeven in een superdiverse samenleving

Workshop25Gytha Burman, Universiteit Antwerpen, ANTWERPEN

Frontma 13:45 - 15:15

Abstract

'Lesgeven in een superdiverse samenleving' is de publicatie die resulteerde uit een van de negen Vlaamse transitieprojecten van de lerarenopleidingen: 'Van startbekwaam naar stadsbekwaam'. In dit transitieproject gingen 7 Antwerpse lerarenopleidingen samen aan de slag om antwoorden te vinden op de uitdagingen die lesgeven in de grootstedelijke context stelt aan het leraarschap, uitdagingen die bovenop de 'normale' uitdagingen van een beginnende leerkracht komen. In de workshop op het VELON/ VELOV Congres 2019 komen inhouden aan bod uit de training 'urban education' die ontwikkeld werd binnen het transitieproject. De workshop is een herneming van dewelke aangeboden werd op het VELON Congres 2018. We vertrekken van het eigen referentiekader van de lerarenopleider. Lesgeven in een superdiverse samenleving vraagt dat leraren zich bewust zijn van wat voor henzelf vanzelfsprekend is, en dat zij weten dat hetgene zij zelf 'normaal' vinden dat niet noodzakelijk is voor hun leerlingen, collega's, of de ouders van hun leerlingen. Lerarenopleiders die leraren opleiden om les te gaan geven in een superdiverse samenleving dienen zich eerst van hun eigen referentiekader bewust te zijn voordat zij hun studenten bewust kunnen maken van die hun referentiekader. Verder komen in de workshop volgende inhouden aan bod: verbindende communicatie, multiperspectiviteit en controversiële lesonderwerpen.

Korte beschrijving

In deze workshop komen inhouden aan bod uit de training 'urban education' die ontwikkeld werd binnen het Vlaamse transitieproject 'Van starbekwaam naar stadsbekwaam': een samenwerking tussen zeven Antwerpse lerarenopleidingen. Deelnemers verwerven inzichten in de onderwerpen: eigen referentiekader, verbindende communicatie, multiperspectiviteit en controversiële lesonderwerpen.

Tekst

'Lesgeven in een superdiverse samenleving' is de publicatie die resulteerde uit een van de negen Vlaamse transitieprojecten van de lerarenopleidingen: 'Van startbekwaam naar stadsbekwaam'. In dit transitieproject gingen 7 Antwerpse lerarenopleidingen samen aan de slag om antwoorden te vinden op de uitdagingen die lesgeven in de grootstedelijke context stelt aan het leraarschap, uitdagingen die bovenop de 'normale' uitdagingen van een beginnende leerkracht komen. In de workshop op het VELON/ VELOV Congres 2019 komen inhouden aan bod uit de training 'urban education' die ontwikkeld werd binnen het transitieproject. De workshop is een herneming van dewelke aangeboden werd op het VELON Congres 2018. We vertrekken van het eigen referentiekader van de lerarenopleider. Lesgeven in een superdiverse samenleving vraagt dat leraren zich bewust zijn van wat voor henzelf vanzelfsprekend is, en dat zij weten dat hetgene zij zelf 'normaal' vinden dat niet noodzakelijk is voor hun leerlingen, collega's, of de ouders van hun leerlingen. Lerarenopleiders die leraren opleiden om les te gaan geven in een superdiverse samenleving dienen zich eerst van hun eigen referentiekader bewust te zijn voordat zij hun studenten bewust kunnen maken van die hun referentiekader. Verder komen in de workshop volgende inhouden aan bod: verbindende communicatie, multiperspectiviteit en controversiële lesonderwerpen.

Maatschappij van morgen: diversiteit en urban education
Eigen referentiekader, Verbindende communicatie

Teach the Future; toekomst denken in de klas – praktische tools

Workshop92Erica Bol, Teach the Future, BREDA

Hofkens HIG Foyerma 13:45 - 15:15

Abstract

De missie van scholen en universiteiten spreekt over het voorbereiden van studenten op de toekomst. Maar bereiden we studenten voor op de toekomst als we alleen op het verleden en heden gericht zijn? Om onze scholieren en studenten voor te bereiden, moeten we hen leren op de toekomst te anticiperen, deze te omarmen en vorm te geven; we moeten hen leren toekomst denken.

Lesgeven over de toekomst betekent leren hoe te anticiperen op en verandering te beïnvloeden te midden van complexiteit, onzekerheid en ambiguïteit. In tegenstelling tot veel onderwijsprofielen, is toekomst denken niet gericht op het krijgen van het 'juiste' antwoord; het gaat om het vinden van meerdere mogelijkheden te midden van snelle veranderingen. Bij het leren ‘voordenken’ over de toekomst leren we jongeren van hier naar de toekomst en van de toekomst terug naar het nu kijken. We helpen ze met het onderzoeken van hun eigen toekomstdromen, het ontdekken van de mogelijke toekomst om hen heen en de link daartussen.

In deze workshop gaan we aan de slag met een aantal praktische tools die je kunnen helpen toekomst denken in je eigen onderwijs te integreren.

Korte beschrijving

Wil je kinderen en jongeren opleiden voor de toekomst dan leer je ze toekomst denken. De toekomst bestaat nog niet dus je kunt ze niet vertellen hoe deze eruit gaat zien, maar je kan ze wel de vaardigheden meegeven om hier zelf invulling aan te geven.

Tekst

Teach the Future is een stichting die zich inzet om toekomst denken in het onderwijs te integreren met als doel leerlingen beter voor te bereiden op de toekomst en ze de vaardigheden te geven er zelf richting aan te geven.

Deze workshop is gekoppeld aan de keynote van Maya van Leemput van de Erasmus Hogeschool Brussel. Na aanleiding van de keynote zullen een aantal toekomst oefeningen worden uitgedeeld waarmee je gedurende de dag op pad gestuurd wordt.

Aan het eind van de dag zullen we deze toekomst oefeningen met jullie bespreken. We willen jullie hiermee laten ervaren wat toekomst denken met je kan doen en laten zien hoe makkelijk het kan zijn toekomst denken zelf toe te passen in je les.

Kwaliteit voor en ín de klas
Praktische tools, Toekomst denken, Toekomstgericht onderwijs

Wat als kinderen in 2085 met pensioen gaan?

Praktijkvoorbeeld XLINVITED POJoke Tillemans

Jupilerzaal ZAALma 13:45 - 15:15

Wat als kinderen in 2085 met pensioen gaan?

Of helemaal nooit meer met pensioen gaan? Waarom schoolvakanties? Waarom het gemiddelde kind? Waarom klassen? Met deze en nog veel meer vragen ging directeur Joke Tillemans aan de slag. Samen met kinderen ouders, pedagogen, leerkrachten, bedrijfsleven en wetenschap samen werd een geheel nieuw concept ontwikkeld voor kinderen van 0 tot 13 jaar.

 

Het Kindcentrum Mondomijn is 52 weken per jaar open, ieder kind heeft er een gepersonaliseerd leerplan. Warm eten, rekenles volgen, fysiotherapie en drumles, het kan er allemaal. In deze sessie neemt Joke je mee in haar verhaal. Wat betekent het voor een team om het onderwijs rigoureus om te gooien, andere keuzes te maken, samen te gaan leren.

 

Een inspirerend verhaal over een kindcentrum met met lef!

 

www.mondomijn.nl

Leraren van de toekomst: flexibele professionals

Wat als kinderen in 2085 met pensioen gaan?

INVITED PO 161Joke Tillemans, Mondomijn, HELMOND

Jupilerzaal ZAALma 13:45 - 15:15

Wat als kinderen in 2085 met pensioen gaan?

Of helemaal nooit meer met pensioen gaan? Waarom schoolvakanties? Waarom het gemiddelde kind? Waarom klassen? Met deze en nog veel meer vragen ging directeur Joke Tillemans aan de slag. Samen met kinderen ouders, pedagogen, leerkrachten, bedrijfsleven en wetenschap samen werd een geheel nieuw concept ontwikkeld voor kinderen van 0 tot 13 jaar.

Het Kindcentrum Mondomijn is 52 weken per jaar open, ieder kind heeft er een gepersonaliseerd leerplan. Warm eten, rekenles volgen, fysiotherapie en drumles, het kan er allemaal. In deze sessie neemt Joke je mee in haar verhaal. Wat betekent het voor een team om het onderwijs rigoureus om te gooien, andere keuzes te maken, samen te gaan leren.

Een inspirerend verhaal over een kindcentrum met met lef!

Anders organiseren van onderwijs: wat en hoe

‘Ander’ onderwijs heeft andere leraren nodig; wat betekent dat voor de lerarenopleiding?

Workshop87Gerda Geerdink, Helma Oolbekkink-Marchand, Edwin Buijs, Hogeschool van Arnhem en Nijmegen, NIJMEGEN

MK2zaalma 13:45 - 15:15

Abstract Vanuit het Kenniscentrum Kwaliteit van leren zijn we betrokken bij drie onderwijsvernieuwingsprojecten / vormen van ‘ander’ onderwijs. Ander onderwijs is divers maar gedeelde kenmerken lijken in ieder geval: meer vraaggestuurd dan aanbodgestuurd, meer coachend dan onderwijzend, meer actief dan passief bezig met leerstof, meer thematisch/geïntegreerd dan vakgericht (Vandecandelaere, Van den Branden, Juchtmans, Vandenbroeck, & De Fraine, 2016). Het succesvol zijn van ‘ander’ onderwijs is van verschillende factoren afhankelijk en de drie projecten willen graag flankerend onderzocht wat de valkuilen en/of succesfactoren zijn. Een belangrijke actor in het geheel is de leraar of docent. Over de kenmerken of kwaliteiten van de leraar voor ander onderwijs is weinig bekend (Oosterheert & Meijer, 2017). Wij willen meer kennis over de leraar die past binnen ‘ander’ onderwijs. Deelvragen daarbij zijn: wat kenmerkt die leraar?, wat is te zeggen over de professionele identiteit? En – niet onbelangrijk – wat moeten de lerarenopleidingen doen om leraren voor te bereiden voor vormen van vernieuwingsonderwijs. We verkennen in de theorie en binnen de vernieuwingsprojecten wat de leraren kenmerkt die ‘anders’ gaan en willen werken. Een vervolgstap die we in een workshop met collega’s willen verkennen is wat een en ander voor de lerarenopleiding betekent.

Korte beschrijving

Lerarenopleidingen moeten leraren voor de toekomst opleiden. Er wordt al veel gedacht en gepraat over gewenste aanpassingen daarvoor. Door in een workshop een gestructureerde inhoudelijke discussie op gang te brengen met geïnteresseerden denken we systematisch te kunnen inventariseren wat de consequenties van vernieuwingsonderwijs voor het curriculum van de lerarenopleidingen zijn.

Tekst

Praktijk van waaruit ingediend

Vanuit de lectoraren Kwaliteiten van lerarenopleiders en Meervoudige professionaliteit van leraren zijn we betrokken bij drie onderwijsvernieuwingsprojecten (po en vo; (v)mbo, en hbo). De daarin werkzame projectleiders willen niet alleen hun onderwijs anders organiseren en inrichten, ze willen ook weten wat succesfactoren zijn en meer specifiek welke leraren ‘passen’ binnen vernieuwingsonderwijs. Welke leraren moeten aangetrokken en welke professionaliseringsactiviteiten zijn passend voor zittende leraren? Vanuit de lerarenopleiding gaat het in deze workshop om de vraag hoe toekomstige leraren daarvoor kunnen worden opgeleid.

Onderwerp

Het onderwerp van de workshop is de lerarenopleiding en het opleiden voor vernieuwingsonderwijs. Dit onderwerp is in de theorie voor zover bekend nog niet beschreven. We willen met lerarenopleiders (uit instituten en scholen en iedereen die betrokken is bij het opleiden dan wel professionaliseren van leraren) discussiëren over het opleiden voor de toekomst.

Context

Het startpunt is vernieuwingsprojecten waar we op dit moment onderzoeken wat de professionele identiteit is van daarin werkzame leraren. Het onderzoeksrapport wordt eind 2019 opgeleverd. De projecten sluiten aan bij de dimensies die volgens Van den Berg (2018; zie ook Claessen, 2016) ) kenmerkend zijn voor ‘ander’ onderwijs:

1 Het onderwijs brengt de wereld binnen. Dit vraagt een diepgaande en brede (ervarings)kennis van de leraar.

2 Leerlingen worden erkend en gecoacht als uniek persoon. Leraren kunnen zich verplaatsen in de verschillende leerlingen en daarvoor passend onderwijs bieden.

3 De school is als een plek waar je er bent voor jezelf, voor de ander en met de ander. Een plaats waar je bestaat. Op school komen vragen aan bod als ‘wie ben ik’, wie wil ik zijn?, Wat doe ik hier, waar ga ik voor, wat wil ik bereiken? School is een leer- en leefgemeenschap.

4 De school is een gemeenschap waar elke leerling er mag zijn en zich aanwezig voelt. Daarnaast een plek waar gesproken wordt over zaken die van belang zijn.

Doel

Het doel van de workshop is meer kennis over de wijze waarop lerarenopleidingen leraren voor vernieuwingsonderwijs kunnen/moeten opleiden. Vanuit het think big, act small gedachtengoed willen we ook uitdrukkelijk haalbare vernieuwingsactiviteiten inventariseren. Deelnemers moeten vertrekken met ideeën die gelijk inzetbaar zijn.

Activering deelnemers en organisatie workshop

De opzet van de workshop is twee gestructureerde discussies. We willen ons richten op de lerarenopleiding. De eerste discussieronde betreft: wat moet er allemaal anders of aangepast worden. In een tweede ronde bespreken wat er meteen haalbaar is. Elke discussieronde wordt voorafgegaan door een korte introductie.

1 Introductie over dimensies die kenmerkend zijn voor ander onderwijs (Van den Berg, 2018) en (op basis van literatuurstudie en praktijkgericht onderzoek; Geerdink in voorbereiding) informatie over de ideale leraar in vernieuwingsonderwijs.

2 Discussieronde 1 m.b.v. placemats: Hoe ziet een curriculum (de inhoud, de didactiek, de organisatie en de toetsing) van de lerarenopleiding die opleidt voor de toekomst eruit?

3 Discussieronde 2 Wat zijn op dit moment haalbare aanpassingen binnen het curriculum van de lerarenopleiding?

Discussiepunt

Wat betekent ‘ander’ onderwijs voor het curriculum van de lerarenopleiding: Wat is gewenst en wat is nu haalbaar?

Leraren van de toekomst: flexibele professionals
‘anders’ opleiden, eigentijdse deskundigheid, flexibele professionals

Welke rol speelt vakdidactische kennis bij samenwerking tussen vakken?

Workshop33Hanneke Tuithof, Fontys Hogescholen / Universiteit Utrecht, UTRECHT

Proosdijzaal (HC)ma 13:45 - 15:15

Abstract

In het kader van Curriculum.nu en het opleiden van docenten wordt er na gedacht over meer samenwerking tussen de schoolvakken. Vaak spelen pedagogische doelen een rol bij samenwerking tussen vakken en is er kritiek op de mate waarin vakspecifieke doelen worden gehaald. In de praktijk vallen vooral organisatorische zaken op, maar ook de opleiding en vakdidactische kennis (of Pedagogical Content Knowledge) van docenten is belangrijk om te beschouwen.

Pedagogical Content Knowledge (PCK) heeft tijd nodig om tot bloei te komen. Als het ontwikkelen van PCK binnen je eigen vakgebied al veel tijd en aandacht vraagt, is het te begrijpen dat samenwerking met een ander vak niet makkelijk is.

Binnen het lectoraat didactiek van de gammavakken bij Fontys wordt er onderzoek gedaan naar de rol die PCK en vakdoelen spelen bij samenwerking tussen vakken. Daartoe wordt een aangepaste versie van de CoRe-vragenlijst (Loughran et al., 2006) die eerder voor bèta-docenten is ontwikkeld, gebruikt. Deze vragenlijst maakt PCK en vakdoelen zichtbaar.

In deze workshop wordt toegelicht wat de rol van PCK bij de samenwerking tussen vakken is en we proberen de mogelijkheden van de CoRe-vragenlijst uit. Onze eerste onderzoeksresultaten en de consequenties voor opleiden en nascholen van docenten worden samen besproken.

Korte beschrijving

Bij samenwerking tussen vakken vallen organisatorische zaken op, maar de vakdidactische kennis (PCK) van docenten is ook belangrijk om te beschouwen. In deze workshop wordt toegelicht wat de rol van PCK bij de vakkensamenwerking is en we proberen de mogelijkheden van de CoRe-vragenlijst uit. Onze eerste onderzoeksresultaten hiermee worden besproken.

Tekst

In het kader van Curriculum.nu wordt na gedacht over mogelijkheden voor meer samenwerking tussen de schoolvakken. En er wordt gesproken over het opleiden van docenten voor domeinen in plaats van aparte vakken. Er zijn positieve ervaringen met samenwerking tussen vakken, maar het blijkt niet gemakkelijk te zijn om die samenwerking goed vorm te geven. Vaak spelen pedagogische doelen een rol bij een samenwerking en is er kritiek op de mate waarin vakspecifieke doelen worden gehaald. In de praktijk vallen vooral organisatorische zaken als roostering, facilitering en de manier van samenwerken op, maar ook de opleiding en kennis van docenten is belangrijk om te beschouwen (Van Boxtel e.a., 2009; Tuithof, 2018).

Uit onderzoek naar de ontwikkeling van Pedagogical Content Knowledge (PCK) van ervaren geschiedenisdocenten blijkt dat de rol van doelen en overtuigingen belangrijk is (Tuithof, 2017). Daarnaast heeft PCK tijd nodig om tot bloei te komen. De PCK van beginnende docenten is vaak nog beperkt en er is pas na jaren een rijpe PCK (Van Driel & Berry, 2010). Wanneer het ontwikkelen van PCK binnen je eigen vakgebied al veel tijd en aandacht vraagt, is het goed te begrijpen dat een samenwerking met een ander vak moeilijk is. Uit onderzoek van Henze (2008) en Tuithof (2017) blijkt tevens dat een veranderingsproces (bijvoorbeeld een nieuw examenprogramma) ervoor zorgt dat de PCK van ervaren docenten verandert en dat dit samen hangt met de doelen die docenten hebben.

Binnen het lectoraat didactiek van de gammavakken bij Fontys wordt er onderzoek gedaan naar de rol die PCK en vakdoelen spelen bij samenwerking tussen vakken. Daartoe wordt een aangepaste versie van de CoRe-vragenlijst (Loughran et al., 2006) die eerder voor bèta-docenten is ontwikkeld, gebruikt. Deze vragenlijst maakt vakdidactische kennis en vakdoelen zichtbaar. Door de overeenkomsten en verschillen tussen de antwoorden van docenten van verschillende vakken in kaart te brengen, hopen we meer zicht te krijgen op de aard van de (gamma)vakken. Ook onderzoeken we welke factoren er aan bijdragen dat een docent over de grenzen van zijn/haar vak wil kijken.

In deze workshop wordt toegelicht wat de rol van PCK en doelen bij de samenwerking tussen vakken is en we proberen de mogelijkheden van de CoRe-vragenlijst uit. Onze eerste onderzoeksresultaten en de consequenties voor opleiden en nascholen van docenten worden samen besproken.

Henze, I., Van Driel, J., & Verloop, N. (2008). Development of experienced science teachers' pedagogical content knowledge of models of the solar system and the universe. International Journal of Science Education, 30, 1321-1342.

Tuithof, H. (2017). The characteristics of Dutch experienced history teachers’ PCK in the context of a curriculum innovation. PhD thesis, Utrecht University.

Tuithof, H. (red.) (2018). Wat werkt als je samenwerkt. Voorbeelden van samenwerking tussen gammavakken. Amsterdam: Landelijk Expertisecentrum Mens- en Maatschappijvakken.

Van Boxtel, C. (red.) (2009). Vakintegratie in de Mens- en Maatschappijvakken theorie en praktijk. Amsterdam: Landelijk Expertisecentrum Mens- en Maatschappijvakken; Landelijk expertisecentrum Economie en Handel.

Van Driel, J., & Berry, A. (2010). The teacher education knowledge base: Pedagogicalcontent knowledge. International Encyclopedia of Education, 7, 656-661.

Leraren van de toekomst: flexibele professionals
Pedagogical Content Knowledge, samenwerking tussen vakken, vakdidactische kennis

Impact door onderzoek: wat maakt onderzoek (leren) doen nuttig, leuk en duurzaam?

Workshop94Margreet van Oudheusden, Ferry Boschman, Windesheim, ZWOLLE

Struktonfoyerma 13:45 - 15:15

Abstract

Leraren van de toekomst werken duurzaam aan de kwaliteit van hun onderwijs (Snoek et al, 2017). Onderzoekend zijn is één van de aspecten van de brede professionele kennisbasis (Onderwijscoöperatie, 2014). Oostdijk et al (2018) constateerden in een onderzoek naar beelden van lerarenopleiders over de onderzoekende houding dat er veel vragen leven ten aanzien van de plaats en vorm van onderzoek in het curriculum. Deze vragen leven ook bij de portefeuillehouders onderzoek in de zogenaamde ‘BAMA-groep’. Met elkaar wordt gezocht naar alternatieve onderzoeksopdrachten, vormen van begeleiden en beoordelen voor bachelor- en masteropleidingen. Complex én inspirerend.

Op het VELON-congres nodigt de BAMA-groep collega’s uit om een ideale leeromgeving onderzoek vorm te geven. Daarvoor hanteren we de methode ‘design thinking’ (Riverdale & IDEO, z.j). De uitdaging is om een leeromgeving te ontwerpen die leraren-in-opleiding aanspreekt, tot goede resultaten leidt én bijdraagt aan een betere onderwijspraktijk. M.a.w., leraren-in-opleiding adopteren en implementeren duurzaam een onderzoeksmatige manier van werken.

Aan verschillende tafels werken deelnemers aan aspecten van de leeromgeving zoals onderzoeksopdrachten, onderzoeksbegeleiding, beoordelingsmethodiek.

De opbrengsten van de workshop leiden tot een inspirerende verzameling ontwerpideeën voor lerarenopleiders. Deze worden gedeeld in de BAMA-groep en vormen een opstap voor een lange termijn perspectief op onderzoek in educatieve opleidingen. Korte beschrijving De leraar van de toekomst past zijn/haar onderwijs steeds aan bij nieuwe ontwikkelingen. Kennisdelen, experimenteren, kritisch oordelen en inzichten benutten is belangrijker dan ooit. Daar hoort een onderzoeksmatige manier van leren en werken bij. Hoe maken we leraren-in-opleiding enthousiast en capabel? In deze workshop ontwerpen we gezamenlijk de ideale onderzoeksleeromgeving. Tekst

Praktijk van waaruit ingediend

Sinds ruim 10 jaar bestaat voor portefeuillehouders onderzoek van lerarenopleiders (bachelor en masters) de informele ‘bama-groep’. Van benchmarken en kalibreren van eindwerk is de aandacht verbreed naar het vormgeven van de leeromgeving en uitvoeren van onderwijs voor onderzoek. De onderliggende kernopdracht is om leraren zo op te leiden dat zij een onderzoekende manier van werken duurzaam inzetten in hun werk (Snoek et al, 2017, Onderwijscoöperatie, 2014).

Onderwerp

In de BAMA-groep constateren we dat onderzoek doen in opleidingen veelal is verworden tot een vervelend en verplicht ‘kunstje’, dat studenten na hun afstuderen ‘nooit meer’ willen toepassen. De vorm – het technisch goed doorlopen van de empirische cyclus – lijkt leidend geworden, het creatieve en inspirerende proces van onderzoek doen is ondergesneeuwd. We willen het enthousiasme terug!

Natuurlijk willen we ook dat studenten ‘goed’ onderzoek leren doen: kritisch reflecteren op eigen gedrag, systematisch analyseren van gegevens in de onderwijspraktijk, uitkomsten en conclusies bediscussiëren (Ros et al 2018). En we willen dat zij opgedane kennis en kunde duurzaam benutten voor het verbeteren van hun onderwijspraktijk.

Oostdijk et al (2018) deden onderzoek naar de beelden van lerarenopleiders naar de onderzoekende houding en het ontwikkelen ervan. Zij concluderen dat daar geen eenduidig beeld van is te geven en pleiten voor een dialoog met collega’s over het thema. Andriessen (Profielen, 2016) benadrukt het andere, eigen karakter van praktijkgericht onderzoek in vergelijking met academisch onderzoek. Hbo-studenten moeten volgens hem vooral leren onderzoek doen omdat zij daar een betere professional van worden.

Hoog tijd om de curricula van de lerarenopleidingen kritisch onder de loep te houden en kritisch te kijken naar ons eigen handelen. Hoe motiveren we onze studenten voor onderzoek doen? Welke ruimte kunnen we studenten bieden in flexibele, gepersonaliseerde leertrajecten om het doel te realiseren: onderzoekend vermogen of een onderzoekende houding benutten voor het verbeteren van je onderwijspraktijk?

Context

De context van de workshop zijn de bachelor- en master lerarenopleidingen, met name de leeromgeving onderzoek binnen de opleidingen.

Doel

Op een praktische en creatieve manier aan de slag gaan met het (her)ontwerpen van de leeromgeving onderzoek in lerarenopleidingen. Het (her)ontwerp vormt basis voor de dialoog. De ontwerpen bieden inspiratie voor de eigen onderzoeksleeromgeving.

Activering deelnemers en organisatie workshop

We hanteren de methodiek ‘design thinking’. Deelnemers worden in teams in een ‘pressure cooker’ uitgedaagd een aspect van een ideale leeromgeving onderzoek te ontwerpen en hun idee aan de man/vrouw te brengen.

Discussiepunten

De ontwerpen vormen aanleiding voor een afsluitende dialoog: wat inspireert, wat is mogelijk, wat zijn belangrijke kerngedachten die aan het licht zijn gekomen? Wat hebben we nodig voor een ideale leeromgeving onderzoek?

Leraren van de toekomst: flexibele professionals
curriculumontwerp, onderzoek

De mbo-docent als wendbaar vakman

Workshop67Marcel van der Horst, Opleidingsschool FC-NHL, LEEUWARDEN

Viskerfoyerma 13:45 - 15:15

Abstract

Tijdens deze workshop laten we u kennis maken met enkele ontwikkelingen in het mbo-werkveld. Deze ontwikkelingen doen een ander beroep op u als opleider in en voor het werkveld.

Kenmerkend voor deze ontwikkelingen is dat werknemers zelf moeten leren inspelen op de veranderingen in hun werk en in hun bedrijf. Ze gaan niet meer naar een cursus of een training omdat de baas hen stuurt maar omdat ze er zelf om vragen. De verantwoordelijkheid voor hun ontwikkeling ligt bij henzelf. Het maakt hen ook wendbaar omdat ze zelf inspelen op die veranderingen, omdat ze zelf regie pakken. Wat ze willen leren, is direct van invloed op hun werk. De docent van de toekomst zal zich op dezelfde wijze moeten voorbereiden op deze veranderingen. Eerder op de stoel van HRM zitten dan op de stoel van de vakdocent. Meer verstand hebben van leren en ontwikkelen, meer in staat zijn een netwerk op te bouwen in bedrijven en tegelijk een gedegen basis willen hebben in het vak.

Korte beschrijving

De MBO-docent van de toekomst zal zich moeten voorbereiden op deze veranderingen in opleiden. Eerder op de stoel van HRM zitten dan op de stoel van de vakdocent. Meer in staat zijn een netwerk op te bouwen in bedrijven en tegelijk een gedegen basis willen hebben in het vak.

Tekst

Praktijk

Opleiders en bedrijven staan voor een uitdaging. De arbeidsmarkt is dynamisch geworden door krimp en groei in verschillende sectoren. Bovendien werken medewerkers van bedrijven steeds meer in wisselende rollen. Dit vraagt om wendbaar vakmanschap, waarin medewerkers zelf zorgen dat zij bijblijven in ontwikkelingen in hun vakgebied.

Onderwerp

Ook de docent zal mee moeten met de ontwikkelingen die zich voordoen in het werkveld waarvoor hij jongeren in het MBO opleidt en medewerkers van bedrijven schoolt. Hoe wordt hij de wendbare vakdocent die opleidt in, met en voor het werkveld.

Context

Deze ontwikkelingen zijn direct van invloed op de wijze van opleiden, zowel in het dagonderwijs als in bedrijfsopleidingen. Jongeren moeten al vroeg leren dat ze een leven lang van ontwikkelen tegemoet gaan. Het diploma is geen eindpunt maar slechts het begin. Dat betekent dat zij al vroeg moeten leren regie te nemen op hun eigen ontwikkeling, dat ze een vraag durven stellen, dat ze op zoek leren gaan naar de oplossingen die hun helpen bij hu vraagstukken. En dat ze een gedegen basis opbouwen in het vak dat ze willen uitoefenen, in de wetenschap dat dat vak een paar jaar later er anders uit kan zien (of verdwenen is) en in de wetenschap dat ze een heel andere rol kunnen vervullen in het bedrijf.

Opleiden van mbo'ers krijgt dan ook een ander gezicht. Niet het overdragen van kennis staat centraal voor de docent, maar het toegankelijk maken van kennis en ervaring binnen en buiten het bedrijf, evenals het ontwikkelen van een wendbare mindset. Deze maakt dat de opleider voor de mbo'er facilitair is en op elk moment gevonden kan worden op initiatief van de medewerker, zowel tijdens als na de opleiding.

De docent van de toekomst zal zich op dezelfde wijze moeten voorbereiden op deze veranderingen. Eerder op de stoel van HRM zitten dan op de stoel van de vakdocent. Meer verstand hebben van leren en ontwikkelen, meer in staat zijn een netwerk op te bouwen in bedrijven en tegelijk een gedegen basis willen hebben in het vak. Bovenal te werken vanuit het echte vak in plaats van vanuit de vakkennis. Binnen de opleidingsschool FC-NHL houden we ons bezig met deze vragen en vinden we langzamerhand een paar antwoorden.

Doel

Verkennen wat nodig is in het opleiden van docenten voor deze toekomstige praktijk van opleiden en voorbereiden voor de beroepspraktijk van de mbo-er.

Activering

In deze workshop schetsen we deze ontwikkelingen. We presenteren ons model voor Wendbaar Vakmanschap en hoe we dit vormgeven met de opleidingen binnen MBO Life Sciences, een van de scholen van het Friesland College. Aan de hand van een voorbeeld uit de praktijk verkennen we de vraagstukken voor de docent en de leraaropleider.

Discussiepunt

Wat is er voor nodig om leraren in opleiding goed voor te bereiden op het kunnen opleiden voor de beroepspraktijk van de mbo-er.

Leraren van de toekomst: flexibele professionals
Opleiden met en in bedrijven, Regie op eigen ontwikkeling, Verstand van leren en ontwikkelen

15:45 - 17:15 Parallelsessie 2

Op het snijvlak van kunst en W&T: bèta-, kunst- en pabostudenten werken samen in een designathon

Uitnodigende praktijkvoorbeelden45Anna Hotze, Hogeschool iPabo, AMSTERDAM

Artiestencaféma 15:45 - 17:15

Abstract

Tijdens de prikkelende tentoonstelling Robot Love (2018) organiseerde het lectorenplatform 'Onderwijs op het snijvlak van kunst, wetenschap en technologie' een designathon. Drie soorten expertises ontmoetten elkaar: studenten met een achtergrond in een bèta-discipline, kunstdocentstudenten en studenten van de PABO. In de designathon werkten studenten in gemixte ontwerpgroepen aan het oplossen van een challenge: “Hoe kunnen we tederheid tussen mensen vergroten of delen met behulp van technologie?”

Na een introductie en een rondleiding door de tentoonstelling ontwikkelden de studenten in twee werksessies een ontwerp. In een testronde lieten studenten hun ontwerp zien aan mede-studenten en begeleiders, voor vragen en kritische feedback. De dag werd afgesloten met een presentatie van alle ontwerpen. De ontwerpen en prototypes bleken zeer gevarieerd: van een teder bushokje waarin je via een lopende band naar elkaar toeschuift tot een interactieve zitzak die op aanrakingen van scholieren reageert.

In deze presentatie wordt ingegaan op de didactiek van een designathon en worden de achtergronden van het project toegelicht. Ook zal, aan de hand van het werk van studenten, en data uit observaties en learner reports, een beeld geschetst worden van leeropbrengsten van deze interdisciplinaire designathon. Korte beschrijving Dit project biedt inzicht in een gebied waarin empirisch onderzoek nog relatief schaars is: geïntegreerd interdisciplinair onderwijs voor toekomstige docenten uit verschillende vakgebieden. Tijdens een designathon maken aankomende docenten een interdisciplinair ontwerpproces mee, en deze didactische aanpak geeft hen concrete handvatten om ontwerpende leerprocessen te implementeren in het eigen onderwijs.

Tekst

Onderwerp

In de designathon maakten studenten van verschillende disciplines (studenten PABO, studenten kunsteducatie en bètastudenten gezamenlijk een ontwerp waarbij ze leren om vanuit verschillende disciplines de uitdaging te onderzoeken en gezamenlijk tot een ontwerp te komen.

Context

Een veranderende, globaliserende maatschappij vraagt om meervoudige perspectieven op complexe vraagstukken, waarbij grenzen tussen expertises vervagen (Adcock, Bradley, Morell, & Lovell, 2016). Vakoverstijgend onderwijs is dan ook een belangrijk thema in beleidstukken over toekomstgericht onderwijs (Ons Onderwijs 2032. Eindadvies, 2016). Voor aankomende docenten is het essentieel om onderwijs te kunnen verzorgen op het grensvlak van vakgebieden. Het lectorenplatform Onderwijs op het snijvlak van kunst, wetenschap en technologie richt zicht specifiek op vakoverstijgend onderwijs op het hybride snijvlak van kunst en bèta.

In deze bijdrage beschrijven we het inzetten van een designathon, een interdisciplinaire ‘pressure cooker’ om met gemengde groepen studenten te werken aan een interdisplinair ontwerp. De designathon methode combineert elementen van Maker Education met de structuur en empathische benadering van Design Thinking om kinderen in staat te stelling oplossingen te bedenken voor mondiale problemen (Beamer Cronin & Hyman).

Als inspirerende omgeving werd gekozen voor de tentoonstelling Robot Love in Eindhoven.

Doel

Het doel van dit project is om kenmerken van deze designathon te beschrijven, zicht te krijgen op de interdisciplinaire samenwerking van studenten en een eerste analyse te maken van hun gepercipieerde leeropbrengsten.

Centrale uitdaging en verloop van de practice

De studenten die meededen aan de designathon hebben een achtergrond in verschillende disciplines, waardoor dit proces voor elke groep studenten andere uitdagingen opriep. Tijdens de designathon werkten studenten in gemixte designgroepen aan het oplossen van een challenge, gebaseerd op het werk E.E.G. Kiss van kunstenaarsduo Lancel en Maat. Na een introductie en een rondleiding door de tentoonstelling ontwikkelden de studenten in twee werksessies een ontwerp.

Om zicht te krijgen op het interdisciplinaire samenwerkingsproces en de leeropbrengsten zijn observaties uitgevoerd en hebben studenten een learner report ingevuld. Uit deze data komt naar voren dat vrijwel alle studenten de interdisciplinaire samenwerking als zeer waardevol ervoeren. De uiteindelijke ontwerpen kennen een grote variatie wat betreft praktische toepasbaarheid, materiaalgebruik en visualisatie van het onderliggende concept, maar alle studenten toonden grote gedrevenheid, zowel tijdens het ontwerpproces als bij de presentatie van hun ontwerp. Daarnaast leken er specifieke uitdagingen te zijn per doelgroep. Zo vonden met name de PABO-studenten de tentoonstelling ontoegankelijk en daardoor minder effectief als inspiratiebron. Ook was het niet voor alle studenten meteen duidelijk dat ze ook daadwerkelijk zelf een prototype gingen maken, en bleven sommige kunststudenten hangen in de fase van discussie en conceptvorming.

Belangrijkste opbrengst

Belangrijkste doel van de designathon was om studenten interdisciplinair te laten samenwerken aan een ontwerp. De learner reports bevestigen deze leeropbrengst, als geïllustreerd in deze uitspraak: “samenwerken met nieuwe onbekende mensen kan ertoe leiden dat je buiten jouw eigen box gaat denken”.

Activering deelnemers

Deelnemers krijgen in woord, tekst en beeld zicht op het werken in een designathon en participeren in een discussie over pluspunten en valkuilen.

Discussiepunt Leidt een designathon als educatief format tot maximale interdisplinaire samenwerking?

Leraren van de toekomst: flexibele professionals
designathon, interdisciplinair onderwijs, kunst, wetenschap en technologie

De alternerende rol van de wetenschapsleerkracht: coach en expert

Onderzoekspresentatie: individueel76Christel Balck, Odisee, SINT -NIKLAAS

Artiestencaféma 15:45 - 17:15

Abstract

Om te kunnen vertrekken van het intuïtief denken van de leerlingen moeten leerlingen zeggen wat ze denken. Leerlingen vinden dat moeilijk. Ze vinden er de woorden niet voor en ze zijn onzeker, zowel over de mening van andere medeleerlingen en de leerkracht, als over hun eigen ideeën. Hierin speelt de begeleiding door de leerkracht een cruciale rol.

Door enerzijds gebruik te maken van een Socratische dialoog kan de leerkracht als coach de focus van de les laten verschuiven naar het intuïtief denken van de leerlingen. De leerkracht drukt uit dat hij of zij wil weten wat de leerlingen denken. Dat denken wordt erkend en naar waarde geschat. Wat leerlingen zeggen is niet fout of juist. Niet enkel wat de leerkracht zegt blijkt daarbij van belang, maar ook de lichaamstaal die hij/ zij gebruikt.

Anderzijds introduceert de leerkracht als expert het wetenschappelijk perspectief als een valabel alternatief. Hij of zij spiegelt als het ware het intuïtief denken aan het wetenschappelijk denken. Daarbij wordt een autoritaire dialoog ingezet, door de leerkracht als expert. Als een tolk van de wetenschapper legt de leerkracht daarbij de nadruk op de verschillen tussen het idee van de leerlingen en het idee van de wetenschapper.

Korte beschrijving

Onderzoek onderbouwt de visie dat intuïtieve voorkennis van leerlingen een essentiële stapsteen is naar het leren van wetenschappelijke concepten. Dit vraagt een herdenking van de rol van de leerkracht. Immers, hoe kan je als coach ‘foute’ preconceptuele kennis wakker maken en als kennisexpert ‘juiste’ wetenschappelijk kennis aanleren?

Tekst

Wetenschapslessen zitten boordevol woorden met een specifieke betekenis. De intuïtieve invulling ervan is echter vaak niet dezelfde als de wetenschappelijke invulling. Traditioneel bouwt de wetenschapsleerkracht de les vanuit deze wetenschappelijke en vaak contra-intuïtieve invulling op, wat voor leerlingen leidt tot een intern conceptueel conflict. Dit verhindert het verwerven van het nieuw concept. Leerlingen begrijpen het wetenschappelijk concept anders, waar de term ‘misconcept’ vaak gebruikt wordt en verliezen motivatie.

Initieel onderzoek identificeerde de voorwaarden voor een concept shift van intuïtief naar wetenschappelijk. Leerlingen moeten begrijpen dat de preconceptuele invulling fout is én er moet een nieuw, plausibel en werkend alternatief voor het concept voorhanden zijn. De leerkracht toont dat de intuïtieve ideeën fout zijn om vervolgens als expert het correcte wetenschappelijke idee aan te reiken. Het blijkt echter dat deze voorwaarden niet toereikend zijn om een concept shift uit te lokken.

Een concept shift zou eerder een gradueel proces zijn en niet alleen bepaald worden door cognitieve en rationele maar ook door affectieve en motivationele elementen en sociale en contextfactoren. Kennisverwering haalt structuur uit de natuurlijke en de sociale omgeving en verloopt efficiënter naarmate er meer kennis getransfereerd wordt van en naar de omgeving. ‘Conceptual profiles’ brengen de heterogeniteit in het denken en de taal die leerlingen hanteren over concepten in kaart. Belangrijk is dat binnen de Conceptual Profiles theorie het wetenschappelijk denken niet als superieur gezien wordt. Volgens deze benadering is ‘wetenschap leren’ een samenspel van twee processen. Enerzijds wordt het intuïtief concept profiel verrijkt door in contact te komen met het wetenschappelijke kennisdomein. Anderzijds, door sociale interacties toe te laten en te stimuleren, worden leerlingen zich metacognitief bewust van de verschillende mogelijke interpretaties van een concept en de contexten waarin verschillende interpretaties goed werken.

In deze benadering faciliteert de leerkracht sociale interacties in de klas door discussie, dialoog en argumentatie aan te moedigen. Zo komen leerlingen tot dieper leren en betere prestaties. De dialoog die de leerkracht hanteert, alterneert tussen een coachende dialoog en een autoritaire dialoog. De coachende dialoog is Socratisch en ondersteunt leerlingen in het wakker maken en expliciteren van preconceptuele kennis. Vervolgens zet de leerkracht als tolk van het wetenschappelijk idee een autoritaire dialoog in.

Deze aanpak werd getest in een quasi-experimenteel ontwikkelingsonderzoek in de eerste graad secundair onderwijs in samenwerking met 148 leerlingen, 4 leerkrachten en drie Vlaamse secundaire scholen voor het concept “energie”.

Onderzoeksresultaten tonen een positief, significant en middelmatig tot groot leereffect voor de wetenschappelijke kennis die gespiegeld werd aan intuïtieve kennis gebruik makend van een alternerende dialoog. Er is geen leereffect op concepten die niet gespiegeld werden. In het kader van het onderzoek werd leermateriaal ontwikkeld dat gedeeld wordt via de website: http://www.ideeenfabriekwetenschappen.be . Tijdens de presentatie wordt de aanpak verduidelijkt aan de hand van concreet lesmateriaal en hopen we op kritische feedback van de aanwezigen.

Leraren van de toekomst: flexibele professionals
conceptvorming, dialogisch, natuurwetenschappen

Taalgericht W&T-onderwijs op de pabo: de impact van een interdisciplinaire professionalisering

Onderzoekspresentatie: individueel85Martine Gijsel, Saxion, ENSCHEDE

Artiestencaféma 15:45 - 17:15

Abstract

Internationaal onderzoek op lerarenopleidingen toont positieve effecten van de integratie van Wetenschap en Technologie (W&T)-onderwijs met taal. Om pabodocenten taal en natuur en techniek te ondersteunen bij deze integratie is een interdisciplinair en blended professionaliseringstraject ontwikkeld. In dit onderzoeksproject is de impact onderzocht van de professionalisering op pabo-opleiders en hun onderwijspraktijk. De professionalisering besloeg één studiejaar en bestond uit acht online modules, een webinar en twee contactbijeenkomsten. Vooraf en na afloop vulden deelnemers een vragenlijst in over hun eigen kennis ten aanzien van taalgericht W&T-onderwijs en de toepassing ervan door henzelf en door de studenten in hun stagepraktijk. In totaal hebben zes docenten Natuur en Techniek en 10 docenten taal deelgenomen. Daarnaast zijn drie casestudies geselecteerd van drie hogescholen die zijn onderworpen aan een telefonisch duo-interview.Uit analyse van de vragenlijsten blijkt na deelname een significante toename op de kennis van de lerarenopleiders over taalgericht W&T-onderwijs en de toepassing ervan in hun eigen lespraktijk. Echter, na afloop zijn studenten niet meer taalgericht W&T-onderwijs in hun eigen stagepraktijk gaan geven dan ervoor. Een eerste analyse van de interviews bevestigt deze uitkomsten.

Korte beschrijving

Er is een trend waarneembaar van onderwijs in geïsoleerde vakken naar geïntegreerd onderwijs. In dit project wordt hiertoe een aanzet gedaan, door de vakgebieden taal en W&T te integreren. De professionalisering in dit project heeft bovendien een blended opzet, wat past in het beeld van toekomstgericht flexibel opleiden.

Tekst

- Praktijk van waaruit geschreven;

Dit onderzoeksproject wordt uitgevoerd in samenwerking met TechYourFuture en heeft als doel Taalgericht Wetenschap en Technologie (W&T-) onderwijs te implementeren op de pabo’s. Het project bouwt voort op een onderzoek dat gericht was op professionalisering van basisschoolleerkrachten. Dit vervolgproject beoogt opschaling van het gedachtengoed en ontwikkelde producten. Daarnaast brengen de opleiders als partner ook nieuwe ontwikkelingen in.

- Inleiding; Resultaten uit wetenschappelijk onderzoek geven aanwijzingen om de vakgebieden natuur en techniek en taal met elkaar te verbinden. In deze presentatie staat de professionalisering van pabodocenten ten aanzien van deze verbinding centraal.Om pabodocenten taal en natuur en techniek of W&T te ondersteunen hierin is een interdisciplinair en blended professionaliseringstraject ontwikkeld. In deze bijdrage gaan we in op de impact van de professionalisering.

- Theoretisch kader;

Internationaal onderzoek op lerarenopleidingen toont positieve effecten van de integratie van W&T met taal (bijv. Ford, 2004). Om pabodocenten geïntegreerd W&T-onderwijs eigen te laten maken zijn verschillende vormen van professionalisering denkbaar (zie bijv. Dengerink, 2016). Hoewel er voldoende bekend is over kenmerken van effectieve professionalisering (bijv. Van Veen, Meirink, Zwart & Verloop, 2010) is er nog onvoldoende bekend over de impact van specifieke professionaliseringsvormen op lerarenopleiders en hun onderwijs. Dit onderzoek komt hieraan tegemoet.

- Onderzoeksvraag; Welke impact heeft een interdisciplinaire professionalisering op pabo-opleiders en hun onderwijspraktijk?

- Methode: De professionalisering besloeg één studiejaar en bestond uit acht online modules, een webinar en twee contactbijeenkomsten. Vooraf en na afloop vulden deelnemers een vragenlijst in. De vragenlijst bracht de gepercipieerde kennis van pabodocenten over taalgericht W&T-onderwijs in kaart, de toepassing van taalontwikkelend lesgeven, het aanleren van de didactiek van taalgericht W&T-onderwijs aan studenten en de toepassing van taalgericht W&T-onderwijs door studenten in hun stagepraktijk. In totaal hebben zes docenten Natuur en Techniek en 10 docenten taal beide vragenlijsten ingevuld. Daarnaast zijn drie casestudies geselecteerd van drie hogescholen die zijn onderworpen aan een telefonisch duo-interview. De interviews zijn getranscribeerd en vervolgens geanalyseerd op basis van het raamwerk van Clarke en Hollingsworth (2002).

- Resultaten;

De doelstelling van opschaling van het gedachtengoed is bereikt; ruim dertig lerarenopleiders van verschillende pabo’s hebben zich ingeschreven voor de professionalisering. Een nevenopbrengst is het professioneel multidisciplinair netwerk dat is ontstaan. Uit analyse van de vragenlijsten blijkt na deelname een significante toename op (a) Eigen kennis over taalgericht W&T-onderwijs, (b) het als opleider toepassen van taalgericht onderwijs en (c) studenten aanleren om taalgericht onderwijs toe te passen. Voor het onderdeel ‘studenten geven taalgericht W&T-onderwijs in hun eigen stagepraktijk’ werd geen verschil gevonden tussen de voor- en de nameting. Een eerste analyse van de interviews bevestigt deze uitkomsten. Veel citaten zijn onder te brengen in het persoonlijke domein, handelingsdomein of externe domein. Relatief weinig citaten hebben betrekking op de doorwerking van de professionalisering op studentniveau en op curriculumniveau.

- Discussiepunt (vraag die aan het einde van de sessie wordt voorgelegd aan een andere praktijk).

Wat is er nodig om ook doorwerking in het curriculum van de pabo te bewerkstelligen?

Leraren van de toekomst: flexibele professionals
W&T-onderwijs

Breng opbrengsten van professionalisering in kaart

WorkshopVelon Themagroep Professionalisering van lerarenopleiders 6Quinta Kools, Fontys Hogescholen, TILBURG

Brasseriema 15:45 - 17:15

Abstract

Leraren professionaliseren zich op veel verschillende manieren. Niet alleen door het volgen van een cursus of workshop, maar ook door activiteiten zoals congresbezoek, collegiale uitwisseling, experimenteren in de les, ontwikkelen van lesmateriaal, wederzijds lesbezoek etcetera. Voor de leraar, de lerarenopleider en de leidinggevende is het soms lastig om vast te stellen wat die verschillende professionaliseringsvormen nu eigenlijk opleveren. In deze workshop presenteren we een manier om opbrengsten van professionalisering in kaart te brengen.

Vanuit onze lectoraten hebben we een methodiek ontwikkeld gebaseerd op het theoretische model van Clarke en Hollingsworth (2002). Deze methodiek hebben we zelf meermaals in de praktijk toegepast. In de workshop presenteren we onze methodiek met de voorbeelden uit onze praktijk. Daarna gaan deelnemers aan de slag met de methodiek om de werkbaarheid en bruikbaarheid zelf uit te proberen.

Korte beschrijving

Onderwijs ontwikkelen voor de toekomst vraagt om continue professionele ontwikkeling van leraren en lerarenopleiders. Deze workshop draagt bij aan het zicht krijgen op leeropbrengsten door deelname aan professionaliseringsactiviteiten.

Tekst

- Praktijk

Twee lectoraten hebben een methodiek ontwikkeld gebaseerd op het theoretische model van Clarke en Hollingsworth (2002). Deze methodiek hebben we zelf meermaals in de praktijk toegepast en onderzocht (Van Wessum, Vrakking, Van der Waarde, & Kootstra, 2017; Van Wessum & Kools, in voorbereiding). Deelnemers aan diverse professionaliseringsprojecten zijn enthousiast over deze methodiek.

- Onderwerp

Opbrengsten van professionaliseringsactiviteiten

- Context

Waar vroeger professionalisering van docenten voornamelijk gezien werd als een uitvoeringsprobleem (RDD-model, zie Vermeulen, 2016): er is kennis (research), deze moet verspreid worden door bijvoorbeeld een instellingsgebonden scholingsinstituut (de academie; diffuse), waarna docenten werd geacht deze kennis in de opleiding toe te passen) weten we tegenwoordig dat de vertaling van nieuwe inzichten zich niet op deze lineaire wijze laten vertalen in de opleidings- of professionaliseringspraktijk. Guskey (2002) wees op het belang van de eigen ervaringen in dit proces. Docenten zijn wel bereid om met nieuwe inzichten te experimenteren, maar als dergelijke probeersels in hun eigen praktijk geen positieve effecten laten zien, wordt de kennis en de daarbij horende handelingen, als ‘niet-bruikbaar’ of ‘te theoretisch’ geclassificeerd. Clarke en Hollingsworth (2002) beschrijven op basis van hun onderzoekingen dat dit lineaire karakter in de praktijk vaak niet herkenbaar is. Het proces is sterk reflectief en iteratief waarbij ‘aanbod’, eigen kennis en wat men merkt in de eigen opleidingspraktijk elkaar beïnvloeden. Clark en Hollingsworth (2002) hebben het model van professionele groei primair ontworpen als onderzoeksinstrument. Hun model is vervolgens in veel onderzoek gebruikt en heeft zijn waarde zeker bewezen. We hebben het model bewerkt om ermee te kunnen werken in professionaliseringstrajecten. We hebben van het model een vereenvoudigde vorm gemaakt die gebruikt kan worden voorafgaand, tijdens en na afloop van een professionaliseringstraject.

- Doel

Deelnemers ervaren de bruikbaarheid van werken met het model van professionele groei om leeropbrengsten van professionaliseringsactiviteiten te formuleren.

- Praktische en/of beleidsmatige relevantie

Het model van professionele groei kan functioneren als ontwerp- en reflectie instrument voor iedereen die deelneemt aan professionaliseringsactiviteiten. Werken met het model biedt inzicht in de leeropbrengsten van deelnemers aan professionaliseringsactiviteiten. Het geeft informatie over de mate waarin professionalisering bijdraagt aan de implementatie van het strategisch beleid en welke nieuwe inzichten het strategisch beleid kunnen voeden

- Activering deelnemers

Na een korte toelichting op werken met het model gaan deelnemers in kleinere groepjes zelf aan het werk. Plenair bespreken we de belangrijkste ervaringen uit deze groepjes en relateren dit aan het model (droste-effect).

- Discussiepunt

We gaan met de deelnemers na welke opbrengsten zij ervaren door te werken met het model

Kwaliteit voor en ín de klas
Opbrengsten professionalisering

Hoe Aspirant Opleidingsscholen werken aan professionalisering. Laat je inspireren!

Praktijkvoorbeelden: symposium81Miranda Timmermans, Velon / Avans Hogeschool, BREDA; Meike de Bruijn, Thomas More Hogeschool, ROTTERDAM; Sanne van der Linden, Hogeschool Leiden, LEIDEN; Denise van Schelven, Hogeschool Rotterdam, ROTTERDAM; Jo van den Hauwe, Artesis Plantijn Hogeschool Antwerpen, ANTWERPEN; Helma Oolbekkink Marchand, Hogeschool van Arnhem en Nijmegen / Radboud Docenten Academie, NIJMEGEN

Cinema 1ma 15:45 - 17:15

Abstract

De zes Aspirant Opleidingsscholen po zijn sinds twee jaar verenigd in een netwerk. Binnen dit netwerk delen zij ervaringen, bespreken ze visie en uitwerkingen van samen opleiden, samen professionaliseren en samen onderzoeken, adviseren en ondersteunen ze elkaar. Dit met en van elkaar leren als partnerschappen heeft de ontwikkeling van de Opleidingsschool een stevige kwaliteitsimpuls gegeven en geleid tot een aantal unieke praktijken.

Tijdens dit symposium delen drie Aspirant Opleidingsscholen een inspirerend praktijkvoorbeeld rondom samen professionaliseren. Thomas More Opleidingsschool presenteert hun leerlandschap, Opleidingsschool Samen Opleiden Leiden de Oplis-trajectmiddag en Opleidingsschool Boss hoe ze middels de professionele dialoog samen professionaliseren. Ze delen successen en uitdagingen.

Na een korte pitch van de drie praktijkvoorbeelden, is er ruimte voor verdiepende gesprekken, die uitmonden in een plenaire discussie met feedback van twee deskundigen.

Korte beschrijving

Samen in de school opleiden is de manier van opleiden van toekomstige leraren. Dit vraagt om samen professionaliseren, om te blijven anticiperen op ontwikkelingen en voortdurend met elkaar de kwaliteit van de leraar te blijven borgen en verhogen. In de drie voorbeelden is dat ‘samen’ vernieuwend uitgewerkt.

Tekst

Doelstelling

In dit symposium presenteren drie aspirant opleidingsscholen een eigen praktijkvoorbeeld ten aanzien van samen professionaliseren. Een eerst doel is om anderen te inspireren hoe samen professionaliseren ook echt samen kan. Daarnaast stelt samen professionaliseren ze ook voor nieuwe uitdagingen en vragen. Een tweede doel is om deze uitdagingen en vragen te bespreken.

Relevantie

Opleiden voor de toekomst vraagt om een doorontwikkeling van samen opleiden en samen professionaliseren, waarbij met name het samen een uitdaging is. Wanneer het echt samen kan, dragen we bij aan een duurzame kwaliteitsontwikkeling van opleiders en van leraren.

Organisatie van het symposium

Het symposium bestaat uit drie praktijkvoorbeelden, die alle drie gaan om SAMEN professionaliseren. Het symposium start met een korte pitch waarin de opleidingsscholen hun voorbeeld van samen professionaliseren presenteren. Daarna kiezen de deelnemers voor een van de praktijkvoorbeelden en gaan ze in drie tafelgroepen meer de diepte in: wat maakt het nu echt samen? Wat werkt bevorderend en waar zit nog groei? Elk van de tafelgroepen rapporteert plenair terug over interessante elementen, vragen of inzichten. Twee deskundigen uit het veld geven feedback op elk van de drie praktijkvoorbeelden, die uitmondt in een levendige discussie.

Hoe deelnemers actief betrokken worden bij het symposium

De deelnemers worden actief betrokken door het werken in tafelgroepen en het beantwoorden van de vraag: wat maakt het nu echt samen?

Andere praktijk waar discussiant vandaan komt

Twee deskundigen spelen een rol in het symposium. De eerste deskundige is Jo van den Hauwe, Opleidingshoofd Kleuter- en Lager Onderwijs van Artesis Plantijn Hogeschool Antwerpen en werkzaam in een Vlaamse context van samen opleiden.

De tweede deskundige is Helma Oolbekkink, lector bij HAN Kenniscentrum Kwaliteit van leren op het thema Meervoudige professionaliteit van leraren, en Universitair docent bij de RDA.

Voorzitter symposium:

Miranda Timmermans mailto:mcl.timmermans@avans.nlReferenten:

Jo van den Hauwe mailto:jo.vandenhauwe@ap.be

Helma Oolbekkink mailto:Helma.OolbekkinkMarchand@han.nl

Presentatie 1

Onderwerp Een leerlandschap om samen te leren en ontwikkelen

Meike de Bruijn mailto:m.debruijn@thomasmorehs.nl, met medewerking van: Guusje Riemens en Josanne de Koster.

Context

Binnen Thomas More Opleidingsschool (TMO) is de professionalisering van alle betrokkenen van de opleidingsschool (leraren, schoolleiders en opleidingsdocenten) een doorgaand en gezamenlijk proces in het kader van samen opleiden, onderzoeken & ontwerpen. Het professionaliseren van voldoende deskundig personeel om studenten te begeleiden en beoordelen ligt aan de basis van een kwalitatief hoogstaande opleidingsschool.

Belangrijke elementen van TMO professionalisering zijn:

1.We leren door samen te onderzoeken, ontwerpen, uit te voeren en ontwikkelen.„.Persoonlijke en professionele ontwikkeling gaan hand in hand.….Het opleiden in de school vormt een belangrijke schakel voor praktijkgericht onderzoek, innovatie en ontwikkeling van scholen en opleiding.

Om een en ander te realiseren richt TMO een leerlandschap TMO in voor mentoren, schoolopleiders en pabo/opleiders. Binnen dit leerlandschap leren en ontwikkelen we op de opleidingsschool en doen we recht doen aan allerlei vormen van leren. Ook verbinden we hieraan de gezamenlijke registratie schoolopleiders en pabo-opleiders in Beroepsregister Lerarenopleiders

Doel

In deze praktijksessie laten we zien hoe ons Leerlandschap voor studenten, mentoren, schoolopleiders en pabo-opleiders is ingericht en de rol van het kwaliteitskader en de directeuren daarbij.

Centrale uitdaging/probleem en verloop van de praktijk

We brengen de ontwikkelingsbehoefte per school in beeld door de gesprekken die gevoerd worden over het kwaliteitskader tussen directeuren en pabo-opleider en schoolopleider. In het kwaliteitskader TMO zijn er drie indicatoren opgenomen voor Samen Professionaliseren: Lerende organisatie, Professionalisering, Bundelen van Expertise. In dit proces staat nu de directeur meer centraal en willen we directeuren meenemen in het professionaliseringstraject en bewerkstelligen dat zij een actievere houding en rol aannemen in de TMO in het creëren van draagvlak bij hun personeel, zodat het beeld kantelt naar de doorgaande lijn van opleiden van student, startbekwame leerkrachten naar basisbekwaam en vakbekwaam.

Belangrijkste opbrengst

Er is een gezamenlijk gedragen kwaliteitskader ontwikkeld waarin Samen Professionaliseren ook is opgenomen. De vraag naar professionalisering in het kader van Samen Opleiden neemt toe, waarin ook meer bundelen van expertise zichtbaar wordt.

Activering deelnemers tijdens presentatie

Na een korte pitch van dit en de andere twee praktijkvoorbeelden, is er ruimte voor verdiepende gesprekken. De deelnemers worden actief betrokken door het werken in tafelgroepen (als onderdeel van het symposium) en het beantwoorden van de vraag: wat maakt het nu echt samen?

Tijdens de plenaire afronding worden de antwoorden gedeeld, volgt er feedback van twee deskundigen en is er ruimte voor discussie.

Discussiepunt

Wat is de invloed van het kwaliteitskader op de ontwikkeling van het leerlandschap? Wat vraagt het van de directeuren? Wat maakt het nu echt samen? Wat werkt bevorderend en waar zit nog groei?

Presentatie 2

Onderwerp De mentorenwerkplaats

Presentator

Sanne van der Linden mailto:linden.vd.s@hsleiden.nl

Context

Binnen aspirant-Opleidingsschool Samen Opleiden hebben we de afgelopen vier jaar alle mentoren samen als opleiding en werkveld getraind. Het bestaande format van een opgelegde mentorentraining schuurde met de ontwerpcriteria van Samen Opleiden:

Samen onderzoeken

Samen organiseren

Samen leren.

Werkplekleren

Brede oriëntatie team-school

We hebben een cultuur van samen leren gerealiseerd. We delen met elkaar praktijkkennis en theoretische inzichten. Verder zijn we op zoek gegaan naar een sterkere verbinding met alle mentoren binnen het werkveld, niet alleen de startende mentoren. Dit doen we in de mentoren- werkplaats. Deze bijeenkomst kent het karakter van samen onderzoeken, organiseren en samen leren binnen de rijke leeromgeving van de Opleidingsschool. De Mentorenwerkplaats vindt plaats op een locatie van het schoolbestuur. Geen training meer op de Pabo, maar een bijeenkomst waarbij de tandem van school- en lerarenopleider binnen het eigen schoolbestuur kunnen inspelen op de leerbehoefte van de mentoren zelf. Net zoals we binnen Samen Opleiden meer en meer uitgaan van de leerbehoeftes van de student, doen we dit ook bij de mentor. We stemmen het programma van de bijeenkomsten daarop af: maatwerk per schoolbestuur en betrekken de benodigde expertise van experts binnen het schoolbestuur en/of de opleiding.

Doel

In deze praktijksessie laten we zien hoe onze Mentorenwerkplaats voor mentoren is ingericht. Hoe de mentiorenwerkplaats aansluit bij onze vijf ontwerpcriteria.

Centrale uitdaging/probleem en verloop van de praktijk

De organisatie ligt in handen van de tandems: de schoolopleider werkt samen met de lerarenopleider. Focus binnen de werkplaats ligt op het gesprek met elkaar, kennis van het curriculum, coachvaardigheden en het benutten van de rijke leeromgeving binnen de opleidingsschool. Op de Pabo bereiden we samen, binnen het Oplis ontwerpteam (schoolopleiders en lerarenopleiders), de werkplaatsen voor, zodat er ideeën uitgewisseld kunnen worden en we van elkaar kunnen leren.

Onze uitdaging is hoe de mentoren zelf steeds meer verantwoordelijkheid gaan nemen voor hun professionele ontwikkeling als mentor door goede vragen te stellen en inhoudelijk bij te dragen aan de mentorenwerkplaats.

Belangrijkste opbrengst

Ondanks goede beoordelingen van onze mentorentraining, merken we dat mentoren nu veel actiever deelnemen aan de mentorenwerkplaats en er meer initiatief wordt getoond in het ontwerp van het programma. Het lukt ons op sommige plekken ook om expertise van de beide partners vanuit de rijke leeromgeving van de Opleidingsschool te verbinden aan de leerbehoefte van de mentoren.

Activering deelnemers tijdens presentatie

Na een korte pitch van dit en de andere twee praktijkvoorbeelden, is er ruimte voor verdiepende gesprekken. De deelnemers worden actief betrokken door het werken in tafelgroepen (als onderdeel van het symposium) en het beantwoorden van de vraag: wat maakt het nu echt samen?

Tijdens de plenaire afronding worden de antwoorden gedeeld, volgt er feedback van twee deskundigen en is er ruimte voor discussie.

Discussiepunt

Wat maakt het nu echt samen? Wat werkt bevorderend en waar zit nog groei?

Individuele bijdrage 3 (symposium):

Onderwerp De professionele dialoog om samen te professionaliseren

Presentator Denise van Schelven mailto:d.e.j.van.schelven@hr.nl

Context

Binnen OS Boss po is in samenwerking tussen de partners een scholing ontwikkeld voor schoolopleiders en instituutsopleiders. De scholing richt zich op de gezamenlijke professionele ontwikkeling van de opleiders op het gebied van samen opleiden. Dit betekent dat school- en instituutsopleiders in duo’s leren over begeleiden, opleiden en beoordelen in de Opleidingsschool, dat zij samen werken aan leerpunten naar aanleiding van een zelfscan, en dat zij op hun basisschool het samen opleiden opzetten, dragen en doorontwikkelen.

Doel

Het praktijkvoorbeeld maakt duidelijk hoe de gezamenlijke professionalisering van school- en instituutsopleiders binnen Opleidingsschool Boss po wordt vorm gegeven. We vertellen over de opzet en uitvoering van de scholing en presenteren enkele good practices van de samenwerking en het voeren van een professionele dialoog tussen school- en instituutsopleiders, onder andere het werken met een gezamenlijke jaaragenda, samen beoordelen en samen bouwen aan werkplekleren. Ook laten we zien op welke manier we werken aan de borging en verbetering van de kwaliteit van de samenwerking tussen de school- en instituutsopleiders (o.a. met logboeken en focusgroepinterviews).

Centrale uitdaging/probleem en verloop van de praktijk

Onder de professionele dialoog verstaan we gesprekken tussen betrokkenen bij samen opleiden die gericht zijn op de inhoudelijke verbetering van het samen opleiden, begeleiden en beoordelen, al dan niet vormgegeven aan de hand van een gesprekskader. Tijdens de opbouw van de Opleidingsschool (in de Aspirant-fase) was de professionele dialoog sterk gebaseerd op het ontwikkelen van een gezamenlijke taal, en op de afstemming tussen school- en instituutsopleider. Onze uitdaging is om de professionele dialoog gaande te houden in de komende jaren.

Belangrijkste opbrengst

De belangrijkste opbrengst tot nu toe is, dat onze school- en instituutsopleiders in duo’s gelijk opgaan in hun ontwikkeling, en samen opleiden op hun school laten ‘leven’.

Activering deelnemers tijdens presentatie

Na een korte pitch van dit en de andere twee praktijkvoorbeelden, is er ruimte voor verdiepende gesprekken. De deelnemers worden actief betrokken door het werken in tafelgroepen (als onderdeel van het symposium) en het beantwoorden van de vraag: wat maakt het nu echt samen?

Tijdens de plenaire afronding worden de antwoorden gedeeld, volgt er feedback van twee deskundigen en is er ruimte voor discussie.

Discussiepunt

Hoe en met welke inhoud kunnen we de professionele dialoog voortzetten?

Leraren van de toekomst: flexibele professionals
(school)opleiders, samen professionaliseren

Passend leren omgaan met uitdagend gedrag: het benutten van good practices

Uitnodigende praktijkvoorbeelden135Linda van den Bergh, Fontys Opleidingscentrum Speciale Onderwijszorg, TILBURG

Cinema 3ma 15:45 - 17:15

Abstract

De overgrote meerderheid van de leraren geeft aan dat het niet gemakkelijk is om in de reguliere klas te werken met leerlingen met uitdagend gedrag. Het voorkomen en verminderen van probleemgedrag hangt in belangrijke mate af van het professionele handelen van de leraar. Ondanks dat er vrij veel beschreven is over effectief omgaan met probleemgedrag in de literatuur, vinden opleiders en (aanstaande) leraren het moeilijk deze kennis in de praktijk te brengen. Binnen de context van Passend Onderwijs is deze competentie steeds belangrijker geworden. Meer inzicht in goede praktijkvoorbeelden is daarom van groot belang, naast inzicht in de overdraagbaarheid van de succesfactoren van deze good practices aan andere (aankomend) leraren in opleiding en voortgezette professionalisering. In dit praktijkvoorbeeld is vanuit de zelfdeterminatietheorie gekeken naar leraren die good practices laten zien in hun pedagogisch handelen. We hebben een digitale leeromgeving ontwikkeld op basis van video observaties, interviews, STARR beschrijvingen en woordwebben van leerlingen. Deze leeromgeving is gebruikt in de pabo en master Educational Needs en in scholen. De (publiek toegankelijke) leeromgeving en de ervaringen in de professionalisering van (aanstaande) leraren worden gepresenteerd.

Korte beschrijving

In deze presentatie wordt een digitale leeromgeving gepresenteerd over pedagogisch handelen gericht op het voorkomen en verminderen van uitdagend gedrag. In deze leeromgeving zijn good practices in beeld gebracht in de vorm van onder andere filmfragmenten, waarmee de zelfdeterminatietheorie concreet wordt geïllustreerd. Ervaringen met professionalisering van (aanstaande) leraren worden gepresenteerd.

Tekst

Het onderwerp van deze presentatie is het gebruik van goede voorbeelden voor opleiding en professionalisering op het gebied van het pedagogische handelen in de context van Passend Onderwijs. In de huidige context van Passend onderwijs heeft iedere leerling recht op een passende plek in het onderwijs en indien mogelijk naar een reguliere school gaat. De overgrote meerderheid van de leraren geeft echter aan dat het niet gemakkelijk is om met leerlingen met uitdagend gedrag in de reguliere klas te werken (Van Grinsven & Van der Woud, 2016; Hofstetter & Bijstra, 2014). Ook internationaal zien we blijvende aandacht voor het reguleren van het gedrag van leerlingen in de professionalisering van leraren in vrijwel iedere school (Kennedy, 2016). In het praktijkgerichte onderzoeksproject dat we presenteren zijn good practices in het regulier basisonderwijs en speciaal onderwijs in detail in beeld gebracht en geanalyseerd. Succesfactoren van de leraren die good practice laten zien zijn concreet in beeld gebracht op basis van de zelfdeterminatietheorie (Ryan & Deci, 2000a; 2000b; 2008). De filmbeelden, portretten, STARR beschrijvingen en woordwebben van leerlingen zijn verwerkt in een digitale leeromgeving. De overdraagbaarheid van de succesfactoren, via de digitale leeromgeving, is onderzocht binnen een bachelor en een masteropleiding en in scholen. Met dit project willen we bijdragen aan de verbetering van het pedagogisch handelen van leraren en aan de inzichten met betrekking tot het leren van goede voorbeelden.

De centrale uitdaging die de aanleiding vormde van het project is het feit dat de meeste (aanstaande) leraren de zelfdeterminatietheorie goed kennen, maar vaak onvoldoende handvatten hebben om deze kennis toe te passen in hun pedagogisch handelen. Door de variatie van voorbeelden vanuit het PO en SO en de kritische reflectievragen bij het professionaliseringsmateriaal, kunnen (aanstaande) leraren reflecteren op hun eigen gedrag en hun handelingsrepertoire uitbreiden. Verschillende manieren van werken met de leeromgeving zijn uitgeprobeerd in de pabo, de master Educational Needs en in scholen. De belangrijkste opbrengst van het project voor lerarenopleiders is inzicht in verschillende manieren waarop opleiding en professionalisering vorm gegeven kan worden. Daarnaast geeft het project inzicht in de wijze waarop het pedagogisch handelen op verschillende manier concreet kan worden gemaakt en in de overdraagbaarheid van succesfactoren van good practices.

De activering van de deelnemers tijdens de presentatie gebeurt door deelnemers na een korte inleiding actief met de leeromgeving aan de slag te laten gaan en hen uit te nodigen om te reflecteren op de manieren waarop dit middel voor professionalisering ingezet kan worden in de eigen opleiding en voor voortgezette professionalisering en aan welke randvoorwaarden hiervoor moet worden voldaan.

Het discussiepunt dat we willen inbrengen is: in hoeverre kan het pedagogisch handelen, wat erg persoonlijk gekleurd is, overgedragen worden aan anderen met behulp van good practices?

Kwaliteit voor en ín de klas
pedagogisch klimaat, Professionalisering, uitdagend gedrag

Leerkrachten verkennen het perspectief van ouders ten aanzien van rapporteren en ouderbetrokkenheid

Onderzoekspresentatie: individueel139Sander Van Acker, Odisee, SINT-NIKLAAS

Cinema 3ma 15:45 - 17:15

Abstract

In het huidige secundair onderwijs in Vlaanderen wordt bijna uitsluitend op een schriftelijke manier gecommuniceerd met ouders. Via rapporten met cijfers en gemiddelden, via de agenda en recent ook via het digitale leerplatform. Pas wanneer het erg verkeerd loopt op school worden de ouders uitgenodigd voor een gesprek.

Zowel ouders als leerkrachten geraken gefrustreerd van elkaar. Er is niet steeds een empathie voor elkaars rol.

Over ouderbetrokkenheid en de effecten ervan is heel wat wetenschappelijk onderzoek gedaan. Maar de conclusies verschillen. Sommige onderzoeken benadrukken meer ouderbetrokkenheid, anderen nuanceren de invloed ervan op het schoolsucces.

In ons onderzoek willen we de toekomstige leerkracht confronteren met het perspectief van de ouders. Dit leidde ons tot vier onderzoeksvragen.

Wat verwachten ouders van de school?

Welke invloed willen ouders op de school hebben en welke invloed aanvaarden zij van de school op de thuissituatie?

Welke communicatie verwachten ouders van de school? Welke informatie willen ouders aan de school geven?

Zal het interviewen van ouders door leerkrachten in opleiding de empathie met de rol van ouder doen toenemen?

De resultaten zijn erg genuanceerd, ouders zijn gematigd geneigd tot meer ouderbetrokkenheid, vooral bij problemen.

Korte beschrijving

In het huidige secundair onderwijs in Vlaanderen geraken zowel ouders als leerkrachten gefrustreerd van elkaar. Er is niet steeds empathie. Sommige onderzoeken benadrukken meer ouderbetrokkenheid, anderen nuanceren de invloed ervan op het schoolsucces. In ons onderzoek willen we de toekomstige leerkracht confronteren met het perspectief van de ouders.

Tekst

In het huidige secundair onderwijs in Vlaanderen wordt bijna uitsluitend op een schriftelijke manier gecommuniceerd met ouders. Via rapporten met cijfers en gemiddelden, via de agenda en recent ook via het digitale leerplatform. Pas wanneer het erg verkeerd loopt op school worden de ouders uitgenodigd voor een gesprek.

Voor ouders is de relatie met de school er een met momenten van ambitie aan de ene kant en frustratie aan de andere kant. De meeste ouders hopen dat de school van hun kind een succesvolle volwassene kan maken. De meeste leerkrachten verwachten een klas met ijverige leerlingen. Ouders merken dat hun kinderen af en toe met rare verhalen komen of een rapport meebrengen dat vragen oproept. Dit verontrust de ouders.

De leerkrachten en de school zijn dan weer niet tevreden over de medewerking op studiegebied. Wordt de nodige tijd, energie en hulp besteed aan het schoolwerk? Er is niet steeds een empathie voor elkaars rol.

Over ouderbetrokkenheid en de effecten ervan is heel wat wetenschappelijk onderzoek gedaan. Maar de conclusies verschillen. David Mitchell (2007) onderscheidt vijf niveaus van ouderbetrokkenheid. Binnen zijn visie op inclusief onderwijs beklemtoont hij de rechten, vaardigheden en behoeften van de familie.

Ook Epstein (2010) ziet het belang van een gelijkwaardige samenwerking tussen school en ouders. Een hogere ouderbetrokkenheid zou een positieve invloed hebben op het schoolsucces van kinderen in het secundair onderwijs. Maar niet alle ouders kunnen even effectief hun kinderen helpen (Kim, 2009). Ouders met een laag opleidingsniveau, éénoudergezinnen of met een andere moedertaal verlagen de kans op schoolsucces.

Volgens Hattie (2009) zal controleren en belonen de zelfregulatie van de leerling verhinderen. Alleen het verwoorden van hoge verwachtingen en het luisteren naar de kinderen hun verhalen heeft een positief effect.

In ons onderzoek willen we de toekomstige leerkracht confronteren met het perspectief van de ouders. Dit leidde ons tot vier onderzoeksvragen.

1 Wat verwachten ouders van de school?

2 Welke invloed willen ouders op de school hebben en welke invloed aanvaarden zij van de school op de thuissituatie?

3 Welke communicatie verwachten ouders van de school? Welke informatie willen ouders aan de school geven?

4 Zal het interviewen van ouders door leerkrachten in opleiding de empathie met de rol van ouder doen toenemen?

In het kader van een opleidingsonderdeel Praktijkonderzoek nemen studenten een semigestructureerd interview af bij twee ouders. De transcriptie en het coderen gebeurt door de studenten.

Uit de eerste resultaten blijkt dat een groot deel van de ouders tevreden is over de communicatie met de school. Bijna de helft van de ouders formuleerde tips om de communicatie tussen school en ouders te verbeteren. 60% van de ouders vinden dat de invloed van de school op het gezinsleven niet te ver gaat. Een beperkt deel van de ouders wil meer invloed hebben op het schoolse leren. Ouders geven aan vertrouwen te hebben in de professionaliteit van de school en maar willen graag gecontacteerd worden wanneer er problemen zijn.

Ouders vinden de punten op het rapport belangrijk, vooral voor de hoofdvakken. Het klasgemiddelde wordt vaak bekeken.

Maatschappij van morgen: diversiteit en urban education
ouderbetrokkenheid

Drie coaching aanpakken waarin pabo en scholen samenwerken, vergeleken op effectiviteit

Onderzoekspresentatie: individueel15Tamar Tas, Hogeschool Utrecht, UTRECHT

Cinema 3ma 15:45 - 17:15

Abstract

Abstract

Vanuit de politiek en de scholen wordt aangedrongen op het verhogen van de instructiekwaliteit van pabo studenten. In een quasi experimentele opzet zijn drie coaching aanpakken met elkaar vergeleken.

Aanpak 1 is de gangbare manier van begeleiden. Studenten gebruiken gedurende de opleiding één standaard lesvoorbereidingsformulier. Zij formuleren eigen leerdoelen bij de lessen die ze gaan geven en de mentoren geven feedback die zij zelf van belang achten.

In aanpak 2 wordt een reken- of taalles van de student met het instrument ICALT geobserveerd en wordt het lesvoorbereidingsformulier toegewezen dat bij de ontwikkelingsfase van de student past. De mentor geeft feedback die bij die ontwikkelingsfase past.

In aanpak 3 is de samenwerking tussen pabo en opleidingsschool verder op elkaar afgestemd door het aanbod van aanvullende lessen vanuit de pabo. Studenten krijgen theorie over effectieve leerkrachtvaardigheden en feedback op ingevulde lesvoorbereidingsformulieren. Daarnaast maken ze aan de hand van de observaties een ontwikkelplan om naar een volgend niveau van lesgeven te komen.

De gemiddelde groei (effectmaat, gemeten met ICALT) van instructievaardigheden is respectievelijk; zeer klein bij de gangbare coaching, middelgroot bij de observatie en toewijzing van ondersteunende lesvoorbereidingsformulieren en feedback, en zeer groot wanneer daarbij ondersteunende pabolessen worden toegevoegd.

Korte beschrijving

Pabo en opleidingsscholen werken samen om het instructieniveau van studenten te verbeteren. Drie coaching aanpakken zijn vergeleken; (1) gangbare aanpak, (2) aanpak met observatie, lesvoorbereidingsformulieren en feedback, en (3) dezelfde elementen met aanvullend onderwijs. De gemiddelde groei van instructievaardigheden was respectievelijk: zeer klein (1), middelgroot (2) en zeer groot (3).

Tekst

Inleiding

Omdat de instructie kwaliteit van leraren een belangrijke factor is bij het behalen van leerwinst bij kinderen, wordt zowel vanuit de politiek als de scholen aangedrongen op het verhogen van de instructie kwaliteit van pabostudenten (Min, OC&W, 2013). Bij een dergelijke kwaliteitsverbetering is een goede afstemming tussen wat op de pabo wordt aangeleerd en wat in de praktijk wordt geoefend, essentieel.

Het belangrijkste begeleidingsinstrument bij het leren lesgeven is het z.g. lesvoorbereidingsformulier, waarmee studenten hun stagelessen voorbereiden. Mentoren (de groepsleerkrachten) geven feedback op basis van dit formulier. Studenten formuleren eigen leerdoelen en mentoren geven feedback die zij van belang achten. Over het algemeen is er één lesvoorbereidingsformulier voor alle opleidingsjaren (Tas, Houtveen, Van de Grift & Willemsen, 2018).

Onderzoeksvraag

In dit onderzoek wordt de effectiviteit van drie coaching aanpakken vergelijken. De onderzoeksvraag is of we met aanpak 2, zonder aanvullende pabolessen waarin theorie aan de praktijk wordt gekoppeld, dezelfde groei in instructievaardigheden bereiken, als met aanpak 3.

Methode

In dit onderzoek is gebruikt gemaakt van een quasi experiment met een controle groep (aanpak 1) en twee experimentele groepen (aanpak 2 en 3 (Shadish, Cook, & Campbell, 2002). Het ICALT observatie instrument is gebruikt als effectmaat.

Resulaten

Tabel 1 laat de groei van instructievaardigheden zien tussen de voor- en nameting op de 6 schalen van het observatie instrument ICALT. De groei bij de gangbare aanpak is niet significant en ook zeer klein (ES.14).

Met een UNIANCOVA is de groei van instructievaardigheden berekend op de 6 ICALT schalen tussen aanpak 1 en aanpak 2, en tussen aanpak 1 en aanpak 3 (tabel 2). Duidelijk wordt dat, na het controleren voor co-variabelen, de gemiddelde groei bij aanpak 2 in vergelijking met aanpak 1 een middelgroot effect laat zien (.50) en in vergelijking met aanpak 3 een groot effect (.95). Met aanpak 3, waarbij ondersteunende pabolessen zijn toegevoegd die theorie met praktijk verbinden, is een gemiddelde groei gemeten die bijna twee maal zo groot is als bij aanpak 2.

Discussie met de zaal (stelling)

Voor een goed afgestemde samenwerking tussen pabo en scholen is leiding en koersbepaling vanuit de pabo van belang.

Kwaliteit voor en ín de klas
Coaching op maat, Instructie kwaliteit, Samenwerking

Leraren opleiden voor het beroepsonderwijs: een beroepsbeeld als handvat voor ontwikkeling

Onderzoekspresentatie: symposium96Linda Medendorp, MBO Raad, WOERDEN

Dansstudioma 15:45 - 17:15

Abstract

Het opleiden van studenten voor een beroep in onze maatschappij schept een uitdaging voor het opleidingsproces, dat niet enkel theoretisch maar ook in de beroepscontext vorm krijgt.

De opleiding en professionele ontwikkeling van leraren voor het (v)mbo vraagt een dubbel perspectief: om studenten/leerlingen goed te kunnen begeleiden in hun beroepsvormingsproces, heeft de docent niet alleen kennis nodig van het (v)mbo als opleidingssector, maar ook van het beroepenveld waartoe leerlingen worden opgeleid en waarbinnen een wezenlijk deel van hun beroepsvorming plaatsvindt (Aalsma, Van den Berg, & De Bruijn, 2014). Lerarenopleidingen staan voor de vraag hoe vorm te geven aan dit dubbele perspectief bij de toekomstige leraren die zij opleiden: wat betekent dit voor de inhoud en didactiek van de lerarenopleiding en voor de ontwikkeling van lerarenopleiders? We presenteren drie verhalen van docenten (in opleiding), een praktijkvoorbeeld van de vakgroep Nederlands van FLOT, en een ontwikkelingsgericht beroepsbeeld voor de docent beroepsonderwijs (snoek et al, 2017; Medendorp, Held & snoek, i.p.) Korte beschrijving Opdracht voor de lerarenopleidingen is aankomende docenten optimaal toe te rusten voor het (beroeps)onderwijs. In het beroepsonderwijs worden professionals opgeleid voor de beroepspraktijk: nu en morgen. Vraagt het werken in (v)mbo specifieke kennis en kunde of is een opleiding tot wendbare professional die in meerdere contexten kan werken voldoende?

Tekst

Doelstelling

Inzicht vergroten in vraagstukken rondom opleiden voor het beroepsonderwijs. We delen ervaringen en voorbeelden vanuit de praktijk, en bieden met een beroepsbeeld voor de (mbo)-docent een handvat om opleiden voor het (v)mbo vorm te geven.

Relevantie

Het middelbaar beroepsonderwijs leidt bijna een half miljoen studenten op (MBO Raad, 2016), in 170 beroepsopleidingen, op vier niveaus, in twee leerwegen. In combinatie met het vmbo, met haar ruim 221.000 studenten (CBS, 2016), verschillende beroepsprofielen en ook met vier niveaus, hebben we dus te maken met circa 700.000 studenten die jaarlijks opgeleid worden in het (v)mbo. Het opleiden van studenten om een beroep uit te oefenen in onze maatschappij schept een uitdaging voor het opleidingsproces, dat niet enkel theoretisch maar ook in de beroepscontext vorm krijgt.

De opleiding en professionele ontwikkeling van leraren voor het (v)mbo vraagt een dubbel perspectief: om studenten/leerlingen goed te kunnen begeleiden in hun beroepsvormingsproces, heeft de docent niet alleen kennis nodig van het (v)mbo als opleidingssector, maar ook van het beroepenveld waartoe studenten worden opgeleid en waarbinnen een wezenlijk deel van hun beroepsvorming plaatsvindt (Aalsma, Van den Berg, & De Bruijn, 2014). Lerarenopleidingen staan voor de vraag hoe vorm te geven aan dit dubbele perspectief: wat betekent dit voor de inhoud en didactiek van de lerarenopleiding en voor de ontwikkeling van lerarenopleiders?

Organisatie van het symposium

We starten met (toekomstige) docenten (v)mbo die vanuit hun eigen ervaring vertellen hoe het werk en de opleiding van een docent beroepsonderwijs eruitziet. Vervolgens presenteren we vanuit de praktijk van lerarenopleidingen hoe de voorbereiding op docent in het beroepsonderwijs vorm krijgt (Elferink et al, 2018). Tot slot presenteren we een beroepsbeeld voor de (mbo)-docent, een handvat voor professionele ontwikkeling, en voor vormgeven van lerarenopleidingen (Snoek, 2017; Medendorp, Held & Snoek, i.p.). Aan het eind gaan we in gesprek om de drie bijdragen te verbinden en om op zoek te gaan naar de implicaties voor de lerarenopleidingen.

Presentatie 1

Presentatie 1 (praktijk): Leraren (in opleiding) vertellen

Praktijk waaruit geschreven

Drie leraren (in opleiding) vertellen in een persoonlijk verhaal hun ervaringen en visie op het opleiden voor het beroepsonderwijs.

Inleiding

Sinds de invoering in 2013 van twee afstudeerrichtingen in de tweedegraads lerarenopleidingen algemene vakken - algemeen vormend onderwijs en beroepsgericht onderwijs - is de aandacht voor beroepsgericht opleiden sterk toegenomen (Min. OCW, 2012). In deze bijdrage vertellen drie leraren-in-opleiding (lio’s) en/of starters hun eigen verhaal. Een verhaal over hun opleidingsproces en ervaringen die ze hebben opgedaan in het beroepsonderwijs.

Praktijk - theoretisch kader

Het beroepsbeeld voor de (mbo)-docent wordt gebruikt als handvat om de concrete praktijk verhalen te verbinden. We hebben aandacht voor concrete ontwikkelingen in de context van het beroepsonderwijs en lerarenopleidingen.

Onderzoeksvraag

Welke inhoud, kennis en vaardigheden hebben studenten nodig om goed voorbereid te zijn op het beroepsonderwijs (vmbo en mbo)? Wat zijn hun ervaringen op de opleiding en in de praktijk?

Methode

We gebruiken de narratieve methode door bewust gebruik te maken van verhalen die studenten/leraren zelf vertellen over hun ervaringen in het beroepsonderwijs en met het beroepsgericht opleiden.

Resultaten

De verhalen van studenten worden gebruikt om de opleiding beroepsgericht in te kleuren en om praktijk en theorie beter te verbinden.

Discussie

Welke elementen zijn specifiek voor het werken in het (v)mbo die terugkomen in de verhalen. Wat is er nodig om studenten goed op te leiden voor werken in voorbereidend- of middelbaar onderwijs? Vraagt het werken in het (v)mbo specifieke kennis en kunde of is het meer dat je zo opgeleid moet zijn dat je als wendbare professional in meerdere beroepscontexten werkzaam kunt zijn en wat vraagt dat van de docent-in-opleiding en wat vraagt het van de lerarenopleiders?

Presentatie 2

Presentatie 2 (praktijk): Fontys Lerarenopleiding Tilburg: Hoe bereidt de lerarenopleiding de toekomstige leraar voor op het werken in een context van beroepsonderwijs?

Praktijk van waaruit geschreven

Deze presentatie wordt gegeven vanuit de praktijk van de vakgroep nederlands van Fontys Lerarenopleiding Tilburg (FLOT), die samen met het werkveld hun opleiding beroepsgericht inkleurt. Wat betekent dit voor het curriculum: voor de inhoud, vakdidactiek en professionalisering?

Inleiding

Het middelbaar beroepsonderwijs (mbo) leidt bijna een half miljoen studenten op (MBO Raad, 2016), in 170 beroepsopleidingen, op vier niveaus, in twee leerwegen. In combinatie met het vmbo, met haar ruim 221.000 studenten (CBS, 2016), verschillende beroepsprofielen en ook met vier niveaus, hebben we dus te maken met circa 700.000 studenten die jaarlijks opgeleid worden in het (v)mbo. Het opleiden van studenten om een beroep uit te oefenen in onze maatschappij schept een uitdaging voor het opleidingsproces, dat niet enkel theoretisch maar ook in de beroepscontext vorm krijgt.

Praktijk- theoretisch kader

De opleiding en professionele ontwikkeling van leraren voor het (v)mbo vraagt een dubbel perspectief: om studenten/leerlingen goed te kunnen begeleiden in hun beroepsvormingsproces, heeft de docent niet alleen kennis nodig van het (v)mbo als opleidingssector, maar ook van het beroepenveld waartoe leerlingen worden opgeleid en waarbinnen een wezenlijk deel van hun beroepsvorming plaatsvindt (Aalsma, Van den Berg, & De Bruijn, 2014). Lerarenopleidingen staan voor de vraag hoe vorm te geven aan dit dubbele perspectief bij de toekomstige leraren die zij opleiden: wat betekent dit voor de inhoud en didactiek van de lerarenopleiding en voor de ontwikkeling van lerarenopleiders?

In het mbo zijn er 183 kwalificatiedossiers en de bijbehorende vakken die in het mbo gegeven worden, met de vakken binnen de lerarenopleidingen is beperkt (zie figuur 1). Het mbo leidt bovendien op voor meerdere niveaus van beroepsuitoefening, gebaseerd op de mate van verantwoordelijkheid en complexiteit.

Het kwalificatiedossier wordt bij de vakgroep nederlands (FLOT) als vertrekpunt genomen om kenmerkende beroepssituaties te selecteren waarin taalvaardigheden ingezet moeten worden. Dat leidt tot overzicht taaltaken en taalhandelingen als bouwstenen voor een curriculum.

Onderzoeksvraag

Hoe bereidt de lerarenopleiding de toekomstige leraar voor op het werken in een context van beroepsonderwijs?

Methode

De vakgroep Nederlands heeft samen met een aantal scholen uit het werkveld een ontwerpmethodiek ontwikkeld om in het curriculum beroepsgerichte elementen op te nemen.

Het kwalificatiedossier wordt hierbij als vertrekpunt genomen om kenmerkende beroepssituaties te selecteren waarin taalvaardigheden ingezet moeten worden. Dat leidt tot overzicht taaltaken en taalhandelingen als bouwstenen voor een curriculum.

Resultaten

Studenten van de lerarenopleidingen maken kennis met een breder handelingsrepertoire om hun vak in de context van het beroep te plaatsen. Praktijk en theorie worden sterker verweven. En studenten kunnen een verbinding leggen tussen kennisbasis Nederlands en ‘beroepsvakkennis’, zoals Nederlands in de praktijk van horeca, gezondsheidszorg of techniek.

Discussie

Wat zijn belangrijke uitgangspunten voor pedagogische en vakdidactische bekwaamheid? Vraagt het werken in het (v)mbo specifieke kennis en kunde of is het meer dat je zo opgeleid moet zijn dat je als wendbare professional in meerdere beroepscontexten werkzaam kunt zijn en wat vraagt het van de lerarenopleiders?

Individuele bijdrage 3 (symposium):

Presentatie 3: Een ontwikkelingsgericht beroepsbeeld voor de docent beroepsonderwijs

Marco Snoek

Praktijk van waaruit geschreven

Deze bijdrage aan het symposium heeft een reflectief karakter: vanuit het bijzondere profiel van de docent beroepsonderwijs wordt stil gestaan bij het proces om het beroepsbeeld voor de leraar (2017) aan te passen voor de docent beroepsonderwijs om vervolgens stil te staan bij de implicaties op opleidingen, mbo-instellingen en docenten beroepsonderwijs zelf.

Inleiding

Veel discussies over het beroep van leraar worden gekenmerkt door een statisch perspectief op dat beroep. Kernvraag is wat een leraar in huis moet hebben. Een betere en meer realistische vraag zou zijn: hoe kan een leraar zich ontwikkelen? In het afgelopen jaar is in een aantal sessies nagegaan hoe het beroepsbeeld voor de docent beroepsonderwijs op zo’n manier geformuleerd kan worden dat het handvatten biedt voor professionele ontwikkeling en voor loopbaanpaden.

Theoretisch kader

Er is een groeiend besef dat het beroep van leraar gekenmerkt wordt door een continuüm van ontwikkeling. Die ontwikkeling kan betrekking hebben op verdieping van expertise van starter naar meester, maar ook op verbreding naar andere taken en rollen. In het Beroepsbeeld voor de leraar (2017) is een meer dynamisch beeld van het beroep geschetst. Het beroepsbeeld creëert een landkaart die docenten, onderwijswerkgevers en opleidingen handvatten geeft om ontwikkeling en dynamiek in het beroep te creëren, te stimuleren en te ondersteunen.

Onderzoeksvraag

Kernvraag in het proces rond het beroepsbeeld voor de docent beroepsonderwijs is hoe een gedeeld beroepsbeeld voor de docent beroepsonderwijs docenten, mbo-instellingen en lerarenopleidingen handvatten biedt om professionele en loopbaanontwikkeling van docenten beroepsonderwijs te ondersteunen en te stimuleren.

Methode

In het afgelopen jaar is in verschillende bijeenkomsten verkend hoe het beroepsbeeld voor de leraar (2017) dat in de context van het vo is ontwikkeld, toepasbaar en relevant gemaakt kan worden voor de context van het beroepsonderwijs. Bij dit proces (onder regie van de BVMBO en de MBO-Raad) zijn docenten, team/afdelingsleiders, bestuurders, lerarenopleiders, HR-stafleden en Aob, betrokken geweest. Op basis van de input is een aangepast Beroepsbeeld voor de Docent Beroepsonderwijs gemaakt.

Resultaten

Het beroepsbeeld voor de docent beroepsonderwijs roept tal van vragen op:

In hoeverre zijn de verwachtingen die we hebben van startende docenten beroepsonderwijs realistisch in de wetenschap dat we te maken hebben met

jongeren die na een vierjarige opleiding kennis moeten hebben van hun beroepscompetenties en ook nog van het werkveld waar ze straks voor opleiden?

Op zij-instromers die in een jaar tijd een beroepsidentiteit als docent en alle kennis en vaardigheden die daar bij horen moeten ontwikkelen?

Wat zijn de implicaties van de eerste (retorische) vraag voor lerarenopleidingen, mbo-instellingen en docenten beroepsonderwijs zelf?

Wat betekent het besef dat het beroep docent beroepsonderwijs een beroep is waarin je je blijft ontwikkelen in bekwaamheid en rollen, voor ondersteuningstrajecten die lerarenopleidingen en mbo-instellingen aanbieden voor docenten tijdens hun loopbaan?

Hoe deelnemers actief betrokken worden bij de presentatie

Discussiepunt (vraag die aan het einde van de sessie wordt voorgelegd aan een andere praktijk).

De bovenstaande vragen zijn aangrijpingspunt voor een discussie met en tussen de deelnemers.

Leraren van de toekomst: flexibele professionals
beroepsbeeld, beroepsonderwijs

Conceptualiseren, ontwikkelen en meten van competenties in de initiële lerarenopleiding

Onderzoekspresentatie: symposium40Karen De Coninck, Universiteit Gent, GENT

De Verdiepingma 15:45 - 17:15

Abstract

Dit symposium richt zich op de actuele discussie over hoe competenties in de initiële lerarenopleiding (1) te conceptualiseren, (2) te beoordelen en te meten, en (3) te begeleiden en te ontwikkelen bij student-leraren. Hoewel de aandacht hiervoor de laatste jaren is toegenomen, blijkt dit voor lerarenopleidingen vandaag geen vanzelfsprekende of makkelijke opdracht te zijn. Om hieraan tegemoet te komen werden verschillende onderzoeksprojecten opgestart in Vlaamse lerarenopleidingen die focussen op het conceptualiseren, meten en ontwikkelen van complexere lerarencompetenties. Dit symposium omvat drie samenhangende onderzoekspresentaties die hier dieper op ingaan. De eerste onderzoekspresentatie focust op het conceptualiseren, meten en ontwikkelen van competenties omtrent omgaan met diversiteit in de klas aan de hand van videografie en paarsgewijze vergelijking. De tweede onderzoekspresentatie focust vervolgens op het meten en beoordelen van competenties omtrent ouder-leraar communicatie aan de hand van een video-gebaseerd instrument en paarsgewijze vergelijking. Tot slot gaat de derde onderzoekspresentatie dieper in op het begeleiden en ontwikkelen van competenties omtrent ouder-leraar communicatie via klinische simulaties. Korte beschrijving Dit symposium richt zich op het conceptualiseren, het meten en het ontwikkelen van complexere lerarencompetenties via vernieuwende methodieken en instructiestrategieën waarbij de connectie tussen theorie en praktijk sterk wordt benadrukt. Bijgevolg sluit dit symposium goed aan bij het thema van het congres: opleiden voor de toekomst.

Tekst

Doelstelling

Het competentiedenken won de laatste decennia aan populariteit in de lerarenopleidingen (Struyen & Ceulemans, 2013). De nadruk ligt hierbij op het vormen van competente leraren die hun kennis, vaardigheden en attitudes succesvol kunnen toepassen in de praktijk. Tegelijkertijd is er nog veel onbekend over (1) het conceptualiseren, (2) het meten en beoordelen, en (3) het begeleiden en ontwikkelen van competenties in de lerarenopleiding. Dit symposium beoogt een bijdrage te leveren aan deze actuele discussie en bestaat uit een theoretische introductie en drie samenhangende onderzoekspresentaties: In de theoretische introductie wordt er allereerst ingegaan op de vraag hoe competenties in de onderzoekspresentaties worden geconceptualiseerd. Dit gebeurt aan de hand van het conceptueel model van Blömeke et al. (2015) waarin competenties beschouwd worden als een continuüm, startend vanuit disposities (bv. kennis en motivatie), over situatie-specifieke vaardigheden, leidend tot observeerbaar gedrag. Het belang van de processen die disposities en gedrag met elkaar verbinden, wordt in het bijzonder benadrukt. Hierbij aansluitend wordt het gebruik van videografie voor het meten en ontwikkelen van competenties in de lerarenopleiding theoretische en empirisch gekaderd (zie bv. Borko et al., 2008; Kaiser, 2015). In de eerste onderzoekspresentatie wordt er dieper ingegaan op het conceptualiseren, meten en ontwikkelen van competenties omtrent het creëren van inclusieve leeromgevingen aan de hand van videografie en paarsgewijze vergelijking. In de tweede onderzoekspresentatie wordt er dieper ingegaan op het design en de constructie van klinische simulaties gericht op het begeleiden en ontwikkelen van competenties omtrent ouder-leraar communicatie. In de derde onderzoekspresentatie wordt er dieper ingegaan op het meten van competenties omtrent ouder-leraar communicatie aan de hand van een video-gebaseerd instrument. In het symposium zal zowel aandacht besteed worden aan de uitkomsten van de verschillende onderzoeken als aan discussie over wat dit kan betekenen voor het beleid en vormgeving van lerarenopleidingen.

Wetenschappelijke en praktische relevantie

Dit symposium levert een belangrijke theoretische, empirische en methodologische bijdrage aan onderzoek omtrent competenties van student-leraren. Daarnaast levert dit symposium ook een relevante praktische bijdrage door verschillende praktijkvoorbeelden te presenteren die de praktijk kunnen inspireren.

Organisatie van het symposium

Voor de start van de onderzoekspresentaties zal er tien minuten tijd voorzien worden voor de voorzitter, Prof. Dr. Ruben Vanderlinde, om het symposium algemeen in te leiden en voor de theoretische introductie. Vervolgens wordt er voor elke onderzoekspresentatie vijftien minuten tijd voorzien. Na elke presentatie wordt er vijf minuten tijd voorzien voor specifieke vragen en/of opmerkingen. Tot slot zal de overige tijd op het einde voorzien zijn voor de kritische commentaren en de visie van de discussiant, voor algemene vragen van de deelnemers, en voor verdere discussie over de thematiek van het symposium.

Hoe deelnemers actief betrokken worden bij het symposium

Tijdens het symposium worden er concrete meetinstrumenten en instructiestrategieën gedemonstreerd. Deelnemers zullen deze actief kunnen ervaren, testen, en beoordelen.

Voorzitter symposium: Prof. Dr. Ruben Vanderlinde, Universiteit Gent, Ruben.Vanderlinde@Ugent.be

Discussiant symposium: Prof. Dr. Katrien Struyven, Universiteit Hasselt, Katrien.Struyven@uhasselt.be

Presentatie 1

Conceptualiseren, meten en ontwikkelen van competenties omtrent het creëren van inclusieve leeromgevingen

Inleiding

Scholen en leraren worden wereldwijd geconfronteerd met een groeiende diversiteit in hun leerlingpopulaties (Cochran-Smith, 2013). Leraren worden hierbij uitgedaagd om tegemoet te komen aan de leerbehoeften van alle leerlingen (Banks et al., 2007). Dit vraagt om een specifieke set van competenties. Internationaal onderzoek toont echter aan dat lerarenopleidingen worstelen met de vraag hoe student-leraren het best voor te bereiden hierop (McDonald, 2005). Meer concreet gesteld is er weinig bekend over hoe deze competenties te conceptualiseren, te meten, en te ontwikkelen zodat afgestudeerde leraren in staat zijn inclusieve klassen te realiseren. Deze paper gaat dieper in op dit vraagstuk.

Theorie

Binnen het onderzoeksproject werd een competentiemodel ontwikkeld dat omschrijft welke competenties van cruciaal belang zijn voor het creëren van inclusieve leeromgevingen. Twee dimensies worden uitgelicht tijdens de presentatie: 1) competenties m.b.t. het faciliteren van leraar/leerling interacties (TSI: Teacher Student Interactions), en 2) competenties m.b.t. gedifferentieerde instructie (DI: Differentiated Instruction). Empirisch onderzoek heeft aangetoond dat beide dimensies essentieel zijn in de context van effectieve inclusieve leeromgevingen (bv. Mitchell, 2014). Deze dimensies worden verder geoperationaliseerd a.d.h.v. het concept ‘professional vision’ van Van Es & Sherin (2002), omschreven als “the use of knowledge in the complex situation of teaching and learning to ‘notice’ and ‘reason’ about events in the classroom that are crucial for learning” (van Es & Sherin, 2002). Deze ‘noticing’ en ‘reasoning’ zijn hierbij cruciale aspecten.

Onderzoeksvragen

Centrale doelstelling van het onderzoek is het ontwikkelen en valideren van een videografie meetinstrument om student-leraren hun professional vision m.b.t. TSI en DI te meten.

Methode

Om de ontwikkeling van het meetinstrument zo holistisch mogelijk te maken werd beroep gedaan op de methode van de paarsgewijze vergelijking (comparative judgement). Binnen deze methode wordt aan student-leraren gevraagd om verschillende paren van videoclips te vergelijken (zie Figuur 1), en te beslissen welke clip het beste is in termen van TSI en DI (Pollitt, 2012).

Resultaten

Het validiteitsraamwerk van Chan (2014) werd gebruikt om de validiteit te onderzoeken. Daarbij werden vijf dimensies bestudeerd: (1) de inhoud van het instrument, (2) responsprocessen, (3) interne structuur, (4) relaties met andere variabelen, en (5) consequenties van gebruik voor leren en instructie. Data werd verzameld bij 34 experten en 278 student-leraren. De resultaten tonen aan dat het instrument een valide en betrouwbaar instrument is om professional vision mb.t. TSI en DI te meten bij student leraren, zowel voor hun ‘noticing’ als hun ‘reasoning’ processen.

Actief betrekken deelnemers

Tijdens de presentatie zullen filmfragmenten uit het videografie-instrument getoond worden aan de deelnemers met de vraag deze te beoordelen via de methode van de paarsgewijze vergelijking. Deze oefening illustreert hoe de theoretische concepten ‘TSI’ en ‘DI’ enerzijds, en ‘noticing’ en ‘reasoning’ anderzijds geïmplementeerd werden in het onderzoeksproject.

Discussiepunt

Het videografie-instrument werd ook ingezet in een professionaliseringstraject binnen lerarenopleidingen basisonderwijs. In de discussie zal verder ingegaan worden op de vraag hoe dit meetinstrument optimaal te gebruiken zodat het ook een ontwikkelingsinstrument wordt.

Individuele bijdrage 2 (symposium):

Ontwikkelen van competenties omtrent ouder-leraar communicatie: design en constructie van klinische simulaties

Inleiding

KS zijn een vernieuwende instructiestrategie om competentieontwikkeling bij student-leraren te stimuleren. Ze bieden student-leraren de kans om hun kennis, vaardigheden en attitudes te oefenen en te ontwikkelen in een realistische leeromgeving waardoor de transfer van theoretische kennis naar professioneel handelen in de praktijk wordt bevorderd (Dotger, 2013). Onderzoek toont aan dat deze transfer in het bijzonder moeizaam verloopt voor competenties omtrent ouder-leraar communicatie of het voeren van ouder-leraar gesprekken (de Bruïne et al., 2014; Evans, 2013). Deze bijdrage richt zich daarom op het design en de constructie van KS gericht op het ontwikkelen van deze competenties.

Theorie

De volgende designprincipes zijn cruciaal bij het ontwerpen van KS (Author et al., 2018): (1) Bouw voort op een duidelijk theoretisch raamwerk of competentiemodel en vertrek vanuit heldere doelstellingen, (2) Betrek studenten in authentieke leercontexten en werk met realistische scenario’s, (3) Verrijk concrete ervaringen met feedback en reflectie, en (4) Stimuleer collaboratief leren en samenwerking tussen studenten onderling. Op basis van deze designprincipes kunnen zowel online (of digitale) als face-to-face (of real-time) simulaties ontworpen worden. Onderzoeksvragen Hoe kunnen de designprincipes succesvol geoperationaliseerd worden om KS gericht op de ontwikkeling van ‘ouder-leraar communicatie competenties’ te ontwerpen?

Methode

Alle designprincipes werden uitvoerig besproken met verschillende stakeholders (4 lerarenopleiders, 6 leraren, 5 ouders, en 3 onderwijskundigen) en bijkomende literatuur werd geraadpleegd. Resultaten Figuur 2 verduidelijkt hoe de designprincipes geoperationaliseerd werden: Designprincipe 1: Er werd een competentiemodel ontwikkeld dat duidelijk omschrijft welke competenties van cruciaal belang zijn voor het voeren van ouder-leraar gesprekken. Twee dimensies worden uitgelicht tijdens de presentatie: (1) het structureren of volgen van gespreksfasen, en (2) het bewerkstelligen van een positieve relatie met ouders (Walker & Dotger, 2012; Gartmeier et al., 2011) . Op metaniveau is het managen van de flow belangrijk. Het competentiemodel vormde de verdere basis voor het ontwerpen van de KS. Student-leraren maakten kennis met het competentiemodel tijdens een introductieles. Designprincipe 2: Er werden negen realistische casussen omtrent ouder-leraar communicatie. Op basis hiervan werden de KS verder vormgegeven. Face-to-face simulaties: ƒ. Rekruteren en trainen acteurs volgens gestandaardiseerde rol.„. Uitwerken protocol student-leraren met nodige achtergrondinformatie. …. Deelname student-leraren aan face-to-face KS: participatie aan real-time gesimuleerd ouder-leraar gesprek. Online simulaties: ƒ. Rekruteren en trainen acteurs volgens script en opnemen videoclip.„. Uitwerken protocol student-leraren met nodige achtergrondinformatie. …. Deelname student-leraren aan online KS: bekijken videoclip die regelmatig gepauzeerd wordt, bij elke pauze reacties als leraar neerschrijven. Designprincipe 3 en 4: Student-leraren namen drie keer deel aan een trainingssessie, gevolgd door een reflectiesessie. In een trainingssessie nemen student-leraren actief deel aan één KS en observeren ze twee andere KS. Er wordt telkens feedback voorzien. In een reflectiesessie worden de KS verder besproken en gelinkt aan theorie.

Actief betrekken deelnemers

Deelnemers zullen bevraagd worden omtrent hun voorkeur voor online vs. face-to-face KS en de bruikbaarheid hiervan binnen hun eigen onderwijspraktijk.

Discussiepunt

Hoe kunnen online/face-to-face KS optimaal gebruikt worden voor competentieontwikkeling in de lerarenopleiding?

Individuele bijdrage 3 (symposium):

Meten en beoordelen van competenties omtrent ouder-leraar communicatie: een video-gebaseerd instrument

Inleiding

Lerarenopleidingen worden verwacht om student-leraren af te leveren die voldoende competent zijn in ouder-leraar communicatie of het voeren van ouder-leraar gesprekken (Vlaams Parlement, 2007). Er zijn echter weinig meetinstrumenten voorhanden die geschikt zijn voor het meten en beoordelen van deze competenties (Gerich & Schmitz, 2016). Deze bijdrage richt zich daarom op een video-gebaseerd instrument om ouder-leraar communicatie competenties van student-leraren te meten en te beoordelen op een betrouwbare en valide manier.

Theorie

Deze bijdrage bouwt verder op het competentiemodel (zie bijdrage 2) dat omschrijft welke competenties van cruciaal belang zijn voor het voeren van ouder-leraar gesprekken: (1) competenties omtrent het structureren van een gesprek, en (2) competenties omtrent het bewerkstelligen van een positieve relatie met ouder(s). Deze dimensies worden verder geoperationaliseerd volgens het model van Blömeke et al. (2015) waarin situatie-specifieke vaardigheden die leraren stap-voor-stap gebruiken tijdens instructie(gerelateerde) activiteiten centraal staan: (1) perceptie van specifieke gebeurtenissen, (2) interpretatie van deze gebeurtenissen o.b.v. beschikbare kennis en ervaringen, en (3) beslissen hoe er best gereageerd wordt (zie ook Sherin & Van Es, 2002). Op methodologisch niveau bouwt deze bijdrage verder op voorgaand onderzoek dat heeft aangetoond dat video-vignetten een effectieve tool zijn voor het meten en beoordelen van competenties van student-leraren (Blomberg et al., 2013).

Onderzoeksvragen Hoe kunnen perceptie, interpretatie en beslissingsvaardigheden omtrent ouder-leraar communicatie op een betrouwbare en valide manier gemeten worden met behulp van video-vignetten?

Methode

De volgende vier stappen werden gevolgd: ƒ. Ontwikkelen van video-vignetten o.b.v. literatuur, observaties van ouder-leraar gesprekken (n=15), en interviews met leraren (n=6) en lerarenopleiders (n=5). De inhoud en realiteit van de video-vignetten werd gescreend door onderwijskundigen (n=2), leraren (n=4) en ouders (n=2). „. Formuleren van open vragen die perceptie, interpretatie, en beslissingsvaardigheden stimuleren. …. Ontwerpen van een codeerschema en codeerhandleiding. †. Implementeren van het video-gebaseerd instrument (n=269) om het te testen en verder te verfijnen.

Resultaten

Het video-gebaseerd instrument omvat (1) drie video-vignetten, (2) een reeks open vragen die perceptie, interpretatie, en beslissingsvaardigheden stimuleren, en (3) drie codeerschema’s om de verkregen tekstuele data van student-leraren om te zetten in een perceptie-, interpretatie-, en beslissingsscore (PID-score) voor het structureren van een ouder-leraar gesprek en voor het bewerkstelligen van een positieve relatie met een ouder. Het instrument werd (4) geïmplementeerd en de verkregen data werd succesvol gecodeerd en gescoord. De intercodeerbetrouwbaarheid (67.9%-100%) en Krippendorff’s alpha (.6-.8) bevestigden de betrouwbaarheid van het codeerproces. De resultaten tonen aan dat student-leraren hogere PID-scores behalen voor het structureren van een gesprek, dan voor het bewerkstelligen van een positieve relatie. Over het algemeen tonen de resultaten aan dat de PID-vaardigheden nog sterker ontwikkeld kunnen worden en dat voldoende aandacht hiervoor in de lerarenopleiding noodzakelijk is.

Actief betrekken deelnemers

De video-vignetten van het instrument zullen getoond worden tijdens de presentatie en deelnemers zullen hun eigen perceptie-, interpretatie-, en beslissingsvaardigheden kunnen scoren en beoordelen.

Discussiepunt

Wat zijn de voor- en nadelen van dit meetinstrument? Hoe kunnen deelnemers hier eventueel zelf mee aan de slag gaan in hun onderwijspraktijk?

Leraren van de toekomst: flexibele professionals
beoordelen/meten van competenties, competentieontwikkeling, initiële lerarenopleiding

VOER voor Ontwikkeling | een model om professionalisering van (startende) docenten vorm te geven

Uitnodigende praktijkvoorbeelden22Randy Heilbron, Alberdingk Thijm Scholen, HILVERSUM

Emma de Jongzaal - tafel 1ma 15:45 - 17:15

Abstract Op de Alberdingk Thijm Scholen (PO èn VO) geven nieuwe docenten hun eigen ontwikkeling vorm. Dit doen ze door Ontwikkelactiviteiten uit te voeren. Vooraf bedenken ze hun ontwikkeldoel, vervolgens gaan ze op lesbezoek, krijgen ze lesbezoek of hebben ze beeldcoaching (Ontwikkelactiviteiten). Wat ze hebben geleerd van de Ontwikkelactiviteiten proberen ze uit in de eigen les of ze formuleren de eerste stap(-pen) om het geleerde in de praktijk te kunnen brengen, als het geconstateerde niet direct uitvoerbaar in de praktijk is. Na afloop reflecteren ze kort op de Ontwikkelactiviteit en de gegeven les of de eerste bedachte stap(-pen). De Ontwikkelactiviteiten zijn gebaseerd op het model VOER. Het model VOER heeft diverse elementen in zich, waardoor het informele werkplekleren van docenten (zoals lesbezoeken) geformaliseerd kan worden. Tijdens de sessie zullen zowel VOER als de (uitgevoerde) Ontwikkelactiviteiten besproken worden. Korte beschrijving

Middels VOER (de theoretische basis van de Ontwikkelactiviteiten) is het mogelijk dat docenten eigenaarschap houden over hun ontwikkeling, waarbij het leren ook op de werkplek plaatsvindt. VOER maakt het mogelijk om een voor docenten kort, bondig, praktisch en krachtig professionaliseringstraject direct en snel in te zetten. Tekst

Onderwerp

Het merendeel van de professionaliseringsactiviteiten van docenten kan worden gekarakteriseerd als meer traditionele vormen van nascholing, veelal niet op de werkplek gesitueerd en niet direct gericht op de specifieke problematiek in de eigen lespraktijk (Van Veen e.a. 2010).Dit terwijl het belang van het ontwikkelen van de persoonlijke professionaliteit van de docent op de werkplek juist in het onderzoek van Beijaard, Meijer, & Verloop (2004) naar voren komt als erg belangrijk bij het tegengaan van uitval bij startende leerkrachten.

VOER biedt de mogelijkheid om je als docent verder te professionaliseren op de eigen werkplek en ook om te werken aan de door de docent gestelde ontwikkelvraag.

Het model VOER (zie afbeelding)

Op de Alberdingk Thijm Scholen is VOER de basis van de Ontwikkelactiviteiten die die nieuwe docenten op de Alberdingk Thijm Scholen moeten uitvoeren.

VOER voldoet aan de eisen van effectieve professionalisering (Van Veen e.a. 2010):

De inhoud van de interventie heeft betrekking op de dagelijkse lespraktijk en nog specifieker op problemen met betrekking tot de vakinhoud, vakdidactiek en het leerproces van leerlingen in een specifiek vak.

Zelf actief en onderzoekend leren van leraren (zelf analyseren en construeren van problemen en oplossingen in verband met de lespraktijk).

Samen met collega’s leren.

Substantiele investering in tijd.

Samenhang met het schoolbeleid.

Context

De nieuwe docenten op de Alberdingk Thijm Scholen (PO/VO) volgen een inductieprogramma, waarbij Ontwikkelactiviteiten een rode draad vormen. VOER wordt ingezet als formeel middel, terwijl het de kenmerken bezit van informeel leren, namelijk (Admiraal, 2016):

de intrinsieke motivatie en de betrokkenheid bij de eigen ontwikkeling groter zijn,

het om betekenisvolle kennis en vaardigheden gaat,

er aansluiting is met de werkplek.

Doel

Het doel van de Ontwikkelactiviteiten is dat docenten goed ingewerkt worden op school, waarbij het ontwikkelen van een eigen professionele identiteit centraal staat.Middels de Ontwikkelactiviteiten leren de docenten ook de eigen school beter kennen,worden de scholen ook meer lerende organisatiesen hopen we het uitvalpercentage te verlagen.

Centrale uitdaging/ probleem en verloop van de practice

De ontwikkelactiviteiten zijn dit jaar gestart bij nieuwe docenten. Tot nu weten de docenten de activiteiten te vinden en kunnen ze de activiteiten ook uitvoeren. De uitdaging ligt in het in standhouden en verder implementeren van de ontwikkelactiviteiten (dus ook bij de zittende docenten).

Belangrijkste opbrengst

De docenten willen de leeropbrengsten in meerdere lessen inzetten en waarderen de ontwikkelactiviteiten.

Activering deelnemers tijdens presentatie

De presentatie volgt het model VOER. De deelnemers denken na een korte inleiding over wat ze willen leren van de presentatie (Voorbereiden), volgen de presentatie (Ontwikkelactiviteit), bedenken hoe ze het willen inzetten in hun eigen praktijk (Experimenteren) en tot slot reflecteren en evalueren ze de presentatie (Reflecteren). Hiervoor gebruiken we een google forms o.i.d..

Discussiepunt

In hoeverre is dit model ook werkzaam op andere scholen?

In hoeverre moet de leeropbrengst van ontwikkelactiviteiten meetbaar worden gemaakt?

Kwaliteit voor en ín de klas
Inductie, Ontwikkeling, Professionalisering

De kennis van startende leraren over effectieve studeerstrategieën

Onderzoekspresentatie: individueel61Tim Surma, Open Universiteit, HEERLEN

Emma de Jongzaal - tafel 1ma 15:45 - 17:15

Abstract

Leerlingen kunnen veel voordeel halen uit het gebruik van effectieve studeerstrategieën, zoals het spreiden van leermomenten (EN: spaced practice) en het ophalen van informatie uit het langetermijngeheugen (EN: retrieval practice). In dit onderzoek brachten we in kaart of beginnende leraren zich bewust zijn van deze effectieve strategieën, aangezien leraren een (zo niet de belangrijkste) bron zijn voor het geven van studeeradvies aan hun leerlingen. De aanbevelingen en beoordelingen van de effectiviteit van deze strategieën door meer dan 300 beginnende leraren werd onderzocht met dit grootschalig survey-onderzoek. De deelnemers beantwoordden eerst twee open vragen, gevolgd door keuzemogelijkheden met betrekking tot zeven studiescenario's. Tot slot beoordeelden ze 26 onderzoeksstrategieën op effectiviteit. De resultaten geven een gemengd bewijs voor de beoordeling van de studeerstrategieën die de leerprestaties van studenten effectief ondersteunen. Verschillende strategieën werden onderschreven en vaak aanbevolen in vergelijking met minder effectieve strategieën (bv. retrieval practice versus herlezen, gespreid leren versus stampen, dual coding versus single coding), maar sommige (bv. blocked practice versus interleaving, mindmaps versus versus retrieval practice) werden ten onrechte als effectiever beoordeeld. Bovendien raden leraren niet spontaan de meest effectieve studiestrategieën aan. Mogelijke implicaties en uitdagingen voor lerarenopleidingen worden besproken.

Korte beschrijving

De leraar is een belangrijke bron van advies over effectief leren en studeren. Bijleren is niet meer beperkt tot binnen de klasmuren omdat flexibel, levenslang leren steeds belangrijker wordt. Leerlingen koesteren echter vaak misconcepties over ‘leren’ en verwarren leren vaak met de momentane prestatie die ze leveren tijdens het studeren.

Tekst

Praktijk van waaruit geschreven

Dit onderzoek brengt in kaart in hoeverre lerarenopleidingen leraren informeren over effectieve studeerstrategieen (het zogenaamde ‘leren leren’).

Inleiding

De focus van onderwijs is altijd gericht geweest op het efficiënt en effectief leren van studenten. Ruim een eeuw onderzoek in de cognitieve psychologie heeft studeerstrategieën aan het licht gebracht die leiden tot duurzaam en effectief leren (zie Dunlosky, Rawson, Marsh, Nathan, & Willingham, 2013). Bovendien is het steeds belangrijker geworden om te weten hoe je het beste kunt studeren (d.w.z. hoe je het eigen leren kunt reguleren).

Theoretisch kader

Het is essentieel dat studenten nauwkeurige instructies en advies krijgen over empirisch gevalideerde studeerstrategieen. Een invloedrijke bron hiervoor is de leraar. Zo toonden Ariel en Karpicke (2017) dat instructie over hoe een effectieve studeerstrategie te gebruiken er toe leidde dat leerlingen deze strategie spontaan gebruikten. Van leraren in Nederland en België wordt ook verwacht dat zij na hun lerarenopleiding in staat zijn om de leerprocessen van studenten te begeleiden (zoals vermeld in competentieprofielen)

Uit Amerikaans onderzoek bleek dat essentiële informatie over effectief leren in het schriftelijk studiemateriaal van de lerarenopleiding onvoldoende aan bod komt (Pomerance, Greenberg, & Walsh, 2016). Dit werd gedeeltelijk gerepliceerd door Surma, Vanhoyweghen, Camp en Kirschner (2018) voor de Nederlandse en Vlaamse lerarenopleidingen. Morehead, Rhodes en Delozier (2016) voegden toe dat leraren dezelfde misverstanden over leren kunnen hebben als hun leerlingen: eigen ervaringen van leraar als student maken hen even vatbaar voor misverstanden (Kornell & Finn, 2016). Daarom is het belangrijk om te bepalen wat het basiskennisniveau van leraren is bij aanvang van hun onderwijscarrière.

Onderzoeksvraag

In deze studie is gekeken naar de studeeradviezen en de beoordeling van de effectiviteit door beginnende leraren in het voortgezet onderwijs en de mate waarin deze in overeenstemming zijn met cognitief onderzoek.

Methode

Meer dan 300 beginnende leraren (d.w.z. met maximaal één jaar onderwijservaring) namen deel aan het onderzoek. Er was geen response bias aangezien de deelnemers verplichte 'dagen voor startende leraren' bijwoonden. Ze vulden de paper-and-pencil-enquête in door twee open vragen te beantwoorden. Hierna lazen ze beschrijvingen van zeven hypothetische studeerscenario's, gebaseerd op McCabe (2016). Ze discrimineerden welke van de twee strategieën het meest effectief was. Tot slot beoordeelden ze de effectiviteit van 26 specifieke studeerstrategieën (McCabe, 2016).

Resultaten

De open vragen werden gecodeerd met een coding frame, gebaseerd op Dunlosky et al. (2013). De meest voorkomende antwoorden (74%) hadden betrekking op time-managementvaardigheden en het gebruik van schema's (bijv, mindmaps). De resultaten van de studeerscenario's gaven aan dat leraren veelal effectieve studeerrstrategieën kunnen onderscheiden van minder effectieve studeerstrategieën (zie tabel 1). Deze bevindingen werden bevestigd in de effectiviteitbeoordelingen in het laatste deel van de enquête. Een diepgaande clusteranalyse wordt uitgevoerd om na te gaan of er groepen leraren zijn die combinaties van leerstrategieën aanbevelen.

Actief betrekken

Deelnemers krijgen een selectie van de zeven studeerscenario’s gepresenteerd. Ze kunnen mee stemmen over de meest effectieve studeerstrategie.

Discussiepunt

Op welke manier kunnen lerarenopleidingen de ‘wetenschap’ van het leren explicieter integreren in hun curriculum. Lerarenopleidingen kunnen vanuit best-practices elkaar informeren.

Leraren van de toekomst: flexibele professionals
cognitieve wetenschap, leerstrategie, studeerstrategie

Goed zorgen voor startende leraren, dan blijven ze behouden voor onze scholen

Uitnodigende praktijkvoorbeelden77Annette Schaafsma, Marnix Academie, UTRECHT

Emma de Jongzaal - tafel 1ma 15:45 - 17:15

Abstract

Voor studenten die in deze tijd worden opgeleid tot leraar basisonderwijs liggen de banen voor het oprapen. Ze hebben de keuze uit vele vacatures en kunnen kritisch zijn. In het partnerschap van de Marnix Academie; Partners in Opleiding en Ontwikkeling zien we dat studenten die afstuderen eisen stellen aan de school waar ze gaan werken. Studenten vragen om een goede begeleiding als starter en weten waar ze die krijgen. In ons partnerschap leiden we goede leraren op en die willen we graag behouden voor onze scholen en daarom moeten we goed voor ze zorgen. Het partnerschap heeft een traject opgezet waarin we naast het samen opleiden van startbekwame leraren, ook gezamenlijk verantwoordelijk zijn voor de coaching en professionalisering van starters. In het partnerschap zijn Kwaliteitskaarten startende leraren ontwikkeld, bieden we masterclasses Young Professionals aan en er lopen verschillende trajecten Coach van starters. De ontwikkelde materialen worden ingezet op de scholen en op de Marnix Academie. Een (opleidings)school met een lerende cultuur biedt ruimte voor professionalisering, een goede begeleiding aan de studenten en coaching voor de starter.

Tijdens de bijeenkomst wisselen we ervaringen uit. Daarbij zijn voorbeelden van de Marnix Academie het uitgangspunt, maar andere good practices zijn van harte welkom.

Korte beschrijving

Leraren van de toekomst zijn nooit uitgeleerd en blijven zich ontwikkelen. Het is belangrijk dat we studenten die afstuderen niet het gevoel geven dat ze “klaar” zijn, maar dat we ze coachen en blijven uitdagen zich verder te professionaliseren.

Tekst

Goed zorgen voor startende leraren, dan blijven ze behouden voor onze scholen.

Context

Voor studenten die in deze tijd worden opgeleid tot leraar basisonderwijs liggen de banen voor het oprapen. Ze hebben de keuze uit vele vacatures en kunnen kritisch zijn. In het partnerschap van de Marnix Academie; Partners in Opleiding en Ontwikkeling zien we dat studenten die afstuderen eisen stellen aan de school waar ze gaan werken. Veel studenten vragen om een goede begeleiding als starter en ze weten waar ze die krijgen. In ons partnerschap leiden we goede leraren op en die willen we graag behouden voor onze scholen en daarom moeten we goed voor ze zorgen. Het partnerschap heeft een traject opgezet waarin we naast het samen opleiden van startbekwame leraren, ook gezamenlijk verantwoordelijk zijn voor de coaching en professionalisering van starters. In het partnerschap zijn Kwaliteitskaarten startende leraren ontwikkeld, bieden we masterclasses Young Professionals aan en er lopen verschillende trajecten Coach van starters. De ontwikkelde materialen worden ingezet op de scholen en op de Marnix Academie. Een (opleidings)school met een lerende cultuur biedt ruimte voor professionalisering, een goede begeleiding aan de studenten en coaching voor de starter. Doel Na de bijeenkomst hebben de deelnemers van gedachten gewisseld over de begeleiding van starters in het licht van het lerarentekort en de kwaliteit van de leraar.

Centrale uitdaging/probleem en verloop van de practice

Deelnemers wisselen ervaringen met en voorbeelden van begeleiding van starters uit. Daarbij zijn de voorbeelden van de Marnix Academie en haar partners het uitgangspunt, maar andere good practices zijn van harte welkom. Het zal gaan om concrete voorbeelden, ervaringen en dilemma’s.

Belangrijkste opbrengst

Tijdens de bijeenkomst wordt actief kennis gedeeld op het gebied van goede condities voor startende leraren.

Activering deelnemers

Uitwisseling van ervaringen aan de hand van de gepresenteerde voorbeelden en eigen voorbeelden van de deelnemers.

Discussiepunt

Juist nu er sprake is van een lerarentekort is de begeleiding noodzakelijk omdat er een grotere druk ligt op de starter, maar de begeleiding staat onder druk door het tekort aan leraren, de tijd voor coaching ontbreekt.

Bronnen: Berg, D. van den ( 2011). De begeleiding van startende leraren Een (inter)nationale verkenning. Den Haag: CAOP Research

Commissie Meijerink (2012). Een goede basis. Advies van de commissie kennisbasis Pabo. Den Haag: HBO-raad.

Schram, E, Meer, F. van der & Os, S van (2013). Omgaan met verschillen (g)een kwestie van maatwerk, SLO.

Snoek, M. & Rossum, B. Van (2016). Goede condities voor startende leraren, steunpunt opleidingsscholen.

Kwaliteit voor en ín de klas
Coachen van startende leraren, Doorgaande leerlijnen

Van theorie naar praktijk: een teacher identity-lijn in het studieloopbaanprogramma

Uitnodigende praktijkvoorbeelden108Ella Ait-Zaouit, Lotte Lathouwers, Fontys Lerarenopleiding Sittard, SITTARD

Emma de Jongzaal - tafel 2ma 15:45 - 17:15

Abstract

Uit het literatuuronderzoek, als onderdeel van het promotieonderzoek van één van de sprekers, blijkt dat er meer expliciete aandacht moet worden besteed aan de beroepsidentiteitsontwikkeling van leraren in wording. De toelichting hierop is hoe sterker het beeld van hun ‘teacher identity’, hoe meer afgewogen hun vakdidactische en pedagogische keuzes zullen zijn. In het kort, bestaat je beroepsidentiteit uit en wordt continu gevormd door jouw sociale, culturele, historische en schoolcontext. Jouw beroepsidentiteit bestaat ook uit sub-identiteiten en zelven en wordt iemands ‘teacher identity’ ook continu gevormd door verbale interactie en het handelen van de leraar. Vanuit onze instituuts-visie streven wij ernaar om autonome leraren op te leiden die zelfbewust keuzes kunnen maken en hierbij is het van belang onder andere te weten wie je bent, waar je voor staat en binnen welke educatieve omgevingen jouw kernkwaliteiten tot hun recht komen. Kijkend naar ons curriculum werd er naar onze mening te weinig gedaan aan de ontwikkeling van de beroepsidentiteit van onze studenten. Dit resulteerde in een ‘teacher identity-lijn’ in ons SLB- programma. Tijdens deze presentatie delen we hoe we deze teacher identity-lijn invulling hebben gegeven, laten we voorbeelden van studenten zien en delen we ervaringen tot nu toe.

Korte beschrijving

Met de teacher identity- leerlijn stimuleren we de toekomstige leraren om te reflecteren op hun eigen opvatting van hun beroepsidentiteit en hoe deze in verschillende praktijken tot uiting kan komen. Vaardigheden als autonomie, handelen naar eigen identiteit en kritische zelfreflectie zijn belangrijke 21st century skills voor leraren en leerlingen.

Tekst

Uit onderzoek blijkt dat het toepassen van geleerde theorieën in het onderwijs één van de grootste uitdagingen voor leraren in opleiding en beginnende docenten is (Johnson, 2006; Liao & Zhao, 2012; Savignon, 1983). Dit wordt ook beaamd door leraren in opleiding die frequent aangeven dat ze tijdens het werkplekleren spanningen voelen tussen hun persoonlijke ideale manier van lesgeven en de verwachtingen van hun werkplekbegeleider op de stageschool. Om aan de gestelde eisen te kunnen voldoen geven de leraren in opleiding aan, hun lesgeefstijl aan het gewenste beeld aan te passen. Ze ontwikkelen als het ware een ‘rationalised identity’ (Namaghi, 2009). Dit betekent dat de leraren in opleiding hun aangepaste manier van lesgeven (die vakdidactische of pedagogische theorieën kan verwerpen) goedpraten met als doel een beroepsidentiteit op zich te nemen die past binnen hun schoolomgeving(en). Binnen onze lerarenopleiding streven wij ernaar onze studenten te stimuleren om te onderzoeken wie zij werkelijk (willen) zijn als leraar en hoe ze hun eigen opvattingen van hun ‘teacher identity’ kunnen navigeren naast wat van hen wordt verwacht op de lerarenopleiding en op het werkveld. Als gevolg van het literatuuronderzoek, verricht door een van de sprekers, hebben wij een teacher identity-leerlijn opgezet binnen ons studieloopbaanprogramma om studenten bewuster te maken van hun beroepsidentiteit en zodanig meer afgewogen vakdidactische en pedagogische keuzes te maken in hun lessen. De leerlijn volgt de ontwikkeling van de ‘ideal, actual en expected self’ van de studenten. Het is van belang dat er continue wordt gereflecteerd op de mogelijke spanningen tussen de drie zelven (Beauchamp en Thomas, 2009; Goodson and Cole, 1994). Met ons programma stimuleren wij studenten om vanaf jaar 1 te reflecteren op hun ‘teacher identity’, beginnend met hun ideaalbeeld en werkend naar hun besef van hun beroepsidentiteit in relatie tot schoolcontexten, om hen hopelijk op deze manier beter voor te bereiden op het reflecteren op en expliciteren van toekomstige identiteitsspanningen die zij kunnen ervaren. De praktische invulling van onze teacher identity-leerlijn zal tijdens deze presentatie besproken worden. Verder zijn onze huidige vierdejaars studenten het eerste cohort dat deze teacher identity-lijn volledig heeft doorlopen en zullen wij hun ervaringen ook delen. Deelnemers worden uitgenodigd te participeren tijdens de uitleg van de ‘ideal, actual, expected self’ wanneer zij gevraagd zullen worden om samen met een partner kort te reflecteren op hun eigen zelven en we zullen op het einde een discussievraag presenteren, die luidt: Met het oog op leraren opleiden tot flexibele professionals voor verschillende onderwijslandschappen is het stimuleren van beroepsidentiteitsontwikkeling van groot belang. In welke mate betekent dit dat lerarenopleiders toekomstige docenten meer autonomie moeten geven in de keuzes die zij in hun beroep maken?

Leraren van de toekomst: flexibele professionals
Studieloopbaanbegeleiding, Teacher identity, Zelfreflectie

Professionele identiteit: waarom, wat en waartoe?

Uitnodigende praktijkvoorbeelden129Gerjon Elings, Hogeschool Inholland, ROTTERDAM

Emma de Jongzaal - tafel 2ma 15:45 - 17:15

Abstract

Leraren van de toekomst blijven hun leven lang leren. Dit vraagt om schoolleiders die dit stimuleren. Ook leraren kunnen leiden. Wie invloed uitoefent kan per situatie verschillen, afhankelijk van de expertise die op dat moment nodig is. Binnen de Master Leren en Innoveren van Inholland, de Master Educational Leaderschip en de schoolleidersopleidingen van Penta Nova werken professionals aan hun visieontwikkeling (de “waarom-vraagstukken”) en aan professionele identiteitsvraagstukken (“wat voor een (school)leider wil je zijn en welk gedrag past daarbij?”) Studenten formuleren handelingsalternatieven op basis van theoretische inzichten uit de opleiding en experimenteren met andere gedragingen die gericht zijn op het uitoefenen van invloed, met als doel het bevorderen van een lerende en onderzoekende cultuur op scholen. In deze presentatie geven we antwoorden op mogelijke vragen als: wat vraagt het van ‘educatieve leiders’ om als persoon en als professional collega’s te inspireren en te ondersteunen? Welke constructieve en effectieve didactiek stimuleert deze groei, reflectie en motivatie van educatief leiders om (nieuwe) vragen te stellen en zaken uit te proberen in de eigen context? Op welke wijze kun je als begeleider de studenten empoweren (ondersteunen bij het (groeiend) bewustzijn dat hij/zij van groot belang is het verschil kan maken als (educatief) leider?

Korte beschrijving

Educatieve leiders kunnen kritisch denken en reflecteren en daardoor hun leren zelf reguleren, zodat zij kunnen inspelen op voortdurende veranderingen in hun dynamische onderwijscontext. Door dit in de opleidingspraktijk met elkaar ‘te doen’ in een veilige context, leren zij hoe ze dit in hun eigen schoolontwikkeling kunnen inzetten.

Tekst

Onderwerp: werken aan professionele identiteit

Context

Een van de opleidingsdidactische uitgangspunten van de opleidingen MLI, MEL en opleidingen voor schoolleiders is dat de professional leert aan de hand van eigen beroepsvraagstukken en dilemma’s. Een persoonlijke beroepsvraagstuk is uitdagend, beroepsrelevant (actueel, betekenisvol en authentiek), een vraagstuk waarbij de studenten een afgebakend geheel van kennis-, beroepsvaardigheids- en houdingaspecten moet inzetten om tot antwoorden te komen. Naast het aanbieden en verwerven van vaardigheden- kwalificatie- is het onderwijs gericht op een proces van socialisatie en van subjectivering of persoonsvorming. Bij de ‘persoonlijke leerlijn’ van onze opleidingen richten we ons op het ontwikkelen van een beroepsidentiteit waarbij de ontwikkeling als persoon en de ontwikkeling als professional geïntegreerd wordt.

Doel

In deze presentatie laten we binnen de verschillende opleidingen zien hoe we een verbinding maken tussen de persoon en de professional van de educatief leider. Wat zijn de doelen van een ‘persoonlijke leerlijn’? Wat levert het onze studenten in de praktijk op als het gaat om hun eigen functioneren? Hoe werken we hiermee in de praktijk van de verschillende opleidingen?

Belangrijkste opbrengst

Inzicht in het belang van een persoonlijke leerlijn binnen de opleidingen en inspiratie om als opleiding zelf vorm en inhoud aan een dergelijke lijn te kunnen geven.

Activering deelnemers tijdens de presentatie

Door middel een interactieve presentatie ervaren de deelnemers enkele ingrediënten van de persoonlijke leerlijn.

Discussiepunt

Hoe kun je de samenwerking tussen de praktijkcontext en het instituut versterken, wanneer je werkt aan de professionele identiteit?

Leraren van de toekomst: flexibele professionals
Professionele identiteit, Reflecteren

De persoonlijke professionele identiteit van leraren-in-opleiding ontwikkelen en beoordelen

Uitnodigende praktijkvoorbeelden152Klaas van der Laan, Hogeschool van Amsterdam, AMSTERDAM

Emma de Jongzaal - tafel 2ma 15:45 - 17:15

Abstract

Aan de Faculteit Onderwijs en Opvoeding van de Hogeschool van Amsterdam is een nieuw assessment geïntroduceerd, gericht op de persoonlijke professionele ontwikkeling van aanstaande leraren. Studenten ontwikkelen hun professionele identiteit niet alleen door het zich eigen maken en in praktijk brengen van de voorgeschreven bekwaamheden; het is juist de persoonlijke kant van hun professionele identiteit die de aanzet geeft tot deze ontwikkeling (Pinnegar, 2005 in Beijaard, 2016). Docenten die een goed beeld hebben van hun professionele identiteit zullen bovendien gemakkelijker doorgroeien in het beroep van docent.

Studenten worden uitgenodigd hun persoonlijke verhaal te vertellen, hierin dilemma’s te onderkennen en hierover in dialoog te gaan met elkaar en met de docent. Wij willen hen zo ondersteunen in hun zoektocht naar hun professionele identiteit. Dit is een noviteit in de opleidingspraktijk en vraagt van iedereen, student, docent en assessor, een andere, nieuwe kijk op professionele ontwikkeling.

Na een korte presentatie van de huidige opleidingspraktijk willen we in uitwisseling met de deelnemers op zoek naar de manier waarop we onze studenten kunnen ondersteunen bij het ontwikkelen van hun professionele identiteit. Ook willen we kunnen vaststellen of dit is gelukt, in welke mate dit is gelukt, en hoe we dat kunnen beoordelen.

Korte beschrijving

Door expliciet aandacht te besteden aan de ontwikkeling van de professionele identiteit van onze studenten hopen we veerkrachtige, flexibele leraren op te leiden die beter zijn voorbereid op het onderwijs van de toekomst.

Tekst

- Onderwerp;

Hoe kunnen we de persoonlijke professionele identiteit van leraren-in-opleiding ontwikkelen en beoordelen?

- Context;

Op basis van feedback uit accreditatie, waarin dubbelingen in het beoordelen van de bekwaamheden werden benoemd, is aan de FOO van de Hogeschool van Amsterdam een nieuw assessment geïntroduceerd gericht op het beoordelen van de Persoonlijke Professionele Ontwikkeling (PPO) van aanstaande leraren, naast het toetsen van de bekwaamheden tijdens het werkplekleren. De inhoud en vorm van de assessments zijn opnieuw bekeken en deze herwaardering heeft geleid tot een nieuw ontwerp. Uitgangspunt is niet langer een integrale beoordeling, maar is het beoordelen van de persoonlijke professionele ontwikkeling (PPO) van de student als apart onderwerp.

Studenten worden uitgenodigd hun persoonlijke verhaal te vertellen, hierin dilemma’s te onderkennen en hierover in dialoog te gaan met elkaar en met de docent. Wij willen hen zo ondersteunen in hun zoektocht naar hun professionele identiteit. Dit is een noviteit in de opleidingspraktijk en vraagt van iedereen, student, docent en assessor, een andere, nieuwe kijk op professionele ontwikkeling. Er zijn dan ook nog veel vragen waarop we samen een antwoord zoeken.

- Doel;

Deelnemers uitnodigen vragen, twijfels, commentaar aan opleiders en studenten te stellen. M.a.w. met ons de dialoog aan te gaan vanuit eigen nieuwsgierigheid, vragen, eigenwijsheid, etc.

Is het wel precies duidelijk wat we beogen?

Welke veronderstellingen zitten hierin? Hoe terecht zijn deze? Kun je deze betwijfelen?

Wat moet er nog meer gebeuren om dit waar te maken?

- Centrale uitdaging/probleem en verloop van de practice;

Als persoonlijke identiteit een noodzakelijk onderdeel is van het leraarschap, hoe kunnen we dan leraren in opleiding ondersteunen deze te ontwikkelen? En hoe kunnen we vaststellen dat deze ontwikkeling heeft plaatsgevonden, in welke mate en hoe kunnen we dat beoordelen?

Hoe stimuleren en beoordelen we de ontwikkeling van persoonlijke professionaliteit?

Welke aspecten / curriculumonderdelen zorgen ervoor dat studenten aan deze ontwikkeling gaan werken?

Aan welke voorwaarden moet worden voldaan om studenten aan te zetten tot het ontwikkelen van hun professionele identiteit (bijvoorbeeld door het oproepen van ‘contructieve frictie’ (Beijaard, red).

- Belangrijkste opbrengst;

Specifieke aandacht voor het ontwikkelen van de professionele identiteit van de student.

Nieuwe of aangescherpte vragen en ontwikkeldoelen (door het oproepen van spanningen/ constructieve frictie)

- Activering deelnemers tijdens presentatie;

Na korte presentatie (5 min) worden deelnemers uitgenodigd om in kleine groepen opleiders en studenten te bevragen.

Uit de rapportage van de groepjes hopen we ontwikkelpunten te kunnen distilleren: Waar zitten de problemen en wat is de moeite waard om verder te ontwikkelen/uit te zoeken?

Leraren van de toekomst: flexibele professionals
assessments

Wereldburgerschap in een hervormd secundair onderwijs en aan een vernieuwde lerarenopleiding

Workshop130Hannelore Verstappen, UC Leuven-Limburg, HEVERLEE

Frontma 15:45 - 17:15

Abstract

Een globaliserende wereld heeft nood aan kritische, empathische en democratisch ingestelde burgers met een sterke, maar open en gelaagde identiteit. In wereldburgerschapseducatie staat het ontwikkelen van universele - maar weinig vanzelfsprekende - waarden als respect, tolerantie en pluralisme centraal. Het voorbije decennium is door beleid en heel wat organisaties sterk ingezet op deze wereldburgerschapscompetenties. Toch blijft zowel de verankering in de schoolwerking als vaak ook een kwalitatieve pedagogisch-didactische aanpak voor heel wat scholen moeilijk.

Binnen de lerarenopleidingen Bachelor Secundair Onderwijs van UC Leuven Limburg (UCLL) werd een Praktijkgericht Wetenschappelijk Onderzoek (PWO) opgezet rond wereldburgerschap. In acht secundaire scholen en twee lerarenopleidingen engageerden telkens een vijftal leraren/lectoren zich in een Professionele Leergemeenschap (PLG) per school. In deze PLG’en gingen ze aan de slag met wereldburgerschapsthema’s als migratie, oorlog, mensenrechten, wereldhandel, consumptie, dierenrechten, gender, diversiteit, … Ze dachten na over hoe ze deze thema’s sterker konden verankeren in hun schoolwerking en over hoe ze projecten en lessen met impact konden ontwerpen. Literatuur werd daarbij afgetoetst aan de praktijk. Deze samenwerking resulteerde in een ontwerpkader, lesmaterialen en leerlijnen die het mogelijk maken om whole school en transformatief te werken aan wereldburgerschap. Daarnaast werd er binnen de UCLL een leerlijn ‘Wereldburgerschap’ ontwikkeld.

Korte beschrijving

Dit praktijkonderzoek koos voor collaboratief actieonderzoek als onderzoeksmethode.In deze vorm van praktijkonderzoek doorlopen gemotiveerde betrokkenen samen met de onderzoeker een welomlijnd onderzoeksproces.

Zowel maatschappelijk als beleidsmatig wordt het belang van wereldburgerschapscompetenties onderstreept. Er is een sterke vraag naar pedagogisch-didactische handvaten en good practices voor wereldburgerschapseducatie.

Tekst

Praktijk van waaruit ingediend

Wanneer leerlingen geacht worden wereldburgers te zijn, is het noodzakelijk dat ook leerkrachten opgeleid worden tot wereldburgers. De vraag naar wereldburgerschapseducatie impliceert tevens pedagogisch-didactisch een transitie die zowel in het secundair onderwijs als aan de lerarenopleiding een uitdaging vormt. Om hieraan tegemoet te komen hebben de lerarenopleidingen Bachelor Secundair Onderwijs van UC Leuven Limburg (UCLL) een leerlijn Wereldburgerschap ontwikkeld, die huidig academiejaar (2018-2019) een eerste keer draait.

Onderwerp Deze leerlijn werd ontwikkeld in het kader van het praktijkonderzoek (2017-2019) ‘GLOBAL CITIZENSHIP EDUCATION, VERANKERING VAN WERELDBURGERSCHAP IN EEN HERVORMD SECUNDAIR ONDERWIJS EN AAN EEN VERNIEUWDE LERARENOPLEIDING.’

Via deskresearch en Professionele Leergemeenschappen (PLG’en) in twee lerarenopleidingen en acht secundaire scholen ontwikkelt de PWO aangepaste lesmaterialen en leerlijnen die het mogelijk maken om transformatief en whole-school te werken aan wereldburgerschapscompetenties, zowel aan de lerarenopleiding als in het secundair onderwijs.

Dit onderzoek wil een antwoord bieden op volgende onderzoeksvragen:

Hoe kunnen scholen werken aan een whole-school approach voor wereldburgerschap?

Hoe kunnen leerkrachten transformatief werken aan wereldburgerschap met hun leerlingen?

Hoe effectief is een PLG-werking als innovatiestrategie?

De PWO hanteert een participatieve onderzoeksmethode door het werken in PLG’en. PLG’en zijn groepen van 4 tot 6 professionals met verschillende achtergronden (leraren, onderzoekers, studenten, experten). PLG’en worden gekenmerkt door: (1) gedeeld leiderschap, (2) gedeelde waarden, (3) collectief leren, (4) gedeelde praktijk en (5) ondersteunende voorwaarden. (Huffman en Hipp, 2003). Collaboratief leren en “intentional disruption” staan centraal in hun werking. Volgens Steven Katz zijn PLGs een effectieve strategie om innovatie op scholen mogelijk te maken. (Katz, 2009)

Context

Dit praktijkonderzoek sluit sterk aan bij de beleidsprioriteiten van de Vlaamse overheid. Decretaal onderschrijft de Vlaamse overheid zowel voor leraren als voor lerarenopleiders het belang van burgerschapscompetenties. Volgens het beroepsprofiel van de leraar moet de leraar als cultuurparticipant ‘actuele thema’s en ontwikkelingen onderscheiden en kritisch benaderen op verschillende domeinen.’ Het recent geactualiseerde Ontwikkelingsprofiel (Mets, 2015) stelt dat lerarenopleiders een ‘voorbeeldfunctie’ hebben. Ze dienen ‘kritisch’ en met een ‘open geest’ na te denken over evoluties in de samenleving.

Daarnaast speelt dit onderzoek in op de vraag naar invulling van de nieuwe eindtermen voor het Secundair Onderwijs in Vlaanderen. Burgerschap is één van de 16 sleutelcompetenties waarbinnen de eindtermen geformuleerd worden en zorgt voor een duidelijk antwoord op hedendaagse uitdagingen.

Doel

Deze workshop wil informatie aanbieden over de kenmerken en werking van PLG’en alsook de ontwikkelde materialen ter discussie voorleggen. Daarnaast komt ook aan bod hoe twee lerarenopleidingen secundair onderwijs van de UC Leuven-Limburg een leerlijn wereldburgerschap op een participatief-onderzoekende manier hebben uitgewerkt. De gekozen doelstellingen, leerinhouden, werkvormen en evaluatie worden grondig toegelicht. Bovendien hopen we tot een expertisedeling te komen, waarbij deelnemers hun ervaringen kunnen uitwisselen

Activering deelnemers en organisatie workshop

Na een introductie van het onderzoek en de onderzoeksbenadering zullen het uitgewerkte kader, leerlijnen en lesmaterialen in kleine groepen ter discussie voorgelegd worden.

Discussiepunt

De onderzoeksresultaten zijn gebaseerd theoretische inzichten, interactie met experten en de praktijk. Deze workshop biedt de kans om resultaten te delen alsook input te verwerven en praktijkervaringen uit te wisselen.

Maatschappij van morgen: diversiteit en urban education
professionele leergemeenschappen, wereldburgerschapseducatie

Real time coachen op de werkplek met de 'Ear Coach for Teachers'

Workshop72Maurice Smeets, Fontys Lerarenopleiding Sittard, SITTARD

Hofkens HIG Foyerma 15:45 - 17:15

Abstract

In deze workshop gaan deelnemers actief aan de slag met de Ear Coach, een app om aanstaande en beginnende leraren tijdens de les te coachen. Met behulp van de Ear Coach kunnen begeleiders op de werkplek aanstaande en beginnende leraren feedback geven zonder de les te verstoren. Ze maken daarbij gebruik van hun eigen smartphone of tablet. Vooraf maken de begeleider en de leraar afspraken over leerdoelen waarop gecoacht wordt. Lees meer op http://www.earcoach.nl/ en download de Ear Coach gratis in de App Store of Google Play door te zoeken op ‘earcoachforteachers‘.

Korte beschrijving

In deze workshop gaan deelnemers actief aan de slag met de Ear Coach, een app om aanstaande en beginnende leraren tijdens de les te coachen. Lees meer op http://www.earcoach.nl/ en download de Ear Coach-app gratis in de App Store of Google Play door te zoeken op ‘earcoachforteachers‘.

Tekst

In deze workshop gaan deelnemers actief aan de slag met de Ear Coach, een app om aanstaande en beginnende leraren tijdens de les te coachen. Met behulp van de Ear Coach app kunnen begeleiders op de werkplek aanstaande en beginnende leraren feedback geven zonder de les te verstoren. Ze maken daarbij gebruik van hun smartphone of tablet en een electronisch oortje.

Meestal geeft een begeleider aanstaande en beginnende leraren feedback vóór of na de onderwijsactiviteiten. Dit veronderstelt dat leraren rationeel en bewust handelen in een les en dat ze hun doen en laten voor- of achteraf kunnen verwoorden en uitleggen. Maar veel onderwijsgedrag vindt helemaal niet zo weloverwogen plaats: in de klas moet je vaak onmiddellijk reageren en heb je geen tijd om lang na te denken over wat je doet.

Daarom hebben we binnen het samenwerkingsverband Academische Opleidingsschool Limburg (AOSL) een app ontwikkeld waarmee begeleiders aanstaande en beginnende leraren ‘real time’ kunnen coachen, dus tijdens de les. De gecoachte leraar draagt een draadloos ontvangertje (een 'oortje') en de begeleider, die achter in de klas zit, typt op een tablet of smartphone feedbackberichten in, in de vorm van signaalwoorden. De app zet die woorden om in een kort audiobericht: zo kan de leraar gewoon doorgaan met lesgeven.

Vooraf maken de begeleider en de leraar afspraken over leerdoelen waarop gecoacht wordt. App en oortje zijn getest op twintig AOSL-scholen. Zowel leraren in spe als begeleiders vinden ze waardevol in gebruik. De eersten noemen als voordeel dat ze direct hun gedrag kunnen aanpassen in plaats van te moeten wachten tot een volgende les. Het oortje geeft hun bovendien het gevoel dat ze er niet alleen voor staan. De Ear Coach is geen vervanging van feedback en reflecties voor- of achteraf, maar is er wel een belangrijke aanvulling op. Lees meer op http://www.earcoach.nl/. Download de Ear Coach-app gratis in de App Store of Google Play door te zoeken op ‘earcoachforteachers‘. We gaan in de workshop aan de slag in drietallen en zetten daarbij de volgende stappen:

1. Indeling en kennismaking in drietallen (5)

2. Achergrondinformatie over Ear Coach (10)

3. Gebruiksinstructie app (15)

4. Zelf coachen en gecoacht worden met de Ear Coach (30)

5. Inventariseren en bespreken van ervaringen (20)

6. Discussie en afronding (10)

Kwaliteit voor en ín de klas
begeleiden op de werkplek, real time coachen

Van onderwijs ondernemerschap maken

Uitnodigende praktijkvoorbeeldenINVITED MBO 160Suzanne Broeders, Bart Hermsen, Koning Willem I College

Jupilerzaal ZAALma 15:45 - 17:15

Waarom doen we wat we doen?

We leven in een veranderende wereld. En deze wereld verandert in een hoog tempo! Er ontstaan steeds nieuwe beroepen, ideeën en innovaties. Nieuwe technologieën en werkwijzen bepalen het tempo en het nieuwe landschap. Netwerkorganisaties, werken als startup en ontwikkelen van cross-overs zijn aan de orde van de dag. Dit verdiend aandacht in onderwijs. Daarom verbreden en verdiepen wij het toekomstperspectief van studenten en medewerkers, bieden een podium om expertise uit te wisselen en een netwerk van diversiteit waarin onderwijs, overheid en ondernemers elkaar ontmoeten en samen aan de slag gaan.

Daarom is het tijd om van het onderwijs ondernemerschap te maken!

Hoe doen we dat?

Studenten krijgen de mogelijkheid om te werken als een startup. Dit betekent dat ze dagelijks mogen bouwen, meten en leren volgens de Lean startup methode. Ze zetten hun (specifieke) expertise in en wisselen kennis uit; een echte netwerkomgeving. Steeds weer experimenteren en valideren ze hun creatieve ideeën en gaan ze partnerschappen aan met elkaar, met ondernemers en met overheid. Hun (soms wilde) ideeën worden gevormd vanuit de principes van Effectuation tot een pitch en het podium (wat ze zelf leren creëren) biedt de kans om ze ook uit te voeren. Zo werken ze aan zichzelf als ondernemer en aan beroepen van morgen en is er alle ruimte voor Aandacht, Ambiance en Ambitie.

De Lean startup methode wordt ingezet als didactisch model. Deze methode van build, measure, learn is de basis om kennis, vaardigheden en houding aan te leren aan studenten en medewerkers. Als pedagogisch model gebruiken we de principes van Effectuation. Deze vijf principes beïnvloeden de ‘opvoeding’ en ontwikkeling van de student. Ze drijven het ondernemend handelen

Wat doen we dan?

In ONDERWIJSPROGRAMMA’S

- Aanbieden van eenjarige specialistenopleiding niveau 4 ‘Vakman ondernemer’

- Studentbedrijven begeleiden (afdeling ‘Handel en Commercie)

- Interdisciplinair project sector economie faciliteren

- Keuzedelen rondom ondernemerschap aanbieden en ontwikkelen

EXCELLENTIEPROGRAMMA STARTUPS

- TopOndernemers: business coaching studentstarters

- Cursus ondernemerschap aanbieden

- Sales abroad: verkoopprojecten in het buitenland

PEDAGOGIEK EN DIDACTIEK

- Lean denken en Effectuation uitdragen en aanleren (methode en materiaal)

- we creëren een podium voor waardevolle ideeën (fysiek en digitaal)

NETWERKORGANISATIE

- We bieden een fysieke inspirerende ruimte bieden ‘Ondernemen op zolder’ (zie bijlage)

- We stellen ons netwerk beschikbaar: ondernemers en andere partners (regio)

- Ondersteunen bij het creëren van een platform (o.a. Community of Practice)

Anders organiseren van onderwijs: wat en hoe

Door video-opnames regie over eigen leren – wat betekent dat voor de lerarenopleider?

Workshop74Meike Broecheler, Marnix Academie, UTRECHT

MK2zaalma 15:45 - 17:15

Abstract

De Marnix Academie is gestart met een leerlijn waarin studenten leren om met elkaar beeldopnames van hun praktijkervaringen te analyseren, onafhankelijk van een expert of pabo-docent. Door hen deze “tool” in handen te geven kunnen ze regie nemen over hun eigen leren, ook na de opleiding, wat hen tot flexibele en wendbare professionals maakt.

De leerlijn is, vervlochten in verschillende modules, ingebed in het curriculum en loopt door de hele studie heen. Het werken met deze leerlijn vraagt niet alleen een nieuwe houding en nieuwe vaardigheden van studenten, maar ook van docenten. Het vraagt van docenten om te leren om de regie meer uit handen te geven en een andere rol aan te nemen tijdens de les. Dit raakt aan je professionele identiteit. Parallel aan de implementatie van de leerlijn loopt daarom een scholingstraject voor de betrokken docenten, waarin dit aan bod komt.

Na de workshop heb je inzicht in hoe de leerlijn is opgebouwd en ingebed in het curriculum. Ook heb je ervaren wat het werken met deze leerlijn vraagt van docenten (en studenten).

Korte beschrijving

Wendbare en weerbare leerkrachten kunnen regie nemen over hun eigen leren. Studenten moeten dit dus leren. Dit vraagt een andere rol en houding van lerarenopleiders dan veelal gebruikelijk is. Makkelijker gezegd dan gedaan. In deze workshop nemen we je mee in een leerlijn en docententraining die hierin voorziet.

Tekst

Praktijk van waaruit wordt ingediend: Pabo deeltijdopleiding Marnix Academie, Utrecht

Onderwerp:

Studenten leren om meer regie te nemen over het eigen leren, ook na de opleiding. Dat is wat we willen bereiken. Wat hebben studenten daarvoor nodig? In ieder geval tools die hen helpen dat eigen leren vorm te geven. We geloven dat het leren werken met videobeelden, zo’n tool is. Het is een krachtig én praktisch instrument om de professionalisering van leerkrachten te faciliteren (Brouwer, 2007). Dus wanneer we leraren leren om hun eigen beelden te analyseren geven we hen een krachtige tool in handen. Maar hoe doen we dat? Dat laten we je graag zien tijdens deze workshop. Daarnaast laten we je graag ervaren wat dit van jou vraagt als lerarenopleider. En op welke manier dit past bij of schuurt met je professionele identiteit.

Context:

De Marnix Academie is gestart met een doorlopende leerlijn waarin studenten leren om met elkaar beeldopnames van hun praktijkervaringen te analyseren en elkaar te ondersteunen bij reflectie en betekenisgeving, onafhankelijk van een expert of pabo-docent. Door studenten op deze manier regie te geven over hun eigen leren, kunnen ze ook na de opleiding blijven leren. De leerlijn is, vervlochten in verschillende modules, ingebed in het curriculum en loopt door de hele studie heen.

Met dit project beogen we antwoord te geven op twee belangrijke vraagstukken in het opleiden van studenten: een betere integratie van hun praktijkervaringen in de opleiding en studenten toerusten om ook na hun opleiding, met collega’s, te blijven leren in de praktijk.

Het werken met deze leerlijn vraagt niet alleen een nieuwe houding en nieuwe vaardigheden van studenten, maar ook van docenten. Het vraagt van docenten om te leren om de regie meer uit handen te geven en een andere rol aan te nemen tijdens de les. In hoeverre past deze manier van lesgeven binnen je professionele identiteit en de identiteit van je collega’s? Parallel aan de implementatie van de leerlijn loopt daarom een scholingstraject voor de betrokken docenten, waarin dit aan bod komt.

Doel:

Na de workshop heb je inzicht in hoe de leerlijn is opgebouwd en ingebed in het curriculum. Ook heb je ervaren wat het werken met deze leerlijn vraagt van docenten (en studenten).

Activering deelnemers en organisatie workshop:

In deze workshop wordt input over ontwikkeling, implementatie en bijbehorende docentenscholing van de leerlijn afgewisseld met opdrachten waardoor deelnemers elementen van de leerlijn kunnen ervaren. We zoomen in op de veranderende positie van de lerarenopleider, van expert naar procesbegeleider, en onderzoeken met elkaar wat dat van onszelf vraagt.

Discussiepunt:

Wat vraagt het geven van meer regie aan studenten van jou als docent?

Leraren van de toekomst: flexibele professionals
beeldbegeleiding, professionele identiteitsontwikkeling

Van nascholen naar samen scholen. Hoe leraren van de toekomst leren in professionele netwerken

Uitnodigende praktijkvoorbeelden105Edmée Suasso de Lima de Prado, Partnerschap Twente-Saxion, ENSCHEDE

Proosdijzaal (HC)ma 15:45 - 17:15

Abstract

Dit uitnodigende praktijkvoorbeeld betreft Kennisnetwerk Twente, een uniek Partnerschap van zeventien schoolbesturen PO, ROC van Twente, mobiliteitscentrum Twente (ObT) en Saxion Pabo Enschede. De participerende organisaties hebben in een convenant vastgelegd het netwerk te finan­cieren met het oog op bundeling van kennis en professionalisering van de gehele beroepskolom. Kennis voor, van en in het leraarsberoep is de kern van de samenwerking.

Het partnerschap ziet het als uitdaging voor de toekomst deze verre­gaande samenwerking te bestendigen, zodat essentiële kennis voor het beroep wordt gedefinieerd, geactualiseerd en vervolgens wordt ontsloten in toegankelijke leermiddelen. Kenmerkend voor dit netwerkleren is dat kennis voor en van de praktijk verenigd wordt, zowel in product als in de samenstelling van de ontwerpgroepen. Kennisdeling, kennisontwikkeling en kennisontsluiting vindt plaats in divers samengestelde ontwikkelgroepen van (aspirant) leraren, opleiders en onderzoekers (PLG’s). De producten worden ingezet in een flexibel deel van het curriculum van de lerarenopleiding en voor het leren van leraren in hun onderwijspraktijk. Daarbij zijn de betrokken experts en de opbrengsten inzetbaar in de diversiteit aan huisacademies van alle onderwijsorganisaties inde regio. Het leren van alle betrokkenen, het uitwisselen van kennis en de verbinding tussen theorie en praktijk krijgt op deze manier optimaal vorm en… We blijven leren!

Korte beschrijving

Een toekomstbestendige leraar leert in verbinding met anderen. Het leren van leraren begrijpen vanuit de netwerken waarvan de leraar deel uitmaakt is de uitdaging voor de komende jaren. We weten dat die netwerken belangrijk zijn, maar nog niet voldoende over hoe leren daar plaatsvindt.

Tekst

Onderwerp

Van nascholen naar samen scholen. Hoe leraren van de toekomst leren in professionele netwerken. Schetst van een praktijkvoorbeeld in Twente en een korte https://www.youtube.com/watch?v=k57my0gO3DU.

Context

Onderwijsorganisaties in Twente zien het als een gezamenlijke verantwoordelijkheid kinderen goed voor te bereiden op de toekomst. Daarbij is vastgesteld dat dit steeds meer vraagt van betrokken professionals en dat samenwerking in de regio daarbij onontbeerlijk is.

Doel

In en convenant is vastgelegd dat de samenwerking zich richt op het leren van (aspirant) leraren op cruciale momenten in hun professionele leven. De kern van de samenwerking is de professionele kennis van, voor en in het beroep.

Centrale uitdaging/probleem en verloop van de practice

Hoe leren leraren in en netwerk? Wat vraagt dit en hoe kom je tot disseminatie in de diversiteit aan beroepscontexten.

Belangrijkste opbrengst

Kenmerkende aspecten voor het leren in netwerken. Gedeelde beelden van competenties om samen met andere professionals te leren in netwerken en de deskundigheid te benutten ten behoeve van Innovatie in de eigen context.

Activering deelnemers tijdens de presentatie

In subgroepen worden mogelijkheden verkend om de ervaringen van kennisnetwerk Twente te benutten voor de eigen context. Wat is wenselijk, wat is mogelijk, wat kunnen eerste acties zijn?

Discussiepunt

Relatie tussen formeel en informeel leren in netwerken.

Leraren van de toekomst: flexibele professionals
Professionele netwerken

Het gebruik van eye movement modeling examples (EMME) bij topclass gedrag (HS AVANS)

Onderzoekspresentatie: individueel2Hans van 't Zelfde, Rob van der Veeken, Avans Hogeschool, BREDA

Proosdijzaal (HC)ma 15:45 - 17:15

Abstract

Om ervoor te zorgen dat leerkrachten voldoende toegerust starten aan hun onderwijspraktijk en om uitval in hun toekomstige baan te voorkomen, besteden pabo’s of lerarenopleidingen in hun curriculum steeds meer aandacht aan de ontwikkeling van klassenmanagementvaardigheden. Een belangrijke vraag is welke onderwijsaanpak het meest effectief en efficiënt is om deze ontwikkeling te ondersteunen. Jarodzka et al. (2017) suggereren dat de kijkpatronen van experts, zoals verkregen met eye-tracking onderzoek, gebruikt kunnen worden voor instructie in de vorm van een eye movement modeling examples. Het doel van de studie was om na te gaan of de kijkpatronen van ervaren leerkrachten konden worden ingezet voor het aanleren van adequaat kijkgedrag bij klassenmanagementvaardigheden. Een groep topclass studenten bekeek een video-opname van een les in een REC4 klas, waarbij hun oogbewegingen via eyetracking in kaart werden gebracht. Vervolgens vergeleken de studenten hun (opgenomen) kijkgedrag met het kijkgedrag van een ervaren leerkracht en reflecteerden op de verschillen. Deze groep studenten werd vervolgens vergeleken op kijkgedrag in een nieuwe klassensituatie met een groep die niet hadden deelgenomen aan de EMME training. Uit de kwalitatieve analyse bleek dat studenten op basis van dit experiment hun kijkgedrag aanpasten en de studenten aangaven dat hun klassenmanagement was verbeterd.

Korte beschrijving

Adequaat kijkgedrag is een onderdeel van effectief klassenmanagement. Er is onderzocht of door bewustwording van het kijkgedrag van studenten het klassenmanagement verbeterd kan worden door gebruik te maken van eye movement modeling examples van ervaren leerkrachten. De studenten gaven aan dat de EMME hun kijkgedrag in de klas had verbeterd. Tekst

Derdejaars topclass gedrag studenten dienen in staat te zijn om het gedrag van de leerlingen tijdens de les te reguleren (klassenmanagement) door organisatorische maatregelen te treffen zodat de leerling zijn aandacht bij de les kan houden. In het speciaal onderwijs en met name in het REC4 onderwijs is dat belangrijk omdat leerlingen beter presteren in klassen waar de leerkracht beschikt over adequate klassenmanagementvaardigheden (e.g., Wang, Hartel, & Wahlberg, 1993).

Om ervoor te zorgen dat leerkrachten voldoende toegerust starten in hun onderwijspraktijk om uitval in het onderwijs na diplomering te voorkomen (Pieterse- van Dinther, 2011), besteden pabo’s of lerarenopleidingen steeds meer aandacht aan de ontwikkeling van klassenmanagementvaardigheden mede. Een belangrijke vraag is welke onderwijsaanpak het meest effectief en efficiënt is om deze ontwikkeling te ondersteunen. Jarodzka et al. (2017) suggereren dat de kijkpatronen van experts, zoals verkregen met eye-tracking onderzoek, gebruikt kunnen worden voor instructie in de vorm van zogenaamde eye movement modeling examples (EMME) (Van ’t Zelfde, 2012). Het doel van de huidige studie was om na te gaan of de kijkpatronen van ervaren leerkrachten konden worden ingezet voor het aanleren van adequaat kijkgedrag bij klassenmanagementvaardigheden. In het onderzoek bekeek een eerste groep topclass studenten een video-opname van een les in een (voor hen onbekende) speciaal onderwijs klas (REC4), waarbij hun oogbewegingen via eyetracking in kaart werden gebracht. Vervolgens vergeleken de studenten hun (opgenomen) kijkgedrag met het kijkgedrag van een ervaren leerkracht en reflecteerden zij op de verschillen. Deze groep studenten werd vergeleken op kijkgedrag in een nieuwe klassensituatie met een groep die niet hadden deelgenomen aan de EMME training. Uit de kwalitatieve analyse bleek dat 38% van de studenten zich voor rustiger te gaan kijken in de groep, 63% wilde bewuster gaan kijken in de groep en 38% ging de aandacht meer verdelen over de groep door meer structuur erin aan te brengen en gedrag van leerlingen te negeren.

Mede op basis van de resultaten van de huidige studie is deze training met ingang van januari 2019 is opgenomen in het curriculum van de Topclass.

Kwaliteit voor en ín de klas
eye-tracking, klassenmanagement, speciaal onderwijs

De hervorming van de Vlaamse academische lerarenopleidingen in de achteruitkijkspiegel

Onderzoekspresentatie: individueel52Paul Janssenswillen, Antwerp School of Education, ANTWERPEN

Proosdijzaal (HC)ma 15:45 - 17:15

Abstract

De Vlaamse universiteiten leiden al meer dan 125 jaar leraren op. Een kwaliteitsvolle lerarenopleiding heeft nood aan een stabiele en krachtige omgeving. In dit artikel onderzoeken we of de universiteiten erin slagen die stabiele en krachtige locus te geven aan de academische lerarenopleiding. Welke evoluties kunnen we daarin herkennen? En welke gevolgen hebben die voor de uitstraling en concrete werking van de lerarenopleiding? Vanuit historisch perspectief kunnen we wat de academische lerarenopleiding betreft drie loci onderscheiden: verspreid over verschillende faculteiten, als deel van de pedagogische wetenschappen of centraal georganiseerd. Ook de Nederlandse lerarenopleidingen aan de universiteit kunnen we in die drie loci situeren. De academische lerarenopleiding beweegt zich voortdurend als een speelbal tussen deze drie loci en ziet er haar bevoegdheden (m.b.t. curriculum, personeel, werkingsmiddelen) over verdeeld. Op dit moment kunnen we niet concluderen dat de universiteiten erin slagen een stabiele en krachtige locus te geven aan de academische lerarenopleiding. Ook in het nieuwe systeem van de educatieve masters in Vlaanderen dat het facultaire model sterk begunstigd, blijft de versnippering.

Korte beschrijving

Vanuit historisch perspectief kunnen we de academische lerarenopleiding in Vlaanderen en in Nederland in drie loci situeren: verspreid over verschillende faculteiten, als deel van de pedagogische wetenschappen of centraal georganiseerd. De lerarenopleiding beweegt zich voortdurend als een speelbal tussen deze drie loci en ziet er haar bevoegdheden over verdeeld.

Tekst

De lerarenopleiding is op dit ogenblik in Vlaanderen georganiseerd volgens twee modellen.Ten eerste zijn er de driejarige geïntegreerde lerarenopleidingen (GLO), te situeren op het niveau van professionele bachelor en georganiseerd door de hogescholen. In deze lerarenopleidingen worden de studenten tegelijkertijd vakinhoudelijk en pedagogisch-didactisch opgeleid. Ten tweede zijn er de eenjarige specifieke lerarenopleidingen (SLO). Deze worden aangeboden door zowel universiteiten, hogescholen als Centra voor Volwassenenonderwijs (cvo). De specifieke lerarenopleidingen gaan uit van een splitsing van de vakinhoudelijke en de pedagogisch-didactische opleiding. Een aspirant-leraar wordt eerst vakinhoudelijk opgeleid (aan een universiteit of in een andere onderwijscontext) en nadien in het lesgeven (in de specifieke lerarenopleiding). De academische lerarenopleidingen zijn specifieke lerarenopleidingen die vandaag georganiseerd worden door de vijf Vlaamse universiteiten (Antwerpen, Brussel, Gent, Hasselt en Leuven) en zich vooral richten op het vormen van leraren voor de tweede, derde en vierde graad van het secundair onderwijs (leerlingen van ca. 14 tot ca. 18 jaar).

In het kader van de hervorming van de lerarenopleiding situeert de Vlaamse overheid de opleiding van leraren voor het hoger secundair onderwijs op kwalificatieniveau 7 (masterniveau). Daardoor worden leraren vanaf de tweede graad van het secundair onderwijs bij voorkeur aan de universiteit opgeleid. De Vlaamse universiteiten leiden al meer dan 125 jaar leraren op. Een academische inbedding van de lerarenopleiding biedt echter niet per definitie garantie op kwaliteit. Daarvoor dient aan bijkomende voorwaarden voldaan te zijn. Om de beschikbare energie op de kwaliteit van de lerarenopleiding te kunnen richten, dient de universiteit een stabiele en krachtige omgeving te bieden waarin de krachten gebundeld kunnen worden. De vraag die we in dit artikel willen beantwoorden is of de universiteiten voldoen aan deze voorwaarden.

We onderzoeken vanuit historisch perspectief de structurele plaats van de academische lerarenopleiding binnen de universiteit, waarnaar we zullen verwijzen als de locus. Slagen de universiteiten erin om een stabiele en krachtige locus te geven aan de academische lerarenopleiding? Welke evoluties kunnen we daarin herkennen? En welke gevolgen hebben die voor de uitstraling en concrete werking van de lerarenopleiding?

Vanuit historisch perspectief kunnen we wat de academische lerarenopleiding betreft drie loci onderscheiden: verspreid over verschillende faculteiten, als deel van de pedagogische wetenschappen of centraal georganiseerd. De academische lerarenopleiding beweegt zich voortdurend als een speelbal tussen deze drie loci en ziet er haar bevoegdheden (m.b.t. curriculum, personeel, werkingsmiddelen) over verdeeld. Op dit moment kunnen we niet concluderen dat de universiteiten erin slagen een stabiele en krachtige locus te geven aan de academische lerarenopleiding. Ook in het nieuwe systeem van de educatieve masters dat het facultaire model sterk begunstigd, blijft de versnippering.

#_ftnref1

Kwaliteit voor en ín de klas
geschiedenis, lerarenopleiding, universiteit

Keuzes maken en samenhang ontdekken; taakopvattingen van beginnende lerarenopleiders onder de loep

Workshop55Arnoud Aardema, Radboud Docenten Academie, NIJMEGEN; Quincy Elvira, Universiteit van Amsterdam, AMSTERDAM

Struktonfoyerma 15:45 - 17:15

Abstract De ontwikkeling van professionele identiteit is een voortdurend proces waarin vraagstukken over taakopvatting een centrale rol spelen. Vooral beginnende lerarenopleiders, wiens verkenning naar een professionele identiteit twee tot drie jaar duurt, zoeken handvatten om hun identiteit en dus ook hun taakopvatting te expliciteren. Voor een inductietraject voor beginnende leraren aan twee universitaire lerarenopleidingen is een instrument ontworpen om deze opvattingen expliciet te maken. Het instrument is ontwikkeld op basis van inzichten van o.a. Feiman-Nemser (1990) over opvattingen aangaande leren, lesgeven en theorieën over leren lesgeven. Dit instrument kan vervolgens dienen als ijkpunt om over één of drie jaar terug te blikken op de ontwikkeling van hun opvattingen. Gaandeweg de ontwikkeling van het instrument bleek het ook voor ervaren opleiders bruikbaar te zijn.

Korte beschrijving

Als we de toekomst van het onderwijs willen veranderen, zullen we ook de toekomst van de lerarenopleiding naar dat onderwijs moeten veranderen. Voor duurzame verandering is werken vanuit een gedeelde visie van belang. Om daar te komen is het expliciteren van de opvattingen van lerarenopleiders een eerste belangrijke stap.

Tekst

- Praktijk van waaruit ingediend;

Het afgelopen jaar is een aantal nieuwe collega’s verwelkomd als opleider binnen onze universitaire lerarenopleidingen. De contouren voor een inductietraject voor deze beginnende lerarenopleiders zijn gevormd. De vormgevers van dit inductietraject hebben een instrument waarmee opvattingen van beginnende opleiders over hun rol als opleider wordt geëxpliciteerd. Dit instrument kan vervolgens dienen als ijkpunt om over één of drie jaar terug te blikken op de ontwikkeling van hun opvattingen. Gaandeweg de ontwikkeling van het instrument bleek het ook voor ervaren opleiders een bruikbaar instrument.

- Onderwerp;

Professionele identiteit in termen van professioneel zelfverstaan is een onzichtbare hand die het dagelijks werk van lerarenopleiders sterk beïnvloed. Professioneel zelfverstaan is een nooit afgesloten proces dat verwijst naar het –altijd tijdelijk en voorlopige- product van dat proces in termen van het geheel van opvattingen en representaties van een lerarenopleider over zichzelf (Kelchtermans, 2009). Een component binnen het zelfverstaan dat zich voortdurend ontwikkelt is de taakopvatting van de lerarenopleider. Vanassche & Kelchtermans (2013) verwijzen naar taakopvatting als: wat ziet een lerarenopleider als behorend tot zijn/haar job? Wat vindt een lerarenopleider dat hij/ zij moet doen om een goede opleider te zijn en welke argumenten heeft hij/zij daarvoor? De taakopvatting omvat diepgewortelde overtuigingen over goed onderwijs, over iemands persoonlijke morele verplichtingen en verantwoordelijkheden tegenover studenten. De taakopvatting die opleiders bezitten, dienen als filter voor hun eigen leerproces (Borko & Putnam, 1996) en hebben een duidelijke invloed op de manier waarop opleiders hun ervaringen in de lerarenopleiding zien en erop reageren (Parajes, 1992).

Vooral beginnende lerarenopleiders, wiens verkenning naar een professionele identiteit twee tot drie jaar duurt (Kools, 2016), zoeken handvatten om hun identiteit en dus ook hun taakopvatting te expliciteren. Dat roept de vraag op hoe de opvattingen van beginnende opleiders die onderdeel uit maken van hun beginnende identiteit geëxpliciteerd kunnen worden.

Ervaren opleiders van twee verschillende universitaire lerarenopleidingen hebben, als vormgevers van een inductietraject, een instrument ontwikkeld waarmee de individuele (beginnende) opleiders hun eigen opvattingen inzichtelijk kunnen maken. Het instrument is ontwikkeld op basis van inzichten van o.a. Feiman-Nemser (1990) over opvattingen aangaande leren, lesgeven en theorieën over leren lesgeven.

- Context;

In het kader van een vorm te geven inductietraject is een instrument ontwikkeld. Het instrument is binnen twee universitaire lerarenopleidingen gebruikt bij acht startende lerarenopleiders bij het expliciteren van hun taakopvattingen.

- Doel;

Het instrument bevindt zich nog in een pilotfase. Feedback uit de workshop worden gebruikt om de bruikbaarheid en validiteit van het instrument te vergroten.

- Activering deelnemers en organisatie workshop;

In de workshop gaan de deelnemers zelf met het instrument aan de slag. Vervolgens laten we de deelnemers met gerichte vragen met elkaar in gesprek gaan over hun eigen opvattingen. Tevens zal de bruikbaarheid van het instrument besproken worden.

- Discussiepunt

Representeert het instrument de soorten taakopvattingen die o.a. door Feiman-Nemser (1990) worden onderscheiden.

Leraren van de toekomst: flexibele professionals
identiteit, lerarenopleider

Teach the Future; Pilot NL – Toekomst Onderwijs

Onderzoekspresentatie: symposium97Erica Bol, Teach the Future, BREDA

Viskerfoyerma 15:45 - 17:15

Abstract

Pilot NL – Toekomst Onderwijs is een pilot project opgezet door Teach the Future, ondersteund door UNESCO, waarin Toekomst Denken als leermiddel op de kaart wordt gezet. In samenwerking met vijf lerarenopleidingen, 5 scholen voor voortgezet onderwijs en vijf basis scholen in vijf verschillende steden in Nederland wordt gekeken hoe, aansluitend bij het curriculum, toekomst denken geïntegreerd kan worden binnen het onderwijs.

Het Teachers College van Windesheim Almere, de Master Leren & Innoveren van Fontys Tilburg en de Lerarenopleiding Technische Beroepsonderwijs van de Hogeschool Rotterdam zijn onderdeel van de pilot. In samenwerking met Teach the Future wordt er gewerkt aan een op maat gemaakte oplossing. Elk pakken ze deze uitdaging op een andere manier aan.

Teach the Future verzamelt en analyseert de gegevens van alle pilotscholen om een ??'best practice' dataset te ontwikkelen die de meest effectieve benaderingen presenteert om toekomst-denken te onderwijzen, gerangschikt per leeftijdsgroep. Tijdens dit mini symposium delen we onze ervaringen tot nu toe.

Korte beschrijving

Toekomst denken als standaard vak voor leerlingen van lerarenopleidingen. Windesheim Almere, Fontys Tilburg en de Hogeschool Rotterdam zijn, in samenwerking met Teach the Future, aan het experimenteren hoe dit werkt in de praktijk.

Tekst

Lesgeven over de toekomst betekent leren hoe te anticiperen op en verandering te beïnvloeden te midden van complexiteit, onzekerheid en ambiguïteit. In tegenstelling tot veel onderwijsprofielen, is toekomst denken niet gericht op het krijgen van het 'juiste' antwoord; het gaat om het vinden van meerdere mogelijkheden te midden van snelle veranderingen. Bij het leren ‘voordenken’ over de toekomst leren we jongeren van hier naar de toekomst en van de toekomst terug naar het nu kijken. We helpen ze met het onderzoeken van hun eigen toekomstdromen, het ontdekken van de mogelijke toekomst om hen heen en de link daartussen. We gaan onder andere opzoek naar signalen van verandering, onderzoeken die en filosoferen over de mogelijke consequenties van deze veranderingen. We maken toekomstscenario’s en bestuderen welke van deze scenario’s ons gewenst scenario is. En we ontwikkelen stappenplannen om te kijken wat we kunnen doen om ervoor te zorgen dat onze gewenste toekomst uitkomt. Dit alles zoveel mogelijk in een dynamische omgeving.

Het lesgeven in toekomst denken helpt leerlingen om metacognitieve vaardigheden te ontwikkelen. Hiervoor gebruiken we diverse 21e-eeuwse vaardigheden zoals kritisch denken, creatief denken, sociaal en culturele vaardigheden, probleem oplossen, zelfregulering en samenwerking. En passen we de inhoud en de oefeningen aan op de leeftijdscategorie waarmee we werken.

Toekomst denken maakt onze jongeren tot de ondernemers en leiders van de toekomst. Ze zullen in staat zijn om een duidelijke visie voor de samenleving te creëren. Het zal hen helpen veerkrachtiger te worden en tegelijkertijd meer aandacht te besteden aan anderen en aan het milieu. Het zal de volgende generatie helpen om het belang van duurzaamheid in te zien en de wereld proactief te verbeteren. Op een persoonlijk niveau zal toekomst denken jongeren helpen met bewustwording van het feit dat hun situatie niet permanent is. Het zal hen helpen te beseffen dat ze in staat zijn om proactief gewenste resultaten te creëren en dat ze hun eigen toekomst vorm kunnen geven. Dit vermindert angst en creëert een gevoel van bewustzijn, empowerment en hoop. Ten slotte, door te leren hoe een lange termijn perspectief toe te passen, zal hun focus niet alleen gericht zijn op de toekomst van morgen, maar ook op de toekomst van volgende generaties.

Het hoofddoel van deze pilot is om gegevens te verzamelen over hoe toekomst denken effectief kan worden onderwezen. Toekomst denken is een nieuwe discipline en we leren daarom nog steeds hoe we dit het beste kunnen onderwijzen. Op bachelor en master niveau is er een toenemende belangstelling voor trendonderzoek, scenario-planning en innovatie waar meerdere universitaire docenten ook het onderwijzen van toekomst denken hebben omarmd. Voor lager onderwijs is er echter nog geen structurele integratie van toekomst denken in het curriculum ingevoerd met de uitzondering van een handvol individuele initiatieven. Dit terwijl toekomst-denken waarschijnlijk het meeste effect heeft op leerlingen van een jongere leeftijd. De hersenen van jonge kinderen zijn meer adaptief en maakbaar, waardoor het waarschijnlijker is dat lessen in toekomst-denken leiden tot een structurele verandering van denken en aanpak.

Presentatie 1

Marcel Staring, Teachers College Windesheim Almere, is al een aantal jaar bezig met het integreren van toekomst denken binnen zijn lessen. Ze zijn gestart met een Future Lab in jaar 4, gericht op Future Impact, wat nu is uitgegroeid tot een 4 jarig programma. In jaar 1 wordt gewerkt met een Learning Lab waarin de professional attitude centraal staat, in jaar 2 wordt er gewerkt in een Change Lab, waarin Future Awareness geïntroduceerd wordt, en in jaar 3 is er het Deep Learning Lab waarin Create New Content centraal staat.

Presentatie 2

Martin de Wolf, Master Leren en Innoveren Fontys Tilburg, wil met de opleiding onderwijsprofessionals aanzetten tot het innoveren van onderwijs. Dit betekent Toekomstgericht onderwijs toepassen. Ze gebruiken hierbij de leidraad van Tine Béneker waarin gesproken wordt over Onderwijs en Toekomst. Er wordt gekeken naar onderwijs van de toekomst, onderwijs voor de toekomst en onderwijs over de toekomst.

Presentatie 3

Gabri Klarenbeek, Lerarenopleiding Technisch Beroepsonderwijs Hogeschool Rotterdam, pakt het grondig aan. Ze gaan het gehele curriculum vernieuwen zodat het veel beter aansluit bij het Onderwijs van de Toekomst. Toekomst denken zal daarin een belangrijk uitgangspunt worden.

Leraren van de toekomst: flexibele professionals
Pilot NL

dinsdag 19 mrt 2019

09:00 - 10:30 Parallelsessie 3

Reflect to act

Workshop20Anneleen Van Kelecom, UNICEF België, BRUSSEL

Artiestencafédi 09:00 - 10:30

Abstract

‘Reflect to act’ heeft als doelstelling om het reflectief vermogen van toekomstige leerkrachten m.b.t. het omgaan met identiteit, stereotypen, kansen... vanuit een kinderrechtenkader te versterken. Dit pakket bevordert de bereidheid en vaardigheid van toekomstige leerkrachten om zichzelf in vraag te stellen in verband met deze thema’s. Het pakket bestaat uit een online tool voor de studenten en een website met lesmateriaal en achtergrond voor de docenten. Het werd in twee fases ontwikkeld. Op basis van onderzoek (premeting en postmeting met online enquête en focusgroep) werd het materiaal aangepast en bijgestuurd.

“Reflect to act” is een project van UCLL (University College Leuven Limburg) Lerarenopleiding in samenwerking met UNICEF België.

Afspraak op www.reflecttoact.unicef.be

Getuigenis student focus group: 'Ik heb geleerd om niet oppervlakkig te zijn. Ik had al deze verhalen al gehoord in de praktijk. Maar nu ging ik nadenken op een ander niveau en op een andere manier. Om zo niet langer naar problemen te kijken op een oppervlakkige manier: om de problemen van kinderen niet te bekijken als klein en belachelijk, maar om al hun problemen serieus op te nemen' Mathias, student lerarenopleiding

Korte beschrijving

De inhoud en de presentatie sluiten aan: - aangezien dit pakket bestaat uit online materiaal en lesmateriaal om reflectie te bevorderen rond actuele thema's gelinkt aan diversiteit - aangezien de online tool vertrekt van het ik-jij-wij principe, waarbij men eerst stilstaat bij zichzelf en vervolgens de link legt met anderen

Tekst

ONDERWERP

‘Reflect to act’ is een pakket voor lerarenopleiders om met studenten stil te staan bij actuele thema’s

Identiteit

Gevoelens & gedachten

Kinderrechten & participatie

Gelijkenissen & verschillen

Stereotypen & vooroordelen

Kansen

CONTEXT

We vertrokken vanuit de diversiteit in de samenleving om het inhoudelijk materiaal en de getuigenissen vorm te geven op basis van de bevraging van kinderen en jongeren in kwetsbare situaties (armoede, migratie,...) uit het https://www.unicef.be/nl/publicaties/what-do-you-think/ van UNICEF België.

Ook vertrekken we vanuit de online tool vanuit de specifieke leefwereld van elke student die met het materiaal aan de slag gaat. Dit om de link te leggen, gelijkenissen en verschillen te ontdekken met anderen en hun leefwereld.

Met dit lesmateriaal kan de docent verschillende thema’s verdiepen met zijn of haar studenten. Deze thema’s vertrekken vanuit volgende basisprincipes van het Kinderrechtenverdrag: het recht op non-discriminatie en participatie, en kunnen gelinkt worden aan het recht op identiteit, het recht op vrije meningsuiting... Hierdoor maken studenten kennis met het kinderrechtenverdrag, maar leren ze tevens om te reflecteren m.b.t. concrete situaties uit de klas-en onderwijspraktijk vanuit een kinderrechtenbril.

DOEL

‘Reflect to act’ heeft als doelstelling om het reflectief vermogen van toekomstige leerkrachten m.b.t. het omgaan met identiteit, stereotypen, kansen... vanuit een kinderrechtenkader te versterken. Dit pakket bevordert de bereidheid en vaardigheid van toekomstige leerkrachten om zichzelf in vraag te stellen in verband met deze thema’s.

Bij het thema stereotypen & vooroordelen ziet dat er bijvoorbeeld als volgt uit:

“Een vooroordeel is moeilijker te splitsen dan een atoom.” (Albert Einstein)

De studenten staan in dit onderdeel stil bij stereotiepe ideeën en vooroordelen die ze zelf hebben. Ze maken kennis met de ideeën en vooroordelen van anderen. Ze reflecteren over de impact hiervan op gedrag en leggen de link met het recht op non-discriminatie. Ze denken na over hoe hun reflecties hieromtrent kunnen omgezet worden naar de klaspraktijk.

ACTIVERING DEELNEMERS EN ORGANISATIE WORKSHOP

Tijdens de workshop op de VELOV conferentie gaan we met de deelnemers concreet aan de slag met het materiaal.

We zullen starten met een aantal concrete inleef- en doe-werkvormen. De deelnemers zullen ook de online tool doorlopen en bespreken. Ten slotte zullen we in discussie gaan aan de hand van de concrete casussen die voorhanden zijn op de website.

DISCUSSIEPUNT

We bespreken met de deelnemers hoe zij dit materiaal al dan niet inzetbaar zien in de lerarenopleiding, wat de concrete voorwaarden hiervoor zijn, wat er nog nodig is, ...

EXTRA INFO

Dit pakket is ontstaan uit een samenwerking tussen UNICEF België en UCLL lerarenopleiding. Het vernieuwende element bestaat buiten het aansluiten op de leefwereld van de studenten (online tool, getuigenissen met link naar hun leefwereld...) ook uit de manier van reflecteren vanuit het eigen referentiekader, het eigen leven en eigen ervaringen.

Maatschappij van morgen: diversiteit en urban education
kansen, kinderrechten, participatie

Meertaligheid, Curriculum.nu en de lerarenopleiding

Workshop155Anne Kerkhoff, Fontys Lerarenopleiding Tilburg, TILBURG

Brasseriedi 09:00 - 10:30

Abstract

In het project ‘Curriculum.nu’ (http://www.curriculum.nu) onderzoeken docenten en schoolleiders ondersteund door experts en in samenspraak met belangstellende ouders, collega’s, wetenschappers en andere betrokkenen, wat leerlingen in po en vo moeten leren om voorbereid te zijn op wat de toekomst hen zal brengen. De resultaten van het project zullen waarschijnlijk bijdragen de actualisering van de eindtermen en leerdoelen van het onderwijs.

Eén van de aspecten van de snel veranderende samenleving waar leerlingen in po en vo op moeten worden voorbereid, is de groeiende diversiteit en daarmee samenhangende meertaligheid van onze samenleving. In deze workshop worden de uitkomsten van Curriculum.nu (dat in april 2019 wordt afgerond) gepresenteerd voor zover ze betrekking hebben op taal en de rol van taal in het curriculum van po en vo. Vervolgens gaan we in gesprek over de betekenis van die uitkomsten van Curriculum.nu voor het curriculum van de lerarenopleiding.

Korte beschrijving

Globalisering en migratie zullen ertoe leiden dat de diversiteit van Nederland verder zal toenemen. ‘Omgaan met meertaligheid’ is dan ook een belangrijke ‘future skill’. In deze workshop gaan lerarenopleiders met elkaar en met vertegenwoordigers van Curriculum.nu in gesprek over de rol van taal in toekomstgericht vo en in de lerarenopleiding.

Tekst

Praktijk van waaruit ingediend

De kenniskring van het lectoraat talendidactiek van Fontys Lerarenopleiding Tilburg onderzoekt wat de groeiende meertaligheid van de samenleving betekent voor de praktijk van het onderwijs in vo en mbo en voor de opleiding van taaldocenten en van ‘taalbewuste’ docenten in andere vakken.

Onderwerp

In deze workshop staan we stil bij de resultaten van Curriculum.nu voor zover die betrekking hebben op taal en op de plaats van taal in het curriculum van po en vo. Wat leert Curriclum.nu ons over de rol van taal en taalonderwijs in een ‘toekomstgericht curriculum’ voor po en vo en wat betekenen die uitkomsten, als ze straks worden gebruikt om de kerndoelen en eindtermen van po en vo te actualiseren, voor de opleiding van leraren voor die onderwijssectoren?

Context

In ‘Curriculum.nu’ zijn sinds maart 2018 zo'n 130 leraren, zo’n 20 schoolleiders en ruim 80 scholen bezig met de vraag wat leerlingen in het primair en voortgezet onderwijs moeten kennen en kunnen. ‘Ontwikkelteams’ van docenten onderzoeken hoe een onderwijscurriculum dat po- en vo-leerlingen opleidt voor de toekomst, eruit zou moeten zien. Er worden daarbij negen leergebieden onderscheiden: Nederlands, Engels / Moderne vreemde talen, Rekenen & Wiskunde, Digitale geletterdheid, Burgerschap, Bewegen & Sport, Kunst & Cultuur, Mens & Maatschappij en Mens & Natuur. De ontwikkelteams werken tijdens vijf sessies aan verschillende (tussen)producten: een visie op het leergebied, de ‘grote opdrachten’ voor dit leergebied (wat zijn de essenties?) en de bouwstenen voor een nieuw curriculum voor po en vo. Na elke ontwikkelsessie worden de uitkomsten van het werk van de ontwikkelteams via internet gepresenteerd en worden alle betrokkenen – ouders, collega's, scholen, experts, wetenschappers, opleiders, politici .. - uitgenodigd om te reageren: “Zijn we goed op weg, maken we de juiste keuzes voor een nieuw curriculum?”. Op basis van alle opgehaalde feedback worden de tussenproducten bijgesteld. In april 2019 zullen de ontwikkelteams hun eindproducten afronden en aan de Tweede Kamer aanbieden.

Doel en relevantie voor de onderwijspraktijk

De opbrengsten van Curriculum.nu zullen, als alles loopt zoals de initiatiefnemers en andere betrokkenen hopen, leiden tot geactualiseerde eindtermen en kerndoelen van po en vo. Daarmee zullen ze óók direct relevant zijn voor het curriculum van de opleiding van leraren. Wat moeten lerarenopleidingen hun studenten meegeven om te bereiken dat ze competent zijn om hun leerlingen op te leiden voor de toekomst?

Activering deelnemers en organisatie workshop

In deze workshop worden de voorlopige eindproducten en opbrengsten van Curriculum.nu gepresenteerd. Daarbij ligt het accent op de resultaten/conclusies die betrekking hebben op de ‘talige aspecten’ van die bevindingen. Wat moeten leerlingen leren over taal? Welke talen moeten ze beheersen? Op welk niveau? Hoe moeten ze dat leren? ..). Na de presentatie gaan de deelnemers met elkaar in gesprek over de (mogelijke) betekenis van de aanbevelingen van Curriculum.nu voor de lerarenopleiding. De organisatoren van de workshop zullen vertegenwoordigers van Curriculum.nu uitnodigen om aan de discussie deel te nemen. Afhankelijk van het aantal deelnemers zal gekozen worden voor een passende organisatie van de discussie.

Discussiepunt

Wat betekent Curriculum.nu voor de lerarenopleiding?

Anders organiseren van onderwijs: wat en hoe
Curriculum.nu

Onderhandelen over onderwijsvernieuwing

Uitnodigende praktijkvoorbeelden5Rob Moggré, Hogeschool iPabo, AMSTERDAM

Cinema 1di 09:00 - 10:30

Abstract

Bij Hogeschool iPabo (Amsterdam/Alkmaar) is de afgelopen jaren gebouwd aan een nieuw curriculum. Daarbij werd voor specifieke studieonderdelen een projectopdracht verstrekt aan een klein team van opleiders en een lector van de instelling. Dit gebeurde ook bij het studieonderdeel dat de eerste helft van het tweede studiejaar beslaat en zich richt op het onderwijzen in de middenbouw van de basisschool.

De projectopdracht bestond eruit om het onderwijs zodanig te vernieuwen dat studenten aanzienlijk meer vrijheid kregen om het onderwijs te doorlopen en dat er in het studieonderdeel sprake zou zijn van nadrukkelijke samenhang binnen het vakaanbod.

De ontwikkelaarsgroep herinterpreteerde de projectopdracht als het zoeken naar samenhang in het curriculum, gedragen door eigenaarschap van opleiders. Daarom is gekozen voor de dialoog tussen opleiders als ontwikkelstrategie. Die leidde uiteindelijk tot enkele overstijgende opdrachten waarin de input vanuit verschillende basisschoolvakken geborgd zijn. De overstijgende opdrachten bieden studenten vrijheid, maar ook structuur. Eerste ervaringen met het vernieuwde onderwijs laat zien dat de dialoog tussen opleiders een blijvend karakter heeft gekregen en studenten stukje bij beetje wennen aan de vrijheid die hen geboden is.

Korte beschrijving

Van toekomstige leraren verwachten we zij dat zij keuzes kunnen beredeneren, dat zij zelfstandig zijn en dat zij complexe taken kunnen plannen. In het tweede jaar van de major probeert Hogeschool iPabo hieraan bij te dragen door studenten eigen verantwoordelijkheid te geven bij keuzes die zij maken in de studie.

Tekst

Onderwerp

Opleidingsonderwijs is voortdurend in beweging, omdat de studentpopulatie verandert en omdat werkveld en maatschappij andere eisen stelt aan nieuwe leraren. Deze ontwikkelingen waren voor Hogeschool iPabo redenen om vanaf 2016 het opleidingscurriculum te vernieuwen. Belangrijk oogmerk bij deze curriculumvernieuwing was het vergroten van de keuzevrijheid van studenten. Context Het ontwerpen van het vernieuwde onderwijs kan gezien worden als puzzelen, waarbij: - karakteristieken van het beoogde ontwerp geëxpliciteerd worden, - nagegaan wordt welke elementen in het ontwerp (mogelijk) leiden tot beoogde ontwikkelingen van studenten, - nagegaan wordt hoe dergelijke elementen elkaar versterken, - verschillende elementen worden samengebracht in een eerste concept, - eerste concepten van het ontwerp en onderliggende argumenten gedeeld worden met opleiders om bij hen eigenaarschap te verwerven, - het ontwerp wordt bijgesteld op grond van ervaringen, reflecties en nieuwe argumenten (vgl. Van den Akker, Gravemeijer, McKenney, & Nieveen, 2006; Engeström, 2011). Doel Deze bijdrage gaat over het vernieuwen van het curriculum van het eerste semester van het tweede studiejaar van Hogeschool iPabo. Het oude curriculum bood vaste inhouden per vak, inclusief stageopdrachten om theoretisch onderbouwd aan de slag te kunnen in de beroepspraktijk. Het vernieuwde onderwijs beoogt expliciete samenhang tussen de vakken en meer keuzevrijheid voor de studenten.

Centrale uitdaging

De ontwikkelgroep operationaliseerde de ontwikkelopdracht in enkele richtinggevende karakteristieken: - een heldere structuur die zichtbaar maakt welke keuzemogelijkheden er voor studenten liggen, waarbij tegelijkertijd kwaliteitseisen geborgd worden, - vakoverstijgende opdrachten, waarbij de domeinspecifieke kennis en vaardigheden van studenten geborgd is, - een verschuiving in docentlast van nakijken naar voorbereiden, - eigenaarschap bij opleiders voor het nieuwe programma.

Belangrijkste opbrengst

Inzetten op vakoverstijging en keuzevrijheid in de nieuwe werkwijze is vormgegeven in een viertal rijke open, vakoverstijgende opdrachten die studenten in een studiegroep uitvoeren. Maar deze uitwerking leidt ook tot nieuwe uitdagingen. Zo vinden opleiders het soms lastig om hun aanbod inhoudelijk aan te passen, omdat ze zorgen hebben rond de borging van ‘hun’ vakinhoud. Studenten schipperen tussen vrijheid en behoefte aan structuur, waarbij zij tevens moeten samenwerken met medestudenten én eigenaar moeten zijn van hun eigen leerproces. Dit verschilt met hun eerste studiejaar, waar studenten nadrukkelijk aan de hand werden genomen. Het aangaan van deze uitdagingen betekent dat opleiders met elkaar en met studenten gezamenlijk op zoek gaan naar het verder invullen van het opleidingsonderwijs, zowel in informele gesprekken als in geformaliseerde overlegmomenten, feedbackmomenten en evaluaties. Deze interactie op zich vormt ook een waardevol aspect van het nieuwe opleidingsonderwijs.

Activering deelnemers tijdens presentatie

De presentatie start met uitwerkingen van studenten bij de rijke opdrachten. We vragen deelnemers daarop te reflecteren. Na de presentatie over het ontwikkelproces en onderliggende doelen, komen we terug op deze reflecties.

Discussiepunt

Bij deze curriculumvernieuwing is vakoverstijgend werken een van de speerpunten. Dat roept de vraag op hoe je hierbij recht doet aan domeinspecifieke kennis en vaardigheden van studenten, zonder te komen tot een slap compromis, waarbij je een beetje recht doet aan het een en het ander.

Anders organiseren van onderwijs: wat en hoe
curriculumvernieuwing, lerarenopleiding basisonderwijs, vakdidactiek

Hoe kan het teacher leadership versterkt worden en wat is de rol van de lerarenopleidingen daarbij?

Onderzoekspresentatie: individueel88Marco Snoek, Hogeschool van Amsterdam, AMSTERDAM

Cinema 1di 09:00 - 10:30

Abstract

Veel (master)opleidingen pretenderen hun studenten op te leider tot ‘teacher leader’. Dat roept de vraag op wat de betekenis van dat begrip is en welke voorwaarden dat leiderschap vraagt bij leraren (in termen van competentie en identiteit) en bij scholen (in termen van cultuur en structuur) en wat de bijdrage van lerarenopleidingen daaraan kan zijn.

In deze presentatie staan we op basis van een overzichtsstudie stil bij de aanleidingen om het leiderschap van leraren zo centraal te stellen, verschillende betekenissen en vormen die leiderschap van leraren aan kan nemen (individueel-collectief of formeel-informeel), en op wat wetenschappelijk onderzoek leert over de impact van en condities voor teacher leadership. In wetenschappelijk onderzoek en in de Nederlandse praktijk is vooral aandacht voor individuele en formele vormen van (role-based) teacher leadership en nauwelijks voor collectieve en informele vormen van (community-based) teacher leadership.

De overzichtsstudie leidt tot een aantal belangrijke vragen:

Wat is de meerwaarde /valkuil om het leiderschap van leraren expliciet te benadrukken (tegenover het leiderschap van andere actoren)?

In hoeverre moeten we ‘leiderschap van leraren’ zien als een kenmerk van iedere leraar?

Wat betekent dat dan voor de rol van en aandacht voor teacher leadership binnen (initiële en post-initiële) lerarenopleidingen?

Korte beschrijving

De leraar van de toekomst wordt steeds meer gezien als ontwerper en innovator van onderwijs. dat vraagt een andere rol van leraren: die van change agent of ‘teacher leader’. De laatste term komt steeds regelmatiger voor in het debat rond het beroep van leraar. Dat vraagt nadere verdieping.

Tekst

Deze presentatie komt voort uit een opzichtsstudie die met subsidie van NRO is uitgevoerd.

Inleiding

De term teacher leadership komt steeds vaker voor bij professionaliseringstrajecten voor leraren. Zowel veel masteropleidingen als professionaliseringstrajecten binnen scholen richten zich op het ontwikkelen van teacher leaders. Dat roept de vraag op wat teacher leaders precies zijn, welke kwaliteiten ze nodig hebben en hoe die kwaliteiten ontwikkeld kunnen worden in scholingstrajecten.

Dit was aanleiding om een overzichtsstudie uit te voeren naar de vraag hoe teacher leadership in Nederlandse scholen ontwikkeld kan worden.

Theoretisch kader

Hoewel leiderschap van leraren van alle tijden is, komt de aandacht voor teacher leadership in Nederland vooral voort uit de discussies over (gebrek aan) professionele ruimte van leraren. In die zin heeft de aandacht voor teacher leadership een emancipatoir karakter met als doel om de leraar (weer) meer in positie te zetten. Naast die emancipatoire invalshoek is er ook een andere invalshoek te hanteren vanuit een innovatieperspectief: de vraagstukken die vanuit de samenleving op leraren en scholen afkomen vragen om de inzet en het leiderschap van alle leraren gezamenlijk. Waar het emancipatoire perspectief kan leiden tot invullingen op individueel niveau (enkele leraren die dat leiderschap pakken), gaat het innovatieperspectief uit van een collectieve invulling: leiderschap is een opdracht voor alle leraren.

Methode

De overzichtsstudie is gebaseerd op een review van internationale wetenschappelijke literatuur rond teacher leadership, Nederlandstalige beleid- en praktijkpublicaties, interviews met ‘teacher leaders’ en met schoolleiders.

Resultaten

In de wetenschappelijke literatuur zijn weinig concrete definities te vinden. Voor het overzichtartikel gaan we uit van de volgende definitie

Teacher leadership is het proces waarbij leraren op basis van expertise en affiniteit invloed uitoefenen op collega’s, schoolleiders en andere actoren binnen en buiten de school. Deze invloed overstijgt het eigen klaslokaal.

In de literatuur is een onderscheid te vinden tussen verschillende vormen van teacher leadership: role-based vormen van teacher leadership (enkele leraren met een formele positie) en community-based vormen van teacher leadership (collectief en informeel). Daarnaast bestaan nog andere vormen zoals collectief-formeel of individueel-informeel teacher leadership.

Er is weinig concreet onderzoek naar de impact van teacher leadership. Wetenschappelijke publicaties staan vooral stil bij de voorwaarden voor teacher leadership die betrekking hebben op de teacher leader zelf (in termen van benodigde kwaliteiten), de rol van de schoolleider (het stimuleren en ondersteunen van het leiderschap van leraren), de schoolcultuur en de schoolstructuur.

Discussie

In de Nederlandse context lijkt de discussie over teacher leadership vooral gedomineerd te worden door vormen van role-based teacher leadership. Met name het concept van community-based teacher leadership roept nieuwe vragen op:

Wat is de meerwaarde/valkuil om het leiderschap van leraren expliciet te benadrukken (tegenover leiderschap van andere actoren)?

Waar zijn inspirerende praktijkvoorbeelden van community-based teacher leadership te vinden?

In hoeverre moeten we – vanuit het innovatieperspectief en het community-based perspectief – leiderschap van leraren zien als een kenmerk van iedere leraar?

Wat betekent dat dan voor de rol van en aandacht voor teacher leadership binnen (initiële en post-initiële) lerarenopleidingen?

Rond deze vragen willen me met de deelnemers in gesprek gaan.

Leraren van de toekomst: flexibele professionals
Leiderschap van leraren, Teacher leadership

Kritisch kijken naar de eigen opleiding: de Pabo-onderzoeksgroep

Uitnodigende praktijkvoorbeelden95Nanke Dokter, Fontys Hogeschool Kind en Educatie, 'S-HERTOGENBOSCH

Cinema 1di 09:00 - 10:30

Abstract

Lerarenopleidingen werken met de scholen uit hun werkveld samen in onderzoeksgroepen. Doel van deze groepen is om de eigen onderwijspraktijk te verbeteren en om de deelnemers ervan te professionaliseren. Lerarenopleiders zijn intensief betrokken bij deze onderzoeken van hun werkveld, maar doen nog weinig systematisch onderzoek in onderzoeksgroepen naar de eigen onderwijspraktijk. Binnen Fontys HKE is drie jaar geleden op locatie 's-Hertogenbosch een onderzoeksgroep gestart met als doel het eigen curriculum onderbouwd en onderzoeksmatig te verbeteren, de reflectieve dialoog onder de opleiders zelf te stimuleren en ook om als voorbeeld te kunnen dienen voor de studenten en samenwerkende scholen. De onderzoeksgroep bestaat ieder jaar uit andere docentleden die onder begeleiding van een onderzoeksdocent en een lector een urgent probleem onderzoeken. Er is onderzoek gedaan naar het stimuleren van diep leren door studenten, het gebruiken van een learning portfolio bij het werken aan vakmanschap en aan het bevorderen van zelfsturing bij eerstejaars studenten. Tijdens de presentatie zal geschetst worden hoe de onderzoeksgroep tot stand is gekomen, worden de onderzoeken die zijn gedaan besproken en zullen de belangrijkste opbrengsten van het werken met een onderzoeksgroep voor zowel de opleiding als de studenten worden benoemd.

Korte beschrijving

Het stimuleren van de onderzoekende houding van de flexibele professional gebeurt door deze houding als opleider voor te leven. Lerarenopleidingen waarop gewerkt wordt met een onderzoeksgroep die het eigen opleidingsonderwijs systematisch onderzoekt, geven een voorbeeld aan studenten en samenwerkingsscholen. Ze maken duidelijk dat een onderzoekende houding noodzakelijk en vanzelfsprekend is.

Tekst

Onderwerp;

Al meer dan tien jaar wordt op academische opleidingsscholen praktijkgericht onderzoek gedaan. Deze scholen slagen er steeds beter in duurzame samenwerkingsrelaties te ontwikkelen met elkaar en met lerarenopleidingen en dit leidt tot mooie voorbeelden van praktijkonderzoek met impact (Ros, Van der Steen & Timmermans, 2016). Lerarenopleiders zijn hier vaak intensief bij betrokken zijn, maar doen weinig systematisch onderzoek naar de eigen opleidingspraktijk.

Context

Bij Fontys HKE pabo 's-Hertogenbosch is gestart met pabo-onderzoeksgroepen die als doel hebben het eigen curriculum onderbouwd en onderzoeksmatig te verbeteren, de reflectieve dialoog onder opleiders te stimuleren en om als voorbeeld te dienen voor studenten en samenwerkende scholen. De onderzoeksgroepen zijn tijdelijk ingestelde groepen met de opdracht om vanuit een verbeterwens in het primaire proces tot een onderbouwd actieplan te komen. De leden van de onderzoeksgroepen worden begeleid vanuit het lectoraat.

Centrale uitdaging/probleem en verloop van de practice;

De volgende condities waren leidend bij het vormen en de uitvoering van de pabo-onderzoeksgroepen.

1 Keuze van de thema’s

Cruciaal is dat het thema betrekking heeft op het primaire proces en een probleem/vraagstuk is waarbij verbetering voor docenten van belang is. Het werk zal er op termijn beter van worden, zodat het minder ervaren wordt als iets wat er extra bij komt.

2 Samenstelling van de teams

De deelnemende docenten moeten betrokken zijn, eigenaarschap voelen en zorg kunnen dragen voor de implementatie van de verbeteringen.

3 Creëren van draagvlak, eigenaarschap

De rest van het team moet ook betrokken worden tijdens het onderzoeksproces, zodat draagvlak wordt gecreëerd voor de actiepunten. Transparantie en een goede communicatie is van belang.

4 Tijd en ruimte voor dialoog

Reflectieve dialoog is een belangrijk middel voor de ontwikkeling van een onderzoekende houding. Het is dus van belang dat de docenten uit de onderzoeksgroep hiervoor voldoende tijd en ruimte hebben.

5 Betrokkenheid van leidinggevende.

De leidinggevende speelt een cruciale rol bij inbedding van de onderzoeksgroepen in beleid, bij het stimuleren van dialoog en onderzoekende houding door het geven van waardering, het vervullen van een voorbeeldfunctie wat betreft de onderzoekende houding en door het creëren van randvoorwaarden.

Belangrijkste opbrengst

Opgedane inzichten uit de onderzoeksgroepen leidden tot zichtbare verbeteringen van het opleidingsonderwijs. Deze verbeteringen zijn gericht op het stimuleren van diep leren van studenten, het gebruik van het learning portfolio bij het vastleggen van de ontwikkeling van vakmanschap en op het begeleiden van zelfsturing bij eerstejaars studenten. Docenten uit de onderzoeksgroep gaven aan dat hun onderzoekende houding verbeterd was en dat ze genoten van het voeren van de inhoudelijke dialoog. Ook gaven ze aan dat ze zich beter konden verplaatsen in studenten en leraren bij het begeleiden van onderzoeksgroepen. Het enthousiasme van de deelnemende docenten heeft ertoe geleid dat andere docenten ook graag willen participeren in de onderzoeksgroep. Het creëren van tijd en het afbakenen van het onderzoeksonderwerp blijken de grootste valkuilen.

Activering deelnemers tijdens presentatie;

Reacties en ideeën van deelnemers worden via http://www.mentimeter.com verzameld en besproken.

Discussiepunt

Hoe kunnen de onderzoeksonderwerpen zo worden afgebakend dat er recht wordt gedaan aan het probleem dat wordt ervaren?

Leraren van de toekomst: flexibele professionals
Onderzoeksgroep

Ontwikkeling onderzoekend vermogen in lerarenopleidingen voor basisonderwijs

Onderzoekspresentatie: individueel101Lidewij van Katwijk, NHL Stenden Hogeschool / Rijksuniversiteit Groningen, GRONINGEN

Cinema 3di 09:00 - 10:30

Abstract

Het afgelopen decennium was er een toename in aandacht voor praktijk(gericht) onderzoek binnen het hbo. Deze exploratieve studie is gericht op de beschrijving van de ontwikkeling van het onderzoekend vermogen in curricula van verschillende lerarenopleidingen basisonderwijs (pabo’s). Hiertoe is een documentanalyse gedaan bij 18 opleidingen aan verschillende hogescholen in Nederland. Het onderzoek is uitgevoerd in twee fases: in de eerste fase is gekeken wat pabo’s beogen met onderzoek in de opleiding. Op basis hiervan zijn zes aspecten voor de ontwikkeling van onderzoekend vermogen vastgesteld. In de tweede fase is onderzocht hoe deze aspecten terugkomen in beschreven leerlijnen. Resultaten wijzen erop dat het aspect ‘onderzoeksvaardigheden’, als onderdeel van onderzoekend vermogen, bij alle opleidingen ver in ontwikkeling is. De aspecten ‘kennis over het fenomeen onderzoek’, ‘kennis over vakgebied’ en ‘toepassen eerder onderzoek’ worden meestal gezien als onderdeel van ‘onderzoeksvaardigheden’. Het aspect ‘onderzoekende houding’ staat bij de meeste opleidingen centraal in de rationale; opleidingen beogen kritische en nieuwsgierige leraren op te leiden. De mate van implementatie hiervan in de onderzoeksleerlijn verschilt sterk en voldoet vrijwel nooit aan het principe van constructive alignment van Biggs (2003). Het aspect ‘onderzoekend handelen in onderwijspraktijk’ wordt nauwelijks teruggevonden in beschrijvingen van onderwijsactiviteiten en toetsing van de leerlijn.

Korte beschrijving

Deze presentatie past goed binnen het thema van het congres, omdat het gaat over de ontwikkeling van onderzoekend vermogen bij aanstaande leraren. Door deze ontwikkeling kunnen opleidingen bijdragen aan kritische leraren die voorbereid zijn om beargumenteerd in te spelen op veranderingen in de maatschappij en het onderwijs van de toekomst. Tekst

Praktijk van waaruit geschreven

Sinds circa tien jaar sluiten studenten aan pabo’s hun opleiding af met een praktijk(gericht) onderzoek om aan te tonen dat zij voldoen aan de hbo-eindkwalificaties. Deze presentatie vormt een onderdeel van een promotie-onderzoek naar de bijdrage van praktijk(gericht) onderzoek aan de professionele ontwikkeling van aanstaande leraren basisonderwijs.

Inleiding

Als navolging van het instellen van de bachelor-masterstructuur hebben de hogescholen in het stuk “Kwaliteit als opdracht” gezamenlijk een standaard van de professionele bachelor opgesteld (HBO-raad, 2009). Hiermee heeft praktijk(gericht) onderzoek, onder de noemer onderzoekend vermogen een steeds belangrijker rol gekregen in het hbo. Dit onderzoek is gericht op de empirische betekenis en implementatie van het begrip onderzoekend vermogen op pabo’s.

Theoretisch kader

Andriessen (2014) definieert de term onderzoekend vermogen als het beschikken over een onderzoekende houding, het kunnen toepassen van andermans onderzoek en het zelf onderzoek kunnen doen. Deze aspecten zijn ook terug te vinden in internationale literatuur over de ontwikkeling van de onderzoekscompetentie bij aanstaande leraren (bijvoorbeeld Aspfors & Eklund, 2017; Cochran-Smith & Lytle, 2009; Munthe & Rogne, 2015). Hierbij wordt onderzoekskennis als vierde aspect toegevoegd. De definiëring van het aspect onderzoekende houding is nog volop in ontwikkeling. Verwante termen hierbij zijn ‘inquiry habit of mind’ (Earl & Katz, 2006), ’inquiry-as-stance’ (Cochran-Smith & Lytle, 2009) en ‘inquiry-based attitude’, die wordt opgesplitst in een naar binnen gerichte, reflectieve component en een naar buiten gerichte kennis-benuttende component (Meijer et al., 2016).

Onderzoeksvraag

De hoofdvraag van dit onderzoek is: Wat zijn de overeenkomsten en verschillen tussen lerarenopleidingen basisonderwijs in Nederland met betrekking tot de beschrijving en invulling van onderzoekend vermogen in het beoogd curriculum?

Methode

Bij deze studie hebben we gebruik gemaakt van documentanalyse in twee fases: in de eerste fase is gekeken wat pabo’s beogen met onderzoek in de opleiding. Op basis hiervan zijn zes aspecten voor ontwikkeling van onderzoekend vermogen vastgesteld. In de tweede fase is onderzocht hoe deze aspecten terugkomen in beschreven leerlijnen. Aan het onderzoek hebben 18 van de 24 pabo’s uit Nederland meegewerkt door het aanleveren van visiedocumenten en programmabeschrijvingen over praktijk(gericht) onderzoek. Voor codering en analyse hebben we Atlas-ti gebruikt.

Resultaten

Resultaten wijzen erop dat het aspect ‘onderzoeksvaardigheden’, als onderdeel van onderzoekend vermogen, bij alle opleidingen ver in ontwikkeling is. De aspecten ‘kennis over het fenomeen onderzoek’, ‘kennis over vakgebied’ en ‘toepassen eerder onderzoek’ worden meestal gezien als onderdeel van ‘onderzoeksvaardigheden’. Het aspect ‘onderzoekende houding’ staat bij de meeste opleidingen centraal in de rationale; opleidingen beogen kritische en nieuwsgierige leraren op te leiden. De mate van implementatie hiervan verschilt sterk en voldoet vrijwel nooit aan het principe van constructive alignment van Biggs (2003). Het aspect ‘onderzoekend handelen in onderwijspraktijk’ wordt nauwelijks teruggevonden in beschrijvingen van onderwijsactiviteiten en toetsing.

Hoe deelnemers actief betrokken worden bij de presentatie

Bij de presentatie worden zes aspecten van onderzoekend vermogen gepresenteerd. Deelnemers gaan onderzoeken en discussiëren of de gevonden aspecten terug te vinden zijn in concrete beschrijvingen van leerlijnen praktijkonderzoek.

Discussiepunt

Op welke manier kunnen de aspecten van onderzoekend vermogen verwerkt worden in onderwijsactiviteiten en toetsing bij lerarenopleidingen?

Leraren van de toekomst: flexibele professionals
leerlijn, Pabo, Praktijk(gericht) onderzoek

Zelfregulerend competentiegericht leren in de lerarenopleiding talen van de KU Leuven

Onderzoekspresentatie: individueel102Lies Sercu, KU Leuven, LEUVEN

Cinema 3di 09:00 - 10:30

Abstract

Wil een lerarenopleiding toekomstgericht zijn, dan biedt ze een competentiegebaseerd curriculum aan en leidt ze haar studenten op tot professionals die in staat zijn via zelfregulerend leren de verworven basiscompetenties te ontwikkelen tot expertvaardigheden. Deze bijdrage doet verslag van een kwalitatief onderzoek onder studenten van de lerarenopleiding talen van de KU Leuven. Een theoretisch gefundeerde inhoudsanalyse van afgewerkte studentenportfolio’s bracht in kaart of en in welke mate deze studenten aan het einde van hun opleiding en stage in staat zijn tot zelfregulerend competentiegericht leren. Slechts één derde van de studenten blijkt het zelfregulerende niveau te bereiken.

Korte beschrijving

Een toekomstgericht lerarenopleiding biedt ze een competentiegebaseerd curriculum aan en leidt ze haar studenten op tot professionals die in staat zijn via zelfregulerend leren de verworven basiscompetenties te ontwikkelen tot expertvaardigheden. Deze bijdrage doet verslag van een kwalitatief onderzoek onder studenten van de lerarenopleiding talen van de KU Leuven. Tekst

Praktijk van waaruit geschreven wordt

Specifieke lerarenopleiding talen KU Leuven

Inleiding

Wil een lerarenopleiding toekomstgericht zijn, dan biedt ze een competentiegebaseerd curriculum aan en leidt ze haar studenten op tot professionals die in staat zijn via zelfregulerend leren de verworven basiscompetenties te ontwikkelen tot expertvaardigheden. Deze bijdrage doet verslag van een kwalitatief onderzoek onder studenten van de lerarenopleiding talen van de KU Leuven. Een theoretisch gefundeerde inhoudsanalyse van afgewerkte studentenportfolio’s bracht in kaart of en in welke mate deze studenten aan het einde van hun opleiding en stage in staat zijn tot zelfregulerend competentiegericht leren. Slechts één derde van de studenten blijkt het zelfregulerende niveau te bereiken.

Theoretisch kader

Zelfregulerend leren (ZRL) is een actief en proactief zelfgestuurd proces waarbij een student zichzelf concrete leerdoelen stelt, leermogelijkheden identificeert, zijn leren monitort en evalueert, om vervolgens nieuwe leerdoelen te stellen. Dit proces ondersteunen vereist van de lerarenopleiding dat ze de te verwerven professionele competenties en attitudes voor haar studenten identificeert, specifieke taken aanbiedt die hen toelaten die te verwerven, het ZRL-proces ondersteunt en het behaalde eindniveau evalueert. Hattie et al. (1996: 131) bevelen aan dat leren (a) gebeurt binnen de toekomstige professionele context, (b) dat de leeropdrachten functioneel zijn binnen die context, en (c) dat reflectietaken het metacognitief bewustzijn bevorderen. Wanneer leraren-in-opleiding dezelfde taak herhaaldelijk observeren, imiteren en daarna zelfstandig uitvoeren, hun leergierigheid kunnen behouden en recursief passende en stimulerende externe feedback ontvangen, zullen ze expertvaardigheden ontwikkelen die ze flexibel en doelgericht kunnen inzetten in steeds nieuwe onderwijs- en leercontexten (Zimmerman & Kitsantas, 2005). Het herhaaldelijk reflecteren op de taakuitvoering en de bereikte resultaten zal hun professioneel begrip en handelen verdiepen (Zimmerman & Moylan, 2009).

Onderzoeksvragen

Wat is de kwaliteit van de zelfregulerende competentiegebaseerde reflectie van studenten aan het einde van hun lerarenopleiding talen?

Methode

Een toevalssteekproef van afgewerkte eportfolio’s van 30 studenten van de lerarenopleiding talen van de KU Leuven werd op basis van een theoretisch gefundeerde inhoudsanalyse kwalitatief geanalyseerd. De inhoudscategorieën werden geselecteerd op basis van Panadero’s review van zes modellen van zelfgereguleerd leren (Panadero, 2017), en hebben betrekking op evoluties in opvattingen over leraar-zijn, zelfregulerende leervaardigheden en onderwijsgerelateerde redeneervaardigheden.

Resultaten

De resultaten laten grote verschillen in zelfregulerend leervermogen zien, waarbij slechts één derde van de studenten blijk geeft van wat Zimmerman & Kitsantas (2005) in hun Multilevel Model omschrijven als ‘the self-regulation level’.

Hoe deelnemers actief betrekken -discussiepunten

De resultaten roepen vragen op die we graag met het publiek zouden bespreken.

Hoe kan diepgaandere kritische reflectie over de eigen onderwijspraktijk bereikt worden bij studenten van de lerarenopleiding? Kunnen andere, specifiekere formuleringen van reflectietaken leiden tot diepgaandere reflectie?

De reflectietaken vertrekken nu van de basiscompetenties en attitudes van startende leraren zoals ze geformuleerd zijn door de overheid. Is deze werkwijze optimaal? Werpt ze hindernissen op en begrenst ze de reflectie te veel? Zou het reflecteren op cases, zoals ze zich voordoen in het onderwijs, geen adequatere toegang tot het reflectieproces kunnen vormen?

Leraren van de toekomst: flexibele professionals
Zelfregulerend competentiegebaseerd leren

Kritisch denken vraagt om perspectiefwisseling – een onderzoek op de pabo van Avans Hogeschool

Onderzoekspresentatie: individueel29Suzan van Brussel, Avans Hogeschool, BREDA

Cinema 3di 09:00 - 10:30

Abstract

De confirmation bias betekent dat je de onbewuste neiging hebt om te zoeken naar bevestigende informatie die je eigen (voor)oordelen bevestigt. Om confirmation bias te verminderen, is perspectiefwisseling nodig. Om perspectiefwisseling toe te passen, zijn kritische denkvaardigheden nodig. Een denkstrategie die helpt om te wisselen van perspectief, is ‘consider-the-opposite’. Deze strategie is in dit onderzoek aan pabostudenten (n = 70) aangeboden door middel van een instructievideo. Eén groep kreeg deze instructie en de oefentaken met voorbeelden vanuit de pabocontext, de andere groep kreeg alles in een meer algemene hbo-context aangeboden. De instructievideo was voor beide groepen effectief, maar de verwachting dat de pabostudenten beter zouden leren in de onderwijscontext werd niet door de resultaten ondersteund. Aan de hand van 10 stellingen gaven de pabostudenten aan hoe belangrijk ze het vonden om deze strategie te leren en toe te passen tijdens hun toekomstige beroep als leerkracht. De pabostudenten die deelnamen in de onderwijscontext, hechtten een groter belang aan de instructievideo en de oefentaken, dan de pabostudenten in de meer algemene context. De conclusie is dat een instructievideo in combinatie met oefenen pabostudenten kan helpen om hun confirmation bias te verminderen.

Korte beschrijving

Een instructievideo over de kritische denkvaardigheid perspectiefwisseling stimuleert tweedejaars pabostudenten om op zoek te gaan naar informatie die hun standpunt zowel bevestigt als tegenspreekt zodat zij een beslissing beter kunnen onderbouwen. Het aanbieden van deze strategie in een onderwijscontext wekt meer interesse dan in een algemene context.

Tekst

Kritisch denken is redelijk, reflectief denken dat zich concentreert op de vraag wat te beslissen, geloven of te doen (Ennis, 1989). Over het algemeen hebben mensen moeite met kritisch denken (o.a. Lai et al., 2011). Kritisch denken krijgt de laatste jaren veel aandacht, maar er is nog weinig bekend wat een effectieve instructie zou kunnen zijn. Het uitgangspunt binnen deze studie is dat het element perspectiefwisseling een vorm is van kritisch denken. Perspectiefwisseling kan worden ingezet om de confirmation bias van mensen te verminderen (Abrami et al., 2015; Nickerson, 1998). De confirmation bias is de onbewuste neiging om informatie te verzamelen die bestaande overtuigingen en standpunten bevestigt en kan daarom leiden tot een eenzijdig beeld bij oordeelsvorming (Nickerson, 1998). De vraag is echter hoe we pabostudenten kunnen leren om hun neiging tot confirmation bias te onderdrukken, zodanig dat hun perspectiefwisseling wordt bevorderd en dat ze beter onderbouwde beslissingen gaan nemen.

Eerdere bevindingen (o.a. Koriat, Lichtenstein, & Fischhoff, 1980), suggereren dat instructie op basis van de ‘consider-the-opposite’(COS) een effectieve strategie is om de confirmation bias te verminderen. Met deze strategie leren mensen om tegenovergestelde zienswijzen (perspectiefwisseling) te overwegen in hun oordeelsvorming (o.a. Lord, Lepper, & Preston, 1984). Volgens Bangert-Drowns & Bankert (1990) kan de context van de instructie (domein-specifiek of domein-algemeen) een effect hebben op de eindprestatie van de proefpersonen die kritische denkvaardigheden krijgen aangeleerd.

Dit onderzoek gaat in op de vraag of instructie in een specifieke context effectiever is voor pabostudenten dan in een algemene context. Zeventig pabostudenten (Mleeftijd =19.7, SD = 1.4), werden willekeurig toegewezen aan ofwel de domein-specifieke onderwijscontext of aan de domein-algemene hbo-context. Alle pabostudenten maakten de voormeting met confirmation bias taken, zagen de instructievideo over ‘consider the opposite’ in ofwel de onderwijscontext, of in de algemene context en oefenden confirmation bias taken binnen de hen toegewezen context en maakten vervolgens ook een nameting met confirmation bias taken. Ook maakten zij na één en na vijf weken nog een nameting. De uitkomstmaat was de prestatie op de eindmetingen met deze taken. Een hogere score op de toets duidde op een lagere mate van confirmation bias. De hypothese was dat de pabostudenten in de onderwijscontext beter zouden presteren op deze toets, dan pabostudenten in de algemene context.

De resultaten laten zien dat de gemiddelde score van alle pabostudenten vooruit is gegaan na de instructievideo en het oefenen. Er werd echter geen significant verschil gevonden tussen de groepen: de leercontext doet er binnen dit onderzoek niet toe en dus werd de hypothese niet bevestigd. Aanvullend is onderzocht of de leercontext van invloed was op het ervaren belang en de interesse van de leerstof. Pabostudenten uit de onderwijscontext rapporteerden een hoger ervaren belang dan die uit de algemene context. Enkele praktische implicaties van deze bevindingen worden tijdens de presentatie besproken.

Leraren van de toekomst: flexibele professionals
kritisch denken, leercontext, pabostudenten

Onderzoek in de eerstegraadslerarenopleiding

Onderzoekspresentatie: symposium59Hanna Westbroek, Anna Kaal, Bregje de Vries, Vrije Universiteit Amsterdam, AMSTERDAM; Siebrich de Vries, Rijksuniversiteit Groningen; Monika Louws, Universiteit Utrecht; Linda Sontag, NRO

Dansstudiodi 09:00 - 10:30

Abstract

Om de relatie tussen onderwijsonderzoek en onderwijspraktijk te verbeteren, lijkt het van cruciaal belang dat docenten-in-opleiding kennis en vaardigheden ontwikkelen die hen in staat stellen onderwijsonderzoek te waarderen op kwaliteit en praktische bruikbaarheid, en om zelf praktijkonderzoek te kunnen gaan doen ten behoeve van professionalisering en praktijkverbetering. Dit past in een visie op het leraarschap waarin docenten zelfverantwoordelijk zijn, beslissingskracht hebben, en kennis uit onderzoek gebruiken bij het uitwerken van een visie op onderwijs.

In deze bijdrage bespreken we drie verschillende praktijkvoorbeelden van manieren waarop docenten-in-opleiding worden voorbereid op het gebruiken en het doen van onderzoek. De voorbeelden geven een rijk beeld van hoe hier in eerstegraads lerarenopleidingen invulling aan wordt gegeven. Aan de VU leren docenten-in-opleiding onderzoeksliteratuur te analyseren en te evalueren op kwaliteit en praktische bruikbaarheid. Centraal staan de dialoog over onderzoeksliteratuur en het vertalen ervan naar concreet handelen. Docenten-in-opleiding aan de UU leren hoe ze hun lesontwerpen systematisch kunnen evalueren en onderzoeken, als bron voor professionalisering en onderwijsverbetering. In Groningen worden studenten betrokken in een lesson-study opzet, die hen leert hoe cycli van samen ontwerpen, observeren en evalueren leidt tot kennisontwikkeling en professionalisering. De verschillende aanpakken zullen kritisch worden vergeleken en besproken met het publiek.

Korte beschrijving

Onderwijsonderzoek vormt een motor voor vernieuwing en praktijkverbetering. Docenten van de toekomst zijn zelfverantwoordelijk en hebben beslissingskracht. Ze gebruiken onderwijsonderzoek en praktijkonderzoek voor het ontwikkelen van hun praktijk en visie. In deze bijdrage bespreken we een

Tekst

In deze bijdrage bespreken we drie verschillende praktijkvoorbeelden van manieren waarop docenten-in-opleiding worden voorbereid op het gebruiken en het doen van onderzoek. De voorbeelden geven een rijk beeld van hoe hier in eerstegraads lerarenopleidingen invulling aan wordt gegeven. Aan de VU richt het vak zich op de docent als gebruiker van onderzoek en leren docenten-in-opleiding onderzoeksliteratuur te analyseren en te evalueren op kwaliteit en praktische bruikbaarheid. Centraal staan de dialoog over onderzoeksliteratuur en het vertalen ervan naar concreet handelen. Docenten-in-opleiding aan de UU leren hoe ze hun lesontwerpen systematisch kunnen evalueren en onderzoeken, als bron voor professionalisering en onderwijsverbetering. In Groningen worden studenten betrokken in een lesson-study opzet, die hen leert hoe cycli van samen ontwerpen, observeren en evalueren leidt tot kennisontwikkeling en professionalisering. De verschillende aanpakken zullen kritisch worden vergeleken en besproken met het publiek. We stellen voor de bijeenkomst de volgende opzet voor. De praktijkvoorbeelden worden in maximaal 10 minuten gepresenteerd. Daarna gaat het publiek in groepjes uiteen. De groepjes krijgen vragen en/of stellingen voorgelegd die betrekking hebben op de dilemma's die we ervaren met betrekking tot onderzoek leren gebruiken en onderzoek leren doen, en de manieren waarop we in onze verschillende uitwerkingen omgaan met deze dilemma's. De vragen/stellingen zijn bedoeld om de discussies op gang te brengen. Wij nemen deel aan de discussies. Linda Sontag (NRO) volgt de discussies die binnen de groepen ontstaan, en zij zal de bijeenkomst afsluiten met een slotreflectie. We hebben deze bijdrage van samenhangende praktijkvoorbeelden met toestemming van de congrescommissie ingediend als een symposium.

Presentatie 1

Praktijkvoorbeeld 1: Opleiden voor de toekomst: hoe praten over onderzoek professionele ruimte creëert (Vrije Universiteit, Amsterdam)

Onderwerp

Leraren-in-opleiding vinden onderzoeksliteratuur vaak niet zo relevant, het biedt lang niet altijd praktische handvatten voor de praktijk. Lerarenopleiders van de eerstegraads lerarenopleiding van de VU ontwikkelden een nieuw vak gericht op het leren waarderen en gebruiken van onderwijsonderzoek, ook als onderzoek analysekaders oplevert en niet meteen praktische handvatten. Twee ontwerpprincipes vormen de kern van het vak: 1) Het maken van een doelsysteem (Janssen, Westbroek, Doyle & Van Driel, 2013; Westbroek & Kaal, 2017). Lio’s construeren een visuele representatie van hun les, en welke doelen ze verbinden aan lesonderdelen; en 2) Dialoog over kwaliteit en praktische bruikbaarheid van onderzoek (Sjölie, 2014). Lio’s gaan in vakoverstijgende werkgroepen met elkaar de dialoog aan over de kwaliteit en de praktische bruikbaarheid van wetenschappelijke onderzoeksartikelen en vakbladartikelen over drie actuele onderwijsontwikkelthema’s: differentiatie, formatieve evaluatie, en zelfregulatie. De dialoog daagt de studenten uit zowel inhoudelijk als onderzoekstechnisch over de onderwerpen na te denken en om persoonlijke theorieën te expliciteren en toetsen aan de literatuur. Daarnaast worden Lio’s uitgedaagd om onderwijsonderzoekopbrengsten te vertalen naar aanpassingen in hun doelsysteem (praktische bruikbaarheid). In een eindopdracht lichten Lio’s toe welke ideeën uit de onderzoeksliteratuur heeft geleid tot welke aanpassingen in hun doelsysteem, en op welke manier ze zouden kunnen onderzoeken wat deze aanpassingen opleveren.

Context

In het landelijk ULO overleg over praktijkonderzoek in 2015 kwam naar voren het van belang is dat Lio’s competenties ontwikkelen voor het analyseren en evalueren van onderwijsonderzoek. Naar model van de ULO-UU hebben we aan de VU het vak praktijkonderzoek opgesplitst in 2 vakken: de docent als gebruiker van onderzoek (3 EC) en de docent als actor in onderzoek (6 EC). Deze vakken zijn in 2017 geïmplementeerd.

Doel

Een belangrijk doel is dat Lio’s inzicht ontwikkelen in de aard, kwaliteit en de functie van onderzoek en theorie, en in de relatie tussen theorie en de (eigen) praktijk.

Centrale uitdaging/probleem en verloop van de practice

Leraren-in-opleiding hebben vaak een beperkte opvatting over onderzoek en theorie, en daarmee ook over de relatie tussen theorie en praktijk. Theorie kan praktische handvatten bieden, maar vaak biedt theorie vooral analysekaders om praktijksituaties te duiden, en problemen te verhelderen. Dit vak kent twee sporen: Het voeren van een dialoog óver theorie en onderzoek, en hoe theorie en onderzoek de praktijk kan voeden. Dit kan bijdragen aan een verbetering van de relatie tussen die theorie en praktijk in hun toekomstige loopbaan (Sjölie, 2014). Het werken met doelsystemen (spoor 2), helpt leraren-in-opleiding met het onderzoeken van de praktische bruikbaarheid van onderzoek en theorie.

Belangrijkste opbrengst

Evaluatiegegevens en eindwerken (n=62) laten zien dat doelen van het vak voor een belangrijk deel worden behaald. Zowel de dialoog over onderzoek als het werken met een doelsysteem wordt ervaren als waardevol.

Activering deelnemers tijdens presentatie

Na een korte bespreking van de praktijkvoorbeelden gaat het publiek in groepjes discussiëren (zie discussiepunten). De bijeenkomst wordt plenair afgesloten onder leiding van Linda Sontag

Discussiepunt

De dialoog over onderzoek willen we beter gaan structureren: hoe kunnen we die beter laten aansluiten op opvattingen van Lio’s over onderzoek en theorie.

Presentatie 2

Praktijkvoorbeeld-2: Lesson study in de Lerarenopleiding (Rijksuniversiteit Groningen)

Onderwerp

Lesson Study (LS) is een professionaliseringsaanpak die leraren stimuleert te focussen op het leren van leerlingen. In een LS doorlopen leraren in teamverband een onderzoekscyclus met verschillende stappen om het leren van een specifiek onderwerp door leerlingen te verbeteren (zie Figuur 1). Bij een gekozen (vak)didactisch onderwerp voeren leraren een op onderzoek gebaseerde probleemanalyse uit. Voor het didactisch ontwerp van de onderzoeksles zoeken ze op basis van (onderzoeks)literatuur naar ontwerpprincipes. Bij het didactisch ontwerp formuleren ze SMART onderzoeksvra(a)g(en) (of werkhypothese(n)) en een onderzoeksmethode om het ontwerp te evalueren. De onderzoeksles wordt uitgevoerd door een teamlid; andere teamleden observeren en verzamelen gegevens over onderwijzen en leren. De les wordt nabesproken en de verzamelde gegevens worden gezamenlijk geanalyseerd en consequenties besproken. De les wordt zo nodig bijgesteld en opnieuw uitgevoerd. Tenslotte stellen de leraren vast wat geleerd is door leerlingen en leraren, en delen ze de opbrengsten.

Figuur 1. De Lesson Study-cyclus#_ftn1.

LS kan op alle niveaus in alle typen onderwijs georganiseerd worden. Zowel binnen een school, op sectie- of teamniveau, vakgebonden of vakoverstijgend, als schooloverstijgend, bijvoorbeeld in professionele leergemeenschappen. Daarnaast kan het ook in de lerarenopleiding worden georganiseerd en in partnerschappen tussen scholen en lerarenopleiding (De Vries en anderen, 2016).

Context

De Lerarenopleiding van de Rijksuniversiteit Groningen heeft gekozen voor LS als aanpak om studenten hun Academische en onderzoekende bekwaamheid te laten aantonen. In de lerarenopleiding is in de afgelopen jaren met verschillende varianten van LS ervaring opgedaan: een variant waarbij drie studenten van hetzelfde vak met elkaar samenwerken, en een variant waarbij studenten samenwerken met vakdocenten op hun stageschool. Met beide varianten wordt in schooljaar 2018-2019 met alle ca. 150 studenten van de Lerarenopleiding gewerkt: het merendeel van de studenten in de studentenvariant, begeleid door vakdidactici, en een 20-tal studenten in het kader van de Groninger Opleidingsschool gekoppeld aan geïnteresseerde vakdocenten, begeleid door schoolopleiders, en waarbij vakdidactici als experts geraadpleegd kunnen worden.

Doel

LS voldoet aan kenmerken van effectieve en zinvolle docentprofessionalisering: gebaseerd op de eigen lespraktijk, de focus op het leren van leerlingen, samenwerking met collega’s, beschikbaarheid van voldoende tijd evenals voldoende duur (Van Veen en anderen, 2010). Daarbij bevordert het dat leraren theorie en praktijk verbinden (Bos-Bulterman, 2012). Naast het hierboven genoemde doel is een doel van participatie in LS, en dan bij voorkeur in partnerschappen met scholen die ook met LS werken, dat het studenten bewust maakt van en een tool meegeeft om een leven lang te leren als flexibele onderwijsprofessional. LS is niet iets eenmaligs, maar een continu proces van leren en ontwikkelen (Lewis, 2016).

Centrale uitdaging/probleem en verloop van de practice

Studenten associëren het beroep van docent vaak niet met onderzoek doen. Daarnaast hebben veel, vaak bèta-studenten een natuurwetenschappelijk en kwantitatief beeld van onderzoek doen. Het is een uitdaging om studenten het nut van LS te doen inzien.

Belangrijkste opbrengst

LS lijkt de onderzoekende houding bij studenten in de Lerarenopleiding te bevorderen.

Activering deelnemers tijdens presentatie

Zie praktijkvoorbeeld-1.

Discussiepunt

Hoe kan LS bijdragen aan een goede balans tussen kwalitatief ‘goed’ onderzoek en haalbaar onderzoek binnen het curriculum van de universitaire lerarenopleiding?

#_ftnref1 Uit Goei en anderen (2015, p.84, aangepast op basis van Stepanek en anderen (2007, p.3))

Individuele bijdrage 3 (symposium):

Praktijkvoorbeeld-3: Vakdidactisch onderzoek aan Universiteit Utrecht

Onderwerp

Van universitair opgeleide leraren wordt een bepaalde wetenschappelijke oriëntatie verwacht. Dit houdt in dat theorie en wetenschappelijke literatuur door leraren-in-opleiding worden verbonden met de alledaagse praktijk (Admiraal, Smit, & Zwart, 2013). Problematisch daarin is het gebrek aan ervaren relevantie door studenten omdat ze reeds een Masterdiploma hebben behaald en daarmee al hun onderzoekscompetenties hebben aangetoond. Ook het onderwerp van onderzoek (vaak onderwijskundig van aard) werd ervaren als weinig praktijkrelevant. In deze praktijkbijdrage wordt beoogd om de ervaren relevantie te vergroten door studenten ontwerponderzoek te laten verrichten vanuit het kader van design-based research (Plomp, 2013).

Context

Op de Utrecht University Graduate School of Teaching is recent een volledige curriculumherziening doorgevoerd (start collegejaar ‘18/’19). Vóór de herziening werd het uitvoeren van onderzoek ervaren als een geïsoleerde activiteit, georganiseerd in twee aparte vakken. Deze twee vakken zijn verdwenen en de wetenschappelijke oriëntatie wordt nu meer geïntegreerd in het curriculum in de vorm van een zichtlijn Onderzoek. Deze zichtlijn zit verweven door alle leerlijnen (stage, vakdidactiek en pedagogiek). Onderzoek naar de onderwijspraktijk benutten en uitvoeren is voor leraren-in-opleiding een essentiële professionele leerstrategie. Dit komt expliciet tot uiting binnen de cursus Vakdidactiek 2. Binnen Vakdidactiek 2 ontwikkelen studenten een (op onderzoek gebaseerde) oplossing voor een specifiek praktijkprobleem dat is gerelateerd aan een vakdidactisch onderwerp. Er zijn twee varianten mogelijk: het ontwerpen van een lessenserie (variant A) of het ontwikkelen van een oplossing voor een curriculumprobleem (variant B).

Doel

Het doel is dat studenten leren om een vakspecifiek leerprobleem of curriculumprobleem systematisch te onderzoeken middels kleinschalig vakdidactisch ontwerponderzoek gericht op verbetering van de onderwijspraktijk. Naast het genereren van evidence-informed oplossingen voor een praktijkprobleem, leren studenten hun inhoudelijke en vakdidactische expertise in samenhang te plaatsen met de schoolcontext door samen te werken met collega’s en de oplossingen te verbinden met de actualiteit van het curriculum van de school.

Centrale uitdaging/probleem en verloop van de practice

Aangezien deze praktijk nog in ontwikkeling is en dit het eerste jaar is dat ermee gewerkt wordt, worden met name uitdagingen verwacht op het gebied van:

Gezamenlijke taal van begeleiden en beoordelen van onderzoek ontwikkelen door vakdidactici (verschillende vakinhoudelijke disciplines kennen een ieder hun eigen ‘onderzoekstaal’)

Er is weinig ervaring op het gebied van curriculumonderzoek (variant B) binnen de lerarenopleiding

Belangrijkste opbrengst

De verwachte opbrengst is dat studenten onderzoek in de vernieuwde opzet inzetten als leerstrategie. Door hun eigen onderwijspraktijk systematisch te onderzoeken, onderzoek te koppelen aan hun eigen vakexpertise en daar lessen ter verbetering uit te trekken, ervaren ze het nut van het doen van praktijkgericht onderzoek.

Activering deelnemers tijdens presentatie

Zie praktijkvoorbeeld-1

Discussiepunt

In de vernieuwde opzet wordt geprobeerd om de ervaren relevantie voor leraren-in-opleiding te vergroten door het toegepaste karakter van ontwerponderzoek te benadrukken. Dit brengt het risico met zich mee dat praktijkgericht onderzoek als ‘minder wetenschappelijk’ wordt gezien, met name binnen de academische gemeenschap. In de discussie wil ik ingaan op de balans zoeken tussen onderzoek uitvoeren dat van ‘voldoende’ kwaliteit is en de werkbaarheid van onderzoek binnen het curriculum van de universitaire lerarenopleiding.

Leraren van de toekomst: flexibele professionals
academische docent, onderzoek in de opleiding, professionalising

Q-sort kaartenspel: de betekenis van docentonderzoek voor leraren in opleiding

Workshop98Carlos van Kan, Hogeschool van Arnhem en Nijmegen, NIJMEGEN

De Verdiepingdi 09:00 - 10:30

Abstract

De impact van onderwijsonderzoek op de onderwijspraktijk in scholen is beperkt. Dit betekent dat het zelden duidelijk waarom sommige strategieën, technieken, methoden en benaderingen in de ene context wel werken, en in de andere niet. Het gevolg is dat praktische wijsheid dikwijls de enige bron is voor goed onderwijs. Er is in de lerarenopleiding meer aandacht nodig voor zowel kennisbenutting als kennisontwikkeling in de onderwijspraktijk door middel van docentonderzoek. In deze workshop staat de verkenning van de relevantie en toepassing van het Q-sort kaartenspel 'professioneel handelen' voor het opleiden van leraren centraal. Middels dit kaartenspel wordt de betekenis van drie soorten docentonderzoek voor de onderwijspraktijk in kaart gebracht (onderzoeksmatige houding, het toepassen van onderzoek en het doen van onderzoek). In de workshop wordt de theoretische achtergrond van de q-sort belicht, het q-sort kaartenspel ervaren en wordt besproken op welke wijze het q-sort kaartenspel 'professioneel handelen' van betekenis is voor het opleiden van leraren.

Korte beschrijving

In deze workshop wordt (1) de theoretische achtergrond van de q-sort vragenlijst ‘professioneel handelen van docenten’ (kritisch beschouwen, toepassen inzichten, onderzoek doen) belicht, (2) het daarop gebaseerde q-sort kaartenspel ervaren, en (3) wordt besproken op welke wijze het kaartenspel van betekenis is voor het opleiden van leraren en de onderwijspraktijk.

Tekst

Onderwerp en context

Zorgen omtrent de benutting van wetenschappelijk kennis voor de onderwijspraktijk zijn niet nieuw en reeds jaren onderwerp van discussie rond de zogenaamde kloof tussen theorie en praktijk (Admiraal, 2013; Broekkamp, Vanderlinde, Van Hout-Wolters, & Van Braak, 2009). De onderbenutting van wetenschappelijke kennis voor de onderwijspraktijk houdt in dat deze over het algemeen onvoldoende is gebaseerd op nieuwe en effectieve werkwijzen, dat nieuwe manieren van onderwijs opnieuw worden uitgevonden en dat de onderwijspraktijk zich moeizaam verder ontwikkelt dan het bereik van de eigen klas. Er is in de lerarenopleiding meer aandacht nodig voor zowel kennisbenutting als kennisontwikkeling in de onderwijspraktijk door middel van docentonderzoek. In deze workshop staat het Q-sort kaartenspel ‘professioneel handelen’ centraal, waarmee de betekenis van docentonderzoek voor docenten in het primair, voortgezet en middelbaar beroepsonderwijs in beeld wordt gebracht.

Theoretisch kader

De term docentonderzoek omvat de drie aspecten:

Kritisch beschouwen van de onderwijspraktijk.Het gaat hier zowel om een onderzoeksmatige houding (Bruggink & Harinck, 2012 als onderzoeksmatig gedrag van docenten zoals reflecteren op eigen handelen, analyseren van de eigen praktijk, delen van kennis en ervaringen met collega’s, bij elkaar in de les kijken en samen onderwijs evalueren (Zwart, Van Veen, & Meirink, 2012).

Toepassen van kennis uit onderzoek.Het gaat hier om gedrag dat kenmerkend is voor kennisbenutting door docenten (Schenke, 2015), zoals raadplegen van verschillende bronnen, lezen van onderzoeksliteratuur, bespreken van bestaande inzichten en uitproberen van interventies.

Onderzoek door docenten.Dit betreft een gerichte dataverzameling door docenten over school en/of onderwijspraktijk waarbij een bepaalde navolgbare systematiek wordt gehanteerd (Zwart, Smit, & Admiraal, 2015).

Achtergrond q-sort kaartenspel ‘professioneel handelen’

De Q-sortmethode is een geforceerde keuzebenadering van onderzoek (Van Exel & De Graaf, 2005), gebaseerd op Q-methodologie, een ‘mixed-methods’ benadering die geschikt is in onderzoek naar opvattingen, belevingen en interpersoonlijke relaties (Jedeloo & Van Staa, 2009). In de ontwikkelde vragenlijst rangschikken de respondenten de drie bovengenoemde aspecten van docentonderzoek op twee verschillende wijzen: 1) ten opzichte van andere clusters van docentcompetenties (interpersoonlijk, vakinhoudelijk en didactisch, pedagogisch, organisatorisch, samenwerken en reflectie); 2) ten opzichte van elkaar. De resultaten geven aan wat de betekenis van de onderscheiden soorten docentonderzoek is voor de school ten opzichte van andere relevante competentiegebieden van docenten en ten opzichte van elkaar. Deze q-sort vragenlijst vormt de basis van het q-sort kaartenspel ‘professioneel handelen’.

Doel en opbrengst van de workshop

In deze workshop wordt (1) de theoretische achtergrond van de q-sort vragenlijst en de voorlopige opbrengsten daarvan belicht, (2) het q-sort kaartenspel ‘professioneel handelen van docenten’ ervaren, en (3) wordt besproken op welke wijze het kaartenspel van betekenis is voor het opleiden van leraren en de onderwijspraktijk.

Leraren van de toekomst: flexibele professionals
docentonderzoek, lerarenopleiding

Een op social justice gerichte lerarenopleiding?!?

Ronde en hoekige tafelgesprekken23Monique Leygraaf, Hogeschool iPabo, AMSTERDAM

Emma de Jongzaal - tafel 1di 09:00 - 10:30

Abstract

De diversiteit in routes naar het leraarschap leidt in bijvoorbeeld de Verenigde Staten tot hevige discussies en zelfs strijd, waarbij veelal wordt voorbijgegaan aan de meer fundamentele vraag die aan de route-vraag vooraf gaat: wat is het doel van de lerarenopleiding? Waar het in de Amerikaanse context vanzelfsprekend lijkt om bij deze vraag naar het doel van de lerarenopleiding ook expliciet politieke kwesties rond macht en Social Justice te betrekken, lijkt dit in Nederland een minder vanzelfsprekende zaak – en precies deze laatst genoemde indruk wil in dit tafelgesprek onderzocht worden. Daarom zal allereerst met name de politieke dimensie van de vraag naar het doel van de lerarenopleiding verkend worden: heeft de lerarenopleiding een rol in het terugdringen van [machts]ongelijkheid? In hoeverre dienen Vlaamse en Nederlandse lerarenopleidingen gericht te zijn op Social Justice? Hierbij zullen we ons denken laten prikkelen door internationale inzichten met betrekking tot de politieke dimensie van de lerarenopleiding. Vervolgens zullen vanuit dit gesprek de consequenties en mogelijkheden voor de verschillende opleidingsroutes verkend worden. Het instrument van de Stille Dialoog en citaten uit internationale literatuur zullen ons hierbij behulpzaam zijn.

Korte beschrijving

Omwille van het opleiden voor de toekomst in de diversiteit aan opleidingsroutes zoals we die nu al kennen, staan we in dit tafelgesprek stil bij vragen die ten grondslag liggen aan het opleiden en laten we ons uitdagen door soms scherpe vragen die vanuit een internationale context op ons afkomen.

Tekst

Praktijk van waaruit ingediend:

Dit tafelgesprek wordt ingediend vanuit een kennis-/onderzoekscentrum dat functioneert binnen een Nederlandse hbo-lerarenopleiding. Net als andere lerarenopleidingen kent deze pabo tal van routes die tot het leraarschap leiden: voltijd, deeltijd, verkorte deeltijd, zij-instroom, universitaire pabo… Deze diversiteit in opleidingsroutes is een internationaal fenomeen, en leidt bijvoorbeeld in de Verenigde Staten tot een ware strijd tussen traditionele routes en alternatieve routes, waarbij Gatti (2016) opmerkt dat het maken van dit onderscheid in feite onmogelijk is door de grote variatie binnen en tussen de routes en het ontbreken van een gedeelde definitie van wat ‘alternatief’ en ‘traditioneel’ zou zijn. Bovendien verduistert dit onderscheid de vraag waar het naar haar idee ten diepste om gaat: wat is het doel van de lerarenopleiding? Waar het voor Gatti (en anderen) in haar Amerikaanse context vanzelfsprekend lijkt om bij deze vraag naar het doel van de lerarenopleiding ook expliciet politieke kwesties rond macht(songelijkheid) en Social Justice te betrekken, lijkt dit in Nederland een minder vanzelfsprekende zaak – en precies deze laatst genoemde indruk wil in dit tafelgesprek onderzocht worden.

Onderwerp:

Welke termen hanteren wij in Vlaanderen en Nederland wanneer we denken over het doel van de lerarenopleiding? En in hoeverre zien wij een rol weggelegd voor de lerarenopleiding in het terugdringen van maatschappelijke (machts)ongelijkheid? Hoe (ir)reëel en/of (on)wenselijk is een op Social Justice gerichte lerarenopleiding binnen de Vlaamse en Nederlandse contexten?

Het tafelgesprek richt zich met deze vragen naar de politieke dimensie van het doel van de lerarenopleiding in eerste instantie op vragen die in feite vooraf gaan aan de vragen naar de verschillende opleidingsroutes. Vanuit het gesprek over deze vragen zullen vervolgens de consequenties en mogelijkheden voor de verschillende opleidingsroutes verkend worden.

Context:

Wanneer de Amerikaanse, Vlaamse en Nederlandse standaarden voor de lerarenopleider op het punt van de politieke dimensie van de lerarenopleiding met elkaar vergeleken worden, valt op dat met name in de Amerikaanse standaard het politieke aspect zeer expliciet verwoord wordt: “promote social justice in teacher education (Association of Teacher Educators, 2007, p. 2). Hoewel minder expliciet komt het politieke aspect ook naar voren in het Vlaamse profiel, met name in de rol van de geëngageerde professional (Mets & Van den Hauwe, 2015). De Nederlandse beroepsstandaard (VELON, 2018) daarentegen lijkt vooral de lerarenopleider binnen de opleiding centraal te stellen.

Doel:

Het gezamenlijk verkennen van de politieke dimensie van het doel van de lerarenopleiding; en van daaruit nagaan welke mogelijkheden dit biedt voor de verschillende opleidingsroutes.

Praktische en/of beleidsmatige relevantie:

Door het vertrekpunt te nemen in vragen die vooraf gaan aan de verschillende opleidingsroutes en door ons te laten prikkelen door internationale inzichten, zal het denken over het opleiden van leraren in alle mogelijke routes gestimuleerd worden.

Activering deelnemers:

Stille dialoog (Castelijns, Koster, & Vermeulen, sd) en discussie naar aanleiding van citaten uit internationale bronnen.

Discussiepunt:

Hoe wenselijk en/of noodzakelijk achten wij een op Social Justice georiënteerde lerarenopleiding?

Kwaliteit voor en ín de klas
Ongelijkheid, Politieke dimensie,

Elke docent een groeigerichte mindset?!

Ronde en hoekige tafelgesprekken24Ellen van Kooten, Hogeschool van Amsterdam, AMSTERDAM

Emma de Jongzaal - tafel 1di 09:00 - 10:30

Abstract

Hoewel leraren in opleiding bekend zijn met de mindset-theorie van Dweck, is er nog weinig aandacht voor de ontwikkeling van de mindset van henzelf. Omdat de beroepsgerichte lerarenopleiding een grote mbo-instroom met specifieke rigide mindset-gedachten kent, vinden opleiders van de lerarenopleiding Horeca en Voeding dat er aandacht moet komen voor het ontwikkelen van een meer groeigerichte mindset van toekomstige leraren. Tijdens het ronde tafelgesprek delen we kort onze ervaring met rigide mindset-gedachten van leraren in opleiding en een programma dat als doel heeft meer op groeigerichte mindset gedachten te ontwikkelen. Vervolgens vragen we deelnemers kritisch mee te denken vanuit zowel theorie als eigen ervaringen over de noodzaak van een dergelijk onderwijsprogramma op de lerarenopleiding. Daarbij zullen we deelnemers uitnodigen om in gesprek te gaan over de volgende twee stellingen: 1) Rigide mindset-gedachten van studenten horen niet op het hbo, zeker niet op een lerarenopleiding, 2) Gaat het bij de mindset-theorie van Dweck om oude wijn in nieuwe zakken of voegt de theorie iets toe aan bestaande theorieën?

Korte beschrijving

Hoewel leraren in opleiding bekend zijn met de mindset-theorie van Dweck, is er nog weinig aandacht voor de ontwikkeling van hun mindset. Aandacht voor een groeigerichte mindset draagt niet alleen bij aan studiesucces maar leidt ook tot veerkrachtige mbo-leraren voor de toekomst.

Tekst

Praktijk van waaruit ingediend

Beroepsgerichte lerarenopleiding Horeca en Voeding

Onderwerp

Op basis van een onderzoek naar intelligentie en leren concludeert Carol Dweck dat er twee soorten mindsets te onderscheiden zijn bij studenten. Een student met een groeigerichte mindset heeft een geheel aan innerlijke overtuigingen dat stelt dat iemand zijn intelligentie kan vergroten of ontwikkelen door inzet, doorzettingsvermogen en door zich te richten op het leerproces. Een student met een rigide mindset heeft een geheel aan innerlijke overtuigingen dat stelt dat iemands intelligentie, vaardigheden en talenten al bij voorbaat vaststaan. Samenvattend, de student heeft de overtuiging dat zijn leervermogen een redelijk vast gegeven is of dat zijn leervermogen zich verder kan ontwikkelen.

Centraal staat de mindset waarmee (mbo-)studenten de beroepsgerichte lerarenopleiding instromen. Specifiek gaat het om de rigide mindset van de (mbo-)studenten en hoe deze hun ontwikkeling kunnen belemmeren, alsook om de vraag hoe zij een meer op groeigerichte mindset kunnen ontwikkelen en internaliseren.

Context

(Beroepsgerichte) lerarenopleidingen

Doel

We delen onze kennis en ervaringen met een programma dat aandacht heeft voor de (op groeigerichte) mindset van (mbo-)studenten op de lerarenopleiding. Daarnaast vragen we deelnemers kritisch mee te denken vanuit zowel theorie als eigen ervaringen over de noodzaak en meerwaarde van een dergelijk onderwijsprogramma op de lerarenopleiding.

Praktische en/of beleidsmatige relevantie

Op de beroepsgerichte lerarenopleidingen is de instroom van mbo-studenten zeer hoog (> 80%). Deze groep studenten komt veelal binnen met rigide mindset-gedachtes, die hen belemmeren in hun professionele ontwikkeling. Binnen de lerarenopleiding Horeca en Voeding vinden opleiders dat aandacht voor de ontwikkeling van een op groeigerichte mindset van invloed is, al dan niet voorwaardelijk is, op de mate waarin studenten leerstrategieën ontwikkelen en/of inzetten. Tevens constateren de opleiders dat docenten in opleiding het gedachtengoed van de groeigerichte mindset in de mbo-instellingen brengen.

Activering deelnemers

Gestart wordt met een korte uitleg van de theorie, gevolgd door twee korte voorbeelden van rigide mindset-gedachten van studenten. Vervolgens wordt deelnemers gevraagd eigen ervaringen te delen en aan te geven in welke mate de gepresenteerde voorbeelden herkenbaar zijn voor henzelf. Zo mogelijk worden er aansluitend bij de naar voren gebrachte voorbeelden door de deelnemers twee vraagstukken aan de hand van stellingen ter discussie gebracht. Het eerste vraagstuk gaat in op de vraag of het mindset-gedachtengoed van Dweck iets toevoegt aan bestaande theorieën en zo ja, wat wel/niet? Het tweede vraagstuk gaat in op de vraag of het hbo en specifiek lerarenopleidingen aandacht moeten hebben voor het ontwikkelen van een groeigerichte mindset van toekomstige leraren en hun leerlingen.

Discussiepunt

Rigide mindset-gedachten van studenten horen niet op het hbo, zeker niet op een lerarenopleiding. Gaat het bij de theorie over rigide en groeigerichte mindsets om oude wijn in nieuwe zakken of voegt de theorie iets toe aan bestaande theorieën?

Kwaliteit voor en ín de klas
beroepsgerichte lerarenopleidingen, growth mindset, mbo-student

Dubbele lerarenopleiding PABO-ALO van de HAN: ontwikkelproces en kritieke succesfactoren

Ronde en hoekige tafelgesprekken93Willemijn van Gurp, Mike Hurkx, Hogeschool van Arnhem en Nijmegen, NIJMEGEN/ARNHEM

Emma de Jongzaal - tafel 1di 09:00 - 10:30

Abstract _x000D_

De HAN is afgelopen september 2018 gestart met een nieuw traject namelijk de ‘dubbele lerarenopleiding’ PABO-ALO (ALO is de Lerarenopleiding eerste graad Lichamelijk Opvoeding). In dit traject behalen studenten na vijf jaar twee diploma’s: het pabo diploma en het ALO diploma. Studenten zijn daarmee bevoegd om als groepsleerkracht les te geven in het basisonderwijs en hebben een eerstegraads bevoegdheid om als docent sport- en bewegingsonderwijs les te geven in alle onderwijstypen (basisonderwijs, voortgezet onderwijs, speciaal onderwijs, (v)mbo en hoger onderwijs). Met dit traject willen we bijdragen aan een grotere diversiteit van leraren in het PO, aan de toenemende vraag naar bevoegde vakleerkrachten bewegingsonderwijs en aan meer loopbaanmogelijkheden van deze doelgroep studenten. Afgestudeerden kunnen met hun twee diploma’s van de Pabo en ALO (nog beter) integraal naar kinderen kijken, zowel vanuit het pedagogisch, didactisch en vakinhoudelijk perspectief als vanuit het perspectief van bewegen en gezondheid. Het ronde tafelgesprek omvat een kort en bondig overzicht van het ontwikkelproces en kritische succesfactoren waarna op interactieve wijze gekeken wordt naar overkoepelende vraagstukken bij het opzetten en uitvoeren van soortgelijke trajecten._x000D_

Korte beschrijving _x000D_

De HAN is afgelopen september 2018 gestart met een nieuw traject namelijk de ‘dubbele lerarenopleiding’ PABO-ALO. Het ronde tafelgesprek omvat een kort en bondig overzicht van het ontwikkelproces en kritische succesfactoren waarna op interactieve wijze gekeken wordt naar overkoepelende vraagstukken bij het opzetten en uitvoeren van soortgelijke trajecten._x000D_

Tekst _x000D_

De HAN is afgelopen september 2018 gestart met een nieuw traject een ‘dubbele lerarenopleiding’ PABO-ALO (Lerarenopleiding eerste graad Lichamelijk Opvoeding). In dit traject behalen studenten na vijf jaar twee diploma’s: het pabo diploma en het ALO diploma. Studenten zijn daarmee bevoegd om als groepsleerkracht les te geven in het basisonderwijs en hebben een eerstegraads bevoegdheid om als docent sport- en bewegingsonderwijs les te geven in alle onderwijstypen (basisonderwijs, voortgezet onderwijs, speciaal onderwijs, (v)mbo en hoger onderwijs). _x000D_

De aanleidingen om dit traject te ontwikkelen zijn onder te brengen in enkele grootheden, te weten lerarentekort, werkgelegenheid, relevantie sport en bewegen, bevoegdheden van diploma’s, opleidingsvarianten, aantrekken van meer mannen in het PO, loopbaanperspectieven voor studenten. Dit traject draagt bij aan een grotere diversiteit van leraren in het PO; aan de toenemende vraag naar bevoegde vakleerkrachten bewegingsonderwijs en draagt bij aan meer loopbaanmogelijkheden voor deze doelgroep studenten. De centrale uitdaging van deze dubbele lerarenopleiding is het vormgeven van het vijfjarig-traject waarbij studenten voldoen aan de eindkwalificaties van beide voltijdopleidingen en binnen een studeerbaar programma. Dit brengt een aantal uitdagingen met zich mee op verschillende niveaus waaronder: curriculumontwikkeling (juridisch, veelheid toetsing reduceren), verschil in werkwijzen en cultuur tussen de opleidingen, selectiebeleid, onderwijsvisie et cetera. Zo vraagt het vanuit juridisch oogpunt bijvoorbeeld, om op grond van een vergelijking van beide curricula, over en weer vrijstellingen te verlenen op basis van behaalde toetsingscriteria. De belangrijkste opbrengsten tot dusver zijn dat we een globaal traject van vijf jaren hebben uitgestippeld waarmee we de student in staat stellen om beide diploma’s te behalen (pabo diploma zelfs al na vier jaren). Daarnaast hebben we een selectiebeleid opgesteld voor studenten, hebben we de onderwijsorganisatie van twee opleidingen op elkaar afgestemd en is het onderwijs voor het eerste schooljaar georganiseerd. We zitten momenteel in de fasen waarin we de kernfase/ hoofdfase concretiseren die volgend jaar voor de eerste groep studenten gaat starten._x000D_

Het ronde en hoekige tafelgesprek omvat een kort en bondig overzicht van het ontwikkelproces en kritische succesfactoren waarna op interactieve wijze gekeken wordt naar overkoepelende vraagstukken bij het opzetten en uitvoeren van soortgelijke trajecten. Overkoepelende vraagstukken zijn onder anderen: a) Verschil werkwijze en cultuur van de twee opleidingen. Hoe verbinden we twee werelden?; b) Curriculumontwikkeling. Hoe kunnen we voldoen aan de eindkwalificaties van twee opleidingen binnen de gestelde vijf jaren en de studielast behapbaar houden?; c) Selectiebeleid studenten. Welk soort studenten zijn geschikt en hoe selecteren we?; d) Onderwijsorganisatie. Hoe geven we een lesweek vorm en waar krijgen ze (welke) les? Tevens staan we ook stil bij zaken waar we tegenaan lopen en verkennen we op interactieve wijze met de deelnemers hoe dit bij ons en in soortgelijke trajecten opgepakt kan worden. Zaken waar we tegenaan lopen betreffen onder andere het realiseren van overlegmomenten, besluitvormingsproces en de omvang van zo’n traject._x000D_

Kwaliteit voor en ín de klas
bewegingsonderwijs, curriculumontwikkeling, twee diploma's

Duo-stages: van en met elkaar leren tijdens de stage

Ronde en hoekige tafelgesprekken35Mariëlle Theunissen, Hogeschool Rotterdam, ROTTERDAM

Emma de Jongzaal - tafel 2di 09:00 - 10:30

Abstract

De tweedegraads lerarenopleiding van het Instituut voor Lerarenopleiding van Hogeschool Rotterdam plaatst eerstejaars studenten in tweetallen bij hun stage (duo-stage) op een opleidingsschool. We hebben onderzoek gedaan naar de vormen, voor- en nadelen van duo-stages onder studenten en hun begeleiders. Met behulp van interviews en schriftelijke vragenlijsten hebben we resultaten verkregen, op basis waarvan we concluderen dat het aantal ervaren voordelen groter is dan de nadelen. De studenten ervaren dat ze veel van en met elkaar kunnen leren en zich veilig voelen bij elkaar. De vormen die het meest genoemd worden zijn elkaars lessen observeren en nabespreken. Er zijn echter veel meer varianten van co-teaching mogelijk, die nauwelijks benut worden. Studenten vragen om aandacht voor het matchen van de duo’s en de begeleiders vragen om voldoende begeleidingstijd en aanwijzingen voor het begeleiden van een duo.

Samenwerking tussen leraren wordt steeds belangrijker: steeds meer scholen zien de verantwoordelijkheid voor leerprocessen van groepen leerlingen als een gezamenlijke van het docententeam. Door in tweetallen op stage te gaan, kunnen de studenten werken aan hun samenwerkingsvaardigheden. Tijdens het ronde tafelgesprek wisselen we ervaringen met duo-stages uit vanuit onze nieuwsgierigheid naar de eventuele vliegwielwerking van duo-stages op het samenwerkende aspect van het lerarenberoep. Korte beschrijving

Lesgeven wordt van oudsher gezien als een individuele verantwoordelijkheid van elke leraar. Steeds meer scholen zien deze verantwoordelijkheid als een gezamenlijke van het docententeam. Studenten kunnen hierop krachtig worden voorbereid door samen op stage te gaan, waardoor ze beter zijn voorbereid op het beroep voor de toekomst.

Tekst

- Praktijk van waaruit ingediend

De tweedegraads lerarenopleiding van het Instituut voor Lerarenopleiding van Hogeschool Rotterdam (IvL-Lero) plaatst in 2018-2019 eerstejaars studenten in duo’s bij hun stage op een opleidingsschool. Daarom is een exploratief onderzoek uitgevoerd onder een klein aantal duo’s en hun begeleiders die hier ervaring mee opdoen.

- Onderwerp

Met duo-stage bedoelen we de plaatsing van twee studenten van hetzelfde vak bij één werkplekbegeleider, of bij één sectie/team in het geval de begeleiding door een groep mensen wordt gedaan.

- Context

Het pleidooi om het leraarsberoep als een collaboratief beroep te zien, wordt steeds sterker (Snoek, Kools, & Walraven, 2016; Holvoet, Feremans, & Depaepe, 2017; Nokes, Bullough jr., Egan, Birrell, & Hansen, 2008). Als lesgeven als een gedeelde verantwoordelijkheid wordt gezien, kan er meer gebruik gemaakt worden van elkaars kwaliteiten en kunnen leraren zich meer profileren en specialiseren. De lerarenopleiding zou daarom onderlinge samenwerking tussen leraren (in opleiding) als inherent onderdeel van het leraarschap moeten beschouwen. Dat kan de lerarenopleiding uitdragen door haar studenten bijvoorbeeld samen op stage te laten gaan.

- Doel

Met het onderzoek is inzicht verkregen in de ervaringen en opvattingen van de studenten en hun begeleiders over duo-stages. De opbrengst van het onderzoek zijn ingrediënten voor de stagelessen voor studenten en voor de professionalisering van de begeleiders.

Met behulp van interviews en schriftelijke vragenlijsten hebben we resultaten verkregen, op basis waarvan we concluderen dat het aantal ervaren voordelen groter is dan de nadelen. De studenten ervaren dat ze veel van en met elkaar kunnen leren en zich veilig voelen bij elkaar. De vormen die het meest genoemd worden zijn elkaars lessen observeren en nabespreken. Er zijn echter veel meer varianten van co-teaching mogelijk, die nauwelijks benut worden. Studenten vragen om aandacht voor het matchen van de duo’s en de begeleiders vragen om voldoende begeleidingstijd en aanwijzingen voor het begeleiden van een duo.

Het doel van het ronde tafel gesprek is het delen van onze ervaringen met duo-stages, en het ophalen van ervaringen van anderen, teneinde het concept duo-stages te versterken.

- Praktische en/of beleidsmatige relevantie

Voor de lerarenopleiding van Hogeschool Rotterdam kunnen duo-stages niet alleen een kwantitatief probleem oplossen met betrekking tot het aantal beschikbare stageplaatsen, maar ook een kwaliteitsslag betekenen in het beter voorbereiden van studenten op het leraarsberoep.

- Activering deelnemers

Na een korte inleiding worden de aanwezigen uitgenodigd eigen ervaringen met duo-stages in te brengen aan de hand van een reeks gesprekspunten over de ervaren voor- en nadelen van duo-stages, de vormen van duo-stages (varianten van co-teaching) die voorkomen, randvoorwaarden, voorbereiding van studenten en begeleiders, en de (veronderstelde en ervaren) meerwaarde van duo-stages. Afhankelijk van de hoeveelheid inbreng bespreken we dit in kleinere groepen.

- Discussiepunt

We willen het gesprek graag afronden met een stellingname – vanuit de aanname dat meer samenwerking tussen leraren wenselijk is – over de vraag: kunnen duo-stages worden gebruikt als vliegwiel voor meer samenwerking tussen leraren? Op welke manier?

Anders organiseren van onderwijs: wat en hoe
Co-teaching, Duo-stages

Schaarste - waarom arme leerlingen domme beslissingen nemen

Ronde en hoekige tafelgesprekken80Gytha Burman, Universiteit Antwerpen, ANTWERPEN

Emma de Jongzaal - tafel 2di 09:00 - 10:30

Abstract

In het boek 'Schaarste' beschrijven Harvard-econoom Sendhil Mullainathan en Princeton-psycholoog Eldar Shafir hoe schaarste (gebrek aan tijd of geld) maakt dat mensen dommere beslissingen maken. Arme mensen en mensen in tijdgebrek presteren ondermaats, niet omdat ze minder capabel zijn, maar wel doordat hun geest of bandbreedte deels ingenomen wordt door de occupatie met schaarste. Experimenteel onderzoek toont aan dat personen die schaarste ervaren, lager scoren op cognitieve capaciteit (m.n. vloeibare intelligentie) en executieve controle. Hier verschijnt het beeld van de hyperactieve of net hypoactieve leerling uit het beroepsonderwijs die wel slimme dingen vertelt, maar die zijn taken niet inlevert of er niet in slaagt tijd te maken om te studeren voor de examens. De theorie van schaarste kan niet alleen op leerlingen, maar ook op leraren toegepast worden: leraren die tijdsgebrek of een gebrek aan vertrouwen ervaren, zullen minder goed presteren. Wat betekent dit voor voor professionals in het onderwijs van wie steeds meer flexibiliteit en administratieve eisen gevraagd wordt? Wat voor scholen hebben leraren nodig om met een optimale bandbreedte te kunnen werken? Opdat de leraren in staat zijn om leercontexten te creëren waarin de bandbreedte van hun leerlingen zo weinig mogelijk (verder) belast wordt.

Korte beschrijving

Experimenteel onderzoek uitgevoerd door Harvard-econoom Sendhil Mullainathan en Princeton-psycholoog Eldar Shafir toont aan dat personen die schaarste ervaren, lager scoren op cognitieve capaciteit (m.n. vloeibare intelligentie) en executieve controle. Wat betekent dit voor voor leraren? En welke vaardigheden dienen we die professionals daarom aan te leren in de lerarenopleidingen?

Tekst

In het boek 'Schaarste' beschrijven Harvard-econoom Sendhil Mullainathan en Princeton-psycholoog Eldar Shafir hoe schaarste (gebrek aan tijd of geld) maakt dat mensen dommere beslissingen maken. Arme mensen en mensen in tijdgebrek presteren ondermaats, niet omdat ze minder capabel zijn, maar wel doordat hun geest of bandbreedte deels ingenomen wordt door de occupatie met schaarste. Experimenteel onderzoek toont aan dat personen die schaarste ervaren, lager scoren op cognitieve capaciteit (m.n. vloeibare intelligentie) en executieve controle. Hier verschijnt het beeld van de hyperactieve of net hypoactieve leerling uit het beroepsonderwijs die wel slimme dingen vertelt, maar die zijn taken niet inlevert of er niet in slaagt tijd te maken om te studeren voor de examens. De theorie van schaarste kan niet alleen op leerlingen, maar ook op leraren toegepast worden: leraren die tijdsgebrek of een gebrek aan vertrouwen ervaren, zullen minder goed presteren. Wat betekent dit voor voor professionals in het onderwijs van wie steeds meer flexibiliteit en administratieve eisen gevraagd wordt? Wat voor scholen hebben leraren nodig om met een optimale bandbreedte te kunnen werken? Opdat de leraren in staat zijn om leercontexten te creëren waarin de bandbreedte van hun leerlingen zo weinig mogelijk (verder) belast wordt.

Anders organiseren van onderwijs: wat en hoe
Armoede, Schaarste, Tijdgebrek

Samen eigentijdser?

Ronde en hoekige tafelgesprekken91Yvonne Rijns, Universiteit van Amsterdam, AMSTERDAM

Emma de Jongzaal - tafel 2di 09:00 - 10:30

Abstract

Het opleiden van eerstegraadsdocenten die ook op vernieuwingsscholen goed uit de voeten kunnen vraagt om een nieuwe aanpak. De ervaring leert dat studenten in opleiding hun stage vaak starten met het beeld van hun eigen middelbare school in het hoofd. Dit wordt versterkt doordat de eerstegraadsopleidingen, mede door hun relatief korte duur, vooral lijken op te leiden voor een meer ‘traditionele didactiek’. De confrontatie met de didactiek en organisatie van het onderwijs op de vernieuwingsschool (bijvoorbeeld het werken in leerpleinen, gepersonaliseerd onderwijs) wordt ervaren als een “shock” en het leidt vaak tot handelingsverlegenheid bij de studenten.

Hoe kunnen eerstegraadsopleidingen en vernieuwende opleidingsscholen samen zorgen voor een eigentijdsere voorbereiding van studenten? Welke vaardigheden en kennis hebben studenten in het bijzonder of extra nodig om adequaat mee te draaien op deze scholen?

De ILO/ UvA participeert in een traject met de vernieuwende PLEION scholen (o.a. Arte College en Hyperion) in Amsterdam om op deze vragen gezamenlijk antwoorden te ontwikkelen. In deze sessie, samen vormgegeven met een van de PLEION scholen, delen we graag onze eerste inzichten en ervaringen met betrekking tot het “eigentijdser opleiden” zoals hierboven beschreven. Ook zijn we benieuwd naar input van anderen die op dit gebied stappen (willen) zetten.

Korte beschrijving

Scholen en lerarenopleidingen willen samen stappen zetten naar het onderwijs van de toekomst. Daarom willen we manieren ontwikkelen om bij het opleiden van eerstegraads leraren beter in te spelen op de praktijk op de zogenaamde vernieuwingsscholen. Het rond en hoekig tafelgesprek wordt samen vormgegeven met collega’s van een vernieuwende opleidingsschool.

Tekst

Onderwerp

Het onderwerp van het rond en hoekig tafelgesprek is een verkenning van en discussie over manieren om studenten op eerstegraads lerarenopleidingen “eigentijdser” op te leiden: m.a.w. op te leiden op een manier die hen in staat stelt beter uit de voeten te kunnen op vernieuwingsscholen.

Doel

In dit rond en hoekig tafelgesprek, samen vormgegeven met een van de genoemde vernieuwende PLEION scholen, delen we graag onze eerste inzichten, ervaringen en uitdagingen met betrekking tot het “eigentijdser opleiden”. Ook zijn we benieuwd naar ervaringen en input van anderen die op dit gebied stappen (willen) zetten. Doel is kennisuitwisseling, en van daaruit verder bouwen.

Praktijk van waaruit ingediend

De ILO/ UvA participeert in een pilot ‘Samen eigentijdser opleiden’, met een aantal Amsterdamse vernieuwingsscholen. Deze sessie komt voort uit de spanning die vernieuwingsscholen ervaren met studenten in opleiding, de uitdagingen die we bij de ILO tegenkomen m.b.t. het eigentijdser opleiden en discussies die in de pilot worden gevoerd over dit thema.

Context

De aanleiding voor de pilot ligt in de constatering van schoolopleiders en werkplekbegeleiders van de vernieuwende PLEION scholen dat studenten hun stage vaak starten met het beeld van hun eigen middelbare school in het hoofd. Ook geven zij aan dat de opleidingen vooral lijken op te leiden voor een meer ‘traditionele didactiek’. De confrontatie met de didactiek en de organisatie van het onderwijs op de vernieuwingsschool (bijvoorbeeld het werken in leerpleinen, gepersonaliseerd onderwijs) wordt als een shock ervaren en leidt vaak tot handelingsverlegenheid bij de studenten.

Praktische en/of beleidsmatige relevantie

De pilot past goed in het projectplan ‘Samen opleiden en professionaliseren’ van de VO-raad. Een van de doelstellingen van dat project is het verbeteren van de samenwerking tussen lerarenopleidingen en scholen: het doel van deze pilot is immers om samen met een aantal vernieuwingsscholen een curriculumonderdeel te ontwikkelen of te versterken dat studenten (beter) voorbereidt op deze ‘andere’ didactiek’.

De pilot beoogt in eerst instantie inhoudelijk een antwoord te formuleren op een specifieke vraag van opleidingsscholen en instituten over opleiden voor vernieuwingsscholen. “Eigentijds opleiden” en de aanpakken die in deze pilot ontwikkeld worden zullen zich op de langere termijn niet beperken tot deze scholen, maar zullen meegenomen kunnen en moeten worden in bredere ontwikkeling van het opleiden van leraren van de toekomst.

Activering deelnemers

Deelnemers wordt gevraagd mee te denken over een aantal specifieke vragen (zie hieronder). Samen met de collega’s van de vernieuwingsschool zal nagedacht worden over een activeringsmethodiek passend bij het onderwerp.

Discussiepunten

Wat betekent het voor studenten van de eerstegraads lerarenopleiding om stage te lopen op vernieuwingsscholen? Hoe kunnen we van hieruit samen met deze scholen het curriculum voor de studenten eigentijdser maken?

Anders organiseren van onderwijs: wat en hoe
vernieuwingsscholen

Samen opleiden: doelen en begeleiding van praktijkonderzoek in het licht van de toekomstige leraar

Workshop106Els van der Wal, Eline Verweij, Janneke van der Steen, Hogeschool van Arnhem en Nijmegen, NIJMEGEN

Frontdi 09:00 - 10:30

Abstract

Welk doel heeft u voor ogen met praktijkonderzoek door studenten? Welke rol gaat praktijkonderzoek volgens u spelen bij de leraar van de toekomst? Gaat het u vooral om het ontwikkelen van de onderzoekende houding, het opdoen van kennis door praktijkonderzoek, of om het leveren van een bijdrage aan de school/opleidingspraktijk? In onderzoek binnen de tweedegraads Lerarenopleiding Gezondheidszorg en Welzijn (HAN) zijn we over bovenstaande vragen het gesprek aangegaan met lerarenopleiders vanuit de opleiding, lerarenopleiders vanuit de praktijk én studenten. We onderscheiden verschillende doelen van praktijkonderzoek: professionele ontwikkeling, schoolontwikkeling en kennisontwikkeling. Bij elk van de doelen zijn andere kwaliteitseisen relevant (Newton & Burgess, 2008). De doelen van praktijkonderzoek die men voor ogen heeft, geven daarmee richting aan onderzoeksbegeleiding, van zowel lerarenopleiders uit de opleiding als de praktijk (Van der Steen & Oolbekkink-Marchand, 2017). Vandaar dat afstemming met alle betrokkenen over de boogde doelen van praktijkonderzoek nodig is voor passende en gezamenlijke onderzoeksbegeleiding. In deze workshop blikken we kort terug op het onderzoek. We laten de overeenkomsten en verschillen zien tussen de drie perspectieven en we verdiepen met een instrument wat dit betekent voor de gezamenlijke onderzoeksbegeleiding. Vervolgens bieden we handvatten om in uw eigen praktijk verschillende perspectieven in kaart te brengen. Korte beschrijving 'Opleiden voor de toekomst' vraagt in toenemende mate flexibiliteit en maatwerk, zo ook m.b.t. onderzoek doen en onderzoeksbegeleiding. Bewustwording en verdieping van de doelen van praktijkonderzoek, de betekenis hiervan voor de onderzoeksbegeleiding en afstemming met de student én praktijk zien we als essentieel onderdeel hiervan.

Tekst

Praktijk van waaruit ingediend

De workshop wordt verzorgd door lerarenopleiders van de tweedegraads Lerarenopleiding Gezondheidszorg en Welzijn (HAN) in samenwerking met onderzoekers van het Kenniscentrum Kwaliteit van Leren (HAN). De workshop is bedoeld voor alle betrokkenen bij praktijkonderzoek en onderzoeksbegeleiding aan de tweedegraads lerarenopleidingen.

Onderwerp

'Samen opleiden: doelen van praktijkonderzoek in het licht van de toekomstige leraar'

- Welke doelen van praktijkonderzoek beogen we in het licht van de leraar van de toekomst?

- Welke begeleiding vraagt dit van de lerarenopleiding en praktijk?

Context

Binnen de tweedegraads Lerarenopleiding Gezondheidszorg en Welzijn (HAN) merken studenten bij het onderzoeken van hun praktijk verschillen in visie, doelen en begeleiding tussen de begeleiders uit de praktijk en de opleiding. De verschillende verwachtingen resulteren in onduidelijkheid bij de student. De behoefte ontstond om met elkaar in gesprek te gaan over het doel van praktijkonderzoek door studenten. Aan de hand van een instrument ‘samen onderzoek begeleiden’ (Van der Steen & Oolbekkink-Marchand, 2017) hebben de lerarenopleiders vanuit de opleiding en vanuit de praktijk samen met studenten hun doelen van praktijkonderzoek geëxpliciteerd.

We onderscheiden hierbij verschillende doelen van praktijkonderzoek: professionele ontwikkeling, schoolontwikkeling en kennisontwikkeling (Newton & Burgess, 2008; Van der Steen & Oolbekkink-Marchand, 2017; Van Katwijk & Enthoven, 2018). Bij elk van de doelen zijn andere kwaliteitseisen relevant (Newton & Burgess, 2008). De beoogde doelen van praktijkonderzoek geven daarmee richting aan de onderzoeksbegeleiding, van zowel de lerarenopleiders uit de opleiding als praktijk (Van der Steen & Oolbekkink-Marchand, 2017). Inzicht verkrijgen in de doelen van praktijkonderzoek vanuit verschillende perspectieven en afstemming met de betrokkenen om samen te komen tot passende onderzoeksbegeleiding is nodig voor het opleiden van ‘leraren van de toekomst.

Doel

Expliciteren van de doelen van praktijkonderzoek als het gaat om de leraar van de toekomst, in de tweedegraads lerarenopleiding.

Afstemming zoeken m.b.t. doelen van praktijkonderzoek tussen student, praktijk en opleiding.

Aansluiten van de onderzoeksbegeleiding bij de doelen van onderzoek.

Activering/organisatie

Voortbouwend op het eerdere onderzoek aan de tweedegraads lerarenopleiding, gebruiken we hetzelfde instrument in deze workshop om de doelen van praktijkonderzoek voor de ‘leraar van de toekomst’ te expliciteren (‘samen onderzoek begeleiden’ (Van der Steen & Oolbekkink-Marchand, 2017)). Wat heeft u voor ogen met praktijkonderzoek door de leraar van de toekomst? Hoe kan u met uw collega’s én met studenten dit expliciteren? In de bijeenkomst krijgt u hier handvatten voor.

In rondes stelling – doelen rangschikken

DDU: denken-delen-uitwisselen

Elke deelnemer formuleert eigen voornemens m.b.t. eigen praktijk/opleiding

Discussiepunt Bij het begeleiden bij praktijkonderzoek door de ‘leraar van de toekomst’ dienen student, opleiding en praktijk in hun begeleiding dezelfde doelstellingen na te streven. Bronnen

Newton, P. & Burgess, D. (2008). Exploring Types of Educational Action Research: Implications for Research Validity. International Journal of Qualitative Methods, 7(4), p. 18-30.

Van der Steen, J. & Oolbekkink-Marchand, H. (2017). Samen onderzoek begeleiden in de AOS. Kwaliteitreeks Steunpunt Opleidingsscholen. Geraadpleegd op 30 september 2018, van https://www.platformsamenopleiden.nl/knowledge-item/samen-onderzoek-begeleiden-aos/

Van Katwijk, L., & Enthoven, M. (2018). De plek van praktijkonderzoek in de curricula van hbo-lerarenopldingen. Kennisbasis Lerarenopleiders – Katern 5: onderzoek in de lerarenopleidingen, 73-82.

Leraren van de toekomst: flexibele professionals
Onderzoeksbegeleiding, Onderzoeksdoelen, Praktijkonderzoek

Met VR-ervaringen leraren in opleiding voorbereiden op werken in de maatschappij van morgen

Workshop13Pieter de Wit, Hogeschool van Amsterdam, AMSTERDAM; Rufus Baas, Mediacollege Amsterdam, AMSTERDAM; Aad Sinke, Sultan Göksen, Hogeschool van Amsterdam, AMSTERDAM

Hofkens HIG Foyerdi 09:00 - 10:30

Abstract

De Hogeschool van Amsterdam (Faculteit Onderwijs en Opvoeding) en het Mediacollege Amsterdam (Practoraat Het nieuwe kijken) zijn samen opgetrokken in het ontwikkelen en produceren van eigen hoogwaardige VR-ervaringen als lesmateriaal.

Het doel van de VR-producties is het creëren van meer authentieke ervaringen (lesmateriaal) voor leraren in opleiding. Met de verwachting dat zij op deze manier beter worden voorbereid op de beroepspraktijk binnen de grootstedelijke context. Het materiaal biedt studenten de kans te ervaren hoe het is om te functioneren in een klas met leerlingen met diverse achtergronden. Of de dynamiek in een oudergesprek waarbij de leerling ook als tolk optreedt voor zijn vader die de Nederlandse taal niet machtig is. Deze ervaring kan worden gebruikt als start van verdere ontwikkeling als professional binnen en buiten de muren van onze hogeschool.

De VR-producties zijn gebaseerd op didactische scenario’s van docenten van de HvA. De acteurs zijn studenten van de opleiding tot filmacteur bij het Mediacollege. De producties zijn beschikbaar als open educational resources. Hiermee kan worden toegewerkt naar een (landelijke) database van vrij beschikbare lesmaterialen.

Korte beschrijving

Opleiden voor de toekomst vraagt om voorbereiden voor de samenleving van de toekomst met de middelen van de toekomst. Met VR technologie brengen we de diverse en grootstedelijk klas de lerarenopleiding binnen om zo zinvolle en rijke leerervaringen te creëren. In de workshop geven we hier concrete voorbeelden van.

Tekst

Praktijk van waaruit wordt ingediend

Faculteit Onderwijs en Opvoeding (Hogeschool van Amsterdam). Het betreft hier een samenwerking tussen meerdere docenten (waaronder Aad Sinke, tweedegraads lerarenopleider Engels en Sultan Goksen, lerarenopleider Ecocomie), team ICTO (Pieter de Wit, onderwijsontwikkelaar) en ontwikkelpartner Mediacollege Amsterdam (Rufus Baas als verantwoordelijke van het practoraat Het nieuwe kijken).

Onderwerp

Met VR-ervaringen leraren in opleiding (nog beter) voorbereiden op werken in de maatschappij van morgen

Context

Voorbereiden op de samenleving van de toekomst vraagt van lerarenopleidingen om studenten kennis te laten maken met en ervaringen te laten opdoen met de diversiteit en complexiteit van de grootstedelijke school- en klascontext.

Studenten doen die ervaringen op tijdens stages, maar de leersituaties waar studenten in terecht komen zijn lastig te controleren omdat dat afhangt van de specifieke klas en school waar de student op dat moment is. Dat maakt didactisering van complexe situaties lastig.Door middel van VR zijn complexe situaties echter wel te simuleren, te controleren en te didactiseren.In dit VR-project ligt de nadruk daarom op complexe klassensituaties in een grootstedelijke context die gekenmerkt door een grote mate van diversiteit.

De resulterende onderwijsmaterialen en toepassingen zijn inspirerend en eigentijds, faciliteren het leren en oefenen op afstand, het trainen van professionele vaardigheden in complexe beroepssituaties binnen de grootstedelijke context, en het actief delen en gezamenlijk bespreken van (eigen) praktijkervaringen

Doel

Het creëren van meer authentieke ervaringen (lesmateriaal) voor studenten in opleiding tot leraar. De HvA hoopt ze op deze manier nog beter voor te bereiden op de beroepspraktijk binnen de grootstedelijke context.

In de literatuur worden de volgende didactische voordelen van VR-beleving ten opzichte van bestaande onderwijsmiddelen beschreven#_ftn1:

-toegankelijk maken van nieuwe situaties, -ervaren van beladen situaties, -leren van experts, -aanwezig zijn zonder te storen, -actief observeren, -samen met en van elkaar leren, -herbeleven en reflecteren.

De VR-lesmaterialen bij Faculteit Onderwijs & Opvoeding sluiten aan bij de beschreven voordelen:

A. de ontwikkeling en didactische inzet van VR- onderwijsmaterialen waarmee nieuwe situaties toegankelijk worden gemaakt.

B. de ontwikkeling en didactische inzet van VR-onderwijsmaterialen voor de training van beroepsvaardigheden in nieuwe of beladen situaties.

Activering deelnemers en organisatie workshop

Allereerst staan we stil bij de achtergrond van het project en enkele ontwerpkeuzes. We nemen ongeveer 20 Oculus Go’s mee waardoor alle deelnemers in de rol van student een mini-les rond het VR-lesmateriaal kunnen ervaren van een van de docenten die betrokken zijn geweest bij het opstarten en mede vormgeven van dit project.

Discussiepunt

Hoe ervaren de deelnemers aan de workshop de VR-lesmaterialen? In welke mate zien en ervaren zij meerwaarde (of niet) ten opzichte van bestaande lesmaterialen? En…zijn er partnerships te sluiten waardoor we door krachten te bundelen de database van VR-lesmaterialen in de (nabije) toekomst fors kunnen laten groeien en voor iedereen toegankelijk maken?

#_ftnref1 Bosgra, Horen, Verseput. (2017). 360 graden video in het onderwijs. Maak het nu mee. Radboud Universiteit.

Maatschappij van morgen: diversiteit en urban education
Urban Education, Virtual Reality, Werkvormen

Relationele en seksuele vorming (RSV) in het secundair onderwijs in Vlaanderen onder de loep

Onderzoekspresentatie: individueel133Veerle De Frène, Arteveldehogeschool, GENT

Jupilerzaal PODIUMdi 09:00 - 10:30

Abstract

Tijdens de puberteit ondergaan jongeren belangrijke relationele en seksuele veranderingen op fysiek, cognitief en emotioneel vlak. Een adequate kennis hierover kan bijdragen tot de preventie van ongewenste zwangerschappen, abortussen, SOA’s en negatieve seksuele ervaringen. Via relationele en seksuele vorming (RSV) kunnen de nodige kennis, vaardigheden en attitudes worden aangeleerd. Zoals beschreven in de Vlaamse eindtermen hebben scholen hierin een taak te vervullen. Het blijft echter een keuze van de school welke invulling men hieraan geeft. Onderzoek toont aan dat er tijdens de RSV te weinig aandacht wordt besteed aan de psychologische en positieve aspecten van seksualiteit. De kennis van jongeren over RSV is ook beperkt. Daarnaast blijft het onduidelijk of RSV best kan worden gegeven door leerkrachten zelf of door experts.

Via gestructureerde online vragenlijsten en gemengde focusinterviews bestudeerden we de aanpak van RSV in het secundair onderwijs in Vlaanderen. Meer concreet werden de inhoud, frequentie, tijdstip, onderwijswerkvorm, soort lesgever, tekorten en pluspunten bevraagd. Voor beide onderdelen richten we ons zowel tot leerlingen, leerkrachten als directie. De resultaten zullen eind februari 2019 beschikbaar zijn. Korte beschrijving De aanpak van RSV in het secundair onderwijs in Vlaanderen werd nog nooit in kaart gebracht. Dit project wordt uitgevoerd door de opleiding vroedkunde en secundair onderwijs van de Arteveldehogeschool en wetenschappelijke instanties geven advies. O.a. de vraag of leerkrachten dé beste voorlichters van RSV zijn, wordt bestudeerd.

Tekst

Praktijk van waaruit geschreven

Meer dan de helft van de jongeren tussen 13 en 17 jaar heeft seks, en er is een stijging van seksueel grensoverschrijdend gedrag en van het aantal SOA’s bij de jongeren, wat duidt op het belang van leeftijds-adequate relationele en seksuele vorming (RSV) tijdens de puberteit.

Inleiding

Scholen secundair onderwijs in Vlaanderen hebben de taak om jongeren kennis, vaardigheden en attitudes over dit thema aan te leren. Dit onder vorm van vakoverschrijdende eindtermen wat betekent dat elke school mag kiezen hoe men deze invult.

Theoretisch kader

Volgens de WHO staat RSV voor [ik citeer] “het overbrengen van de cognitieve, emotionele, sociale, interactieve en fysieke aspecten van seksualiteit” en heeft dit tot doel de seksuele ontwikkeling te beschermen en te ondersteunen, te helpen bij het begrijpen van seksualiteit en ervan te genieten, en de verantwoordelijkheid op te nemen voor de eigen en andermans seksuele gezondheid en welbevinden.

Onderzoeksvraag

De hoofdonderzoeksvragen van deze studie luiden: ƒ. Op welke manier komt relationele en seksuele vorming (RSV) aan bod in het secundair onderwijs (ASO, TSO, BSO en KSO) bestudeerd vanuit het perspectief van de leerlingen, leerkrachten en de directie?

De subonderzoeksvragen hierbij zijn: (a) Wat is de visie van de school over het geven van RSV? (b) In welke mate (in termen van tijdstip en frequentie) wordt aandacht besteed aan RSV? (c) Welke onderwerpen worden besproken en welke worden niet of onvoldoende besproken tijdens de aangeboden RSV? (d) Welke onderwijswerkvormen wordt gehanteerd voor het geven van RSV? (e) Door wie wordt RSV gegeven? (f) In welke mate is het externe vormingsaanbod gekend en in welke mate wordt hierop beroep gedaan? „. Wat zijn de ervaren tekorten en pluspunten van de huidige aanpak van RSV in het secundair onderwijs vanuit het perspectief van de leerlingen, leerkrachten en de directie?…. Welke factoren hebben een invloed op de gekozen aanpak van RSV in het secundair onderwijs vanuit het perspectief van de leerlingen, leerkrachten en de directie?

Methode

Een gestructureerde vragenlijst werd opgemaakt aan de hand van een internationale literatuurstudie, en werd afgetoetst bij een panel van experten. De vragenlijst werd gedigitaliseerd aan de hand van LimeSurvey. Directie, leerkrachten en leerlingen werden gerekruteerd via scholen secundair onderwijs, die op hun beurt werden gerekruteerd via “purposive sampling”. Voor de focusinterviews werd per deelnemende school één directielid, 3 leerkrachten en 4 leerlingen uitgenodigd.

Resultaten

Momenteel zijn wij nog bezig met de gegevensverzameling. Tegen het VELON-congres verwachten wij de gegevensverwerking te hebben gerealiseerd en de bevindingen te kunnen presenteren.

Hoe deelnemers actief betrokken worden bij de presentatie

De deelnemers worden actief betrokken bij de presentatie door hen de mogelijkheid te bieden om vragen te stellen na afloop van de presentatie.

Discussiepunt(en)

In welke mate geven leerkrachten in Nederland RSV aan jongeren tussen 12 en 19 jaar?

Welke rol (vak-expert, coach, en/of begeleider) nemen leerkrachten in Nederland op en welke werkvormen gebruiken ze bij het geven van RSV?

In welke mate worden leerkrachten in Nederland ondersteund en/of getraind in het geven van RSV?

Leraren van de toekomst: flexibele professionals
Relatie, Seksualiteit, Vorming

Project Democratische Dialoog: leraar en dialoogcoach zijn in het grootstedelijk onderwijscontext

Onderzoekspresentatie: individueel142Muhammet Safa Goregen, Erasmushogeschool Brussel, BRUSSEL

Jupilerzaal PODIUMdi 09:00 - 10:30

Abstract

Leraren worden vaak geconfronteerd met conflicten die voortvloeien uit verschillen in het normen- en waardenkader. Bovendien lukt het niet altijd om een inclusief onderwijsklimaat, een gevoel van verbondenheid en wederzijdse dialoog te creëren hoewel we het belang van kwaliteitsonderwijs benadrukken. Dit impliceert dat de toekomst van ons onderwijs sterk zal afhangen van hoe we omgaan met de kwestie van diversiteit en dialoog. Een belangrijke initiatief hieromtrent is het project Democratische Dialoog dat in 2015 werd gelanceerd binnen het Kenniscentrum Urban Coaching & Education van de Erasmushogeschool Brussel. Het doel van dit onderzoek is inzicht verkrijgen wat een leraar motiveert om zich als dialoogcoach te engageren voor het project Democratische Dialoog en wat ze zelf willen veranderen middels Democratische Dialoog.

Korte beschrijving Dit onderzoek is tweeledig: het doel van dit onderzoek is enerzijds inzicht verkrijgen waarom leraren zich als dialoogcoach gaan engageren in het project Democratische Dialoog en anderzijds wat ze middels het Project Democratische Dialoog willen veranderen.

Tekst

Context: Als gevolg van sociale processen zoals globalisering, arbeidsmigratie en gedwongen migratie, is onze samenleving diverser geworden op vlak van etniciteit, cultuur en religie (OECD, 2016; Stevens e.a., 2006). Dit weerspiegelt zich duidelijk in het Brusselse onderwijslandschap waar steeds meer leerlingen een migratieachtergrond hebben. Hierdoor worden leraren vaak geconfronteerd met conflicten die voortvloeien uit (vermeende) verschillen in het normen-en waardenkader (Verslagen Democratische Dialoog, 2017). Bovendien lukt het niet altijd om een inclusief onderwijsklimaat, een gevoel van verbondenheid en wederzijdse dialoog, te creëren (Maréchal e.a., 2014). De leerlingenpopulatie diversifieert en we benadrukken het belang van kwaliteitsonderwijs dat toegankelijk is voor elke leerling in ons land (Geldof, 2013). Dit impliceert dat de toekomst van ons onderwijs –zowel in termen van sociale cohesie en welzijn– sterk zal afhangen van hoe we omgaan met de kwestie van diversiteit en dialoog (OECD, 2013). Een belangrijke initiatief hieromtrent is het project Democratische Dialoog dat in 2015 werd gelanceerd binnen het Kenniscentrum Urban Coaching & Education van de Erasmushogeschool Brussel. Doel: Het doel van dit onderzoek is inzicht verkrijgen (1)wat een leraar motiveert om zich als dialoogcoach te engageren voor het project Democratische Dialoog en (2)wat ze zelf willen veranderen middels Democratische Dialoog.Dit zijn tevens de onderzoeksvragen. Methode: Over het project Democratische Dialoog zijn tot hiertoe geen wetenschappelijke data beschikbaar. Derhalve werd geopteerd voor een exploratieve casestudy aangezien we verklaringen trachten te onderzoeken (Bryman, 2012). Daarnaast is het afnemen van interviews een essentieel onderzoeksaanpak wanneer men inzicht wil verwerven over de betekenisgeving aan ontwikkelingen en ervaringen van individuen in het onderwijs (Seidman, 2013). Per dialoogcoach(N=8) werden twee expertinterviews afgenomen aangaande de achterliggende motivatie om zich te engageren in het project en de effectiviteit van de dialoogcoaching. In totaal zijn er 16 expertinterviews.De aanleidingen, doelstellingen en toekomstperspectieven in extenso zijn we dus te weten gekomen door de interviews. Resultaten: Uit de interviews met de respondenten (N=8) kunnen we afleiden dat de gebrekkige bekwaamheid –bij collega leraren– voor de omgang met controversiële thema’s (N=8) de gemeenschappelijke noemer is voor elks engagement in het project Democratische Dialoog. Daarna volgen de geconstateerde nood aan dialoog tussen leraren en leerlingen (N=6); de toenemende polarisering in de samenleving en de uiting daarvan in de klas (N=6); de communicatiestoornissen tussen de leraren en leerlingen (N=5). Daaropvolgend willen alle dialoogcoaches controversiële thema’s in de klas zichtbaar en bespreekbaar maken (N=8). Naast een mentaliteitsverandering zoals kritisch leren nadenken, kritisch reflecteren en zelfbewustzijn creëren (N=6); het aanleren en begeleiden van dialoogvaardigheden bij leraren (N=6); de dialoog in de klas ‘democratisch’ laten verlopen (N=5). Conclusie: De toenemende polarisering in de samenleving heeft een weerspiegeling op het onderwijsgebeuren in Brusselse scholen. Om pragmatisch om te gaan met deze veranderingen is er duidelijk een nood aan dialoog over controversiële thema’s tussen leraren en leerlingen. Hierdoor willen de dialoogcoaches van het project Democratische Dialoog zich inzetten voor het zichtbaar en bespreekbaar maken van deze thema’s in het klasgebeuren. Tot slot willen ze de juiste conflicthantering aanleren bij leraren om etnisch-religieus geïnspireerde conflictsituaties te remediëren en op termijn zelfs preventief te vermeiden.

Maatschappij van morgen: diversiteit en urban education
Controversiële thema’s, Democratische Dialoog in de klas, Etnisch-culturele conflictsituaties in de klas

Het filosofische gesprek als onderzoeksinstrument

Uitnodigende praktijkvoorbeelden37Birgit Telkamp, NHL Stenden Hogeschool, LEEUWARDEN

Jupilerzaal PODIUMdi 09:00 - 10:30

Abstract

Het praktijkvoorbeeld betreft de cursus 'Leraar, waar sta je voor?' Deeltijdstudenten van de lerarenopleiding Nederlands en Fries in Leeuwarden (NHL Stenden) gaan aan het werk met de volgende opdracht: Geef een persoonlijk antwoord op de vraag: ‘leraar, waar sta je voor?’ Onderzoek dit aan de hand van een dilemma uit je eigen praktijk. Maak de verbinding met deugden en/of waarden van waaruit jij werkt en die de relatie met je leerlingen kleuren en de basis van je oordelen vormen. Bij het zoeken naar een antwoord op deze vraag staat het filosofisch gesprek als werkvorm centraal. De dialoogvorm wordt ingezet als onderzoeksinstrument, bijvoorbeeld in de vorm van een socratische dialoog, een dilemmagesprek of een zogenoemd ‘moreel beraad’. Het voeren van een socratisch gesprek is vooral een oefening in heel precies formuleren, oordelen uitstellen, het 'niet-weten' uithouden, kwetsbaar en eerlijk durven zijn als je intenties zichtbaar worden. Langzaam maar zeker leren studenten hierdoor spreken op eigen gezag en verantwoordelijkheid nemen voor hun eigen woorden en daden. Zij ervaren wat hen ten diepste drijft en krijgen zicht op wat hun handelen stuurt. Dit helpt hen om te gaan doorgronden welke factoren allemaal een rol spelen in het alledaagse, instrumentele handelen van de leraar.

Korte beschrijving

Toekomstbestendige leraren zijn in staat om relevante vragen te stellen op een praktisch of fundamenteel niveau. Daarmee geven zij richting aan het zoeken naar de antwoorden waar de samenleving om vraagt. Deze ‘dialogische houding’ in het werken met leerlingen en collega’s kun je trainen in de socratische dialoog.

Tekst

Onderwerp

Het filosofisch gesprek als onderzoeksinstrument om het handelen van de leraar in een complexe en dynamische onderwijspraktijk te onderzoeken en te doorgronden. Een dilemma uit de dagelijkse praktijk opent de zoektocht naar de diepere drijfveren. Wat is het goede om te doen? Welke waarden staan onder spanning, voor de leraar of de leerling? Welke deugden zijn belangrijk voor een leraar?

Context

Leraar waar sta je voor? is de leidende vraag in een korte cursus waarin studenten op zoek gaan via bronnen, zelfonderzoek en gesprekken naar hun waarden en deugden in het werk. De cursus is voor deeltijdstudenten Nederlands en Fries die in de praktijk werkzaam zijn (geweest). Doelƒ. Een dialogische houding ontwikkelen in het samenwerken met leerlingen en collega’s. Dat betekent leren te vertragen, je oordeel uit te stellen, vragen te stellen, inclusief te luisteren, het niet-weten uit te houden.„. Op een dieper niveau contact maken met je morele handelen, de deugden en waarden die voor de student/docent van belang zijn en onderliggend het handelen sturen. Meer zelfkennis in feite.…. Als professionals op elkaar afstemmen in gedeelde waarden. Aan de oppervlakte heb je dan minder precieze richtlijnen of regels nodig. Je kunt dan meer vanuit oriëntaties of principes handelen.

Centrale uitdaging / probleem en verloop van de practice

Hoe train je een grote groep in deze filosofische dialoogvorm en hoe beoefen je de dialogische houding in al zijn facetten. Hoe wissel je die plenaire oefening af met gesprekken in deelgroepjes? Alle oefening moet voldoende zijn om de studenten in drietallen zelfstandig dilemmagesprekken te laten voeren die de kwaliteit hebben om tot de beoogde diepgang te komen. Ook speelt de vraag hoe je studenten motiveert om het geduld op te brengen voor een diepe en trage manier van spreken die niet snel tot een oplossing of tastbaar resultaat leidt. Vaak duurt het meerdere weken voordat deelnemers gaan ervaren wat de waarde is van wat ze leren. in feite is dat ook een vorm van oordelen uitstellen maar het hele proces ontvouwt zich met een zekere traagheid.

Belangrijkste opbrengst

Studenten ontdekken hoe complex hun praktijk is, ze zijn verrast wat er allemaal speelt bij een ogenschijnlijk kleine of onbeduidende handeling of beslissing. Ze krijgen letterlijk zicht op de aannames die ongemerkt meespelen in de oordeelsvorming. Daarbij ontwikkelen de meesten iets meer een dialogische houding. Dat betekent dat ze in staat zijn om niet meteen vanuit een mening te reageren maar eerst doorvragen. Een belangrijke bijvangst is dat studenten waarderen dat de opleiding tijd en gelegenheid geeft om hun eigen praktijk en hun eigen denken en spreken centraal te stellen – en niet de theorie. Deze manier van werken en toetsen doet recht aan volwassenheid, vrijheid en niet-weten.

Activering deelnemers tijdens presentatie

Deelnemers zullen uitgenodigd worden om een fundamentele onderzoeksvraag te formuleren m.b.t. een gegeven kwestie (bijvoorbeeld over het hanteren van regels). Dan zien ze wat het uitgangspunt is voor het onderzoeksgesprek.

Discussiepunt

Wordt deze praktijk als waardevol gezien en relevant voor toekomstige leraren door mede-opleiders?

Leraren van de toekomst: flexibele professionals
filosofisch gesprek, niet-weten, praktijkdilemma

Welke curriculumingrediënten zijn nodig om leraren op te leiden voor vernieuwende onderwijssettings?

WorkshopINVITED VO en 21Quinta Kools, Fontys Lerarenopleiding Tilburg, TILBURG

Jupilerzaal ZAALdi 09:00 - 10:30

Abstract

Is de manier waarop wij leraren opleiden voor het voortgezet onderwijs wel toekomstbestendig? Steeds meer scholen in het voortgezet onderwijs werken met vernieuwende onderwijsconcepten. Het gaat dan bijvoorbeeld om meer gepersonaliseerd leren, onderzoekend leren, domeinoverstijgende vakinhoud, etc. Zijn onze studenten voorbereid op het werken in een dergelijke context? Is onze opleiding hier eigenlijk wel op ingericht?

In deze workshop gaan we als lerarenopleiders in gesprek met studenten en docenten die werken op scholen met een vernieuwend onderwijsconcept. Vanuit de informatie die zij ons geven proberen we een ontwerp te maken voor een curriculum dat toekomstige leraren voorbereidt op een latere onderwijspraktijk. Wat zijn daarvan de kernelementen en uitgangspunten? En als we het ontwerp vergelijken met de huidige curricula, wat zien we dan? Korte beschrijving

Wat kunnen lerarenopleidingen doen om leraren op te leiden voor scholen met vernieuwende onderwijsconcepten? Enkele studenten en docenten van zo’n school schetsen het beroepsprofiel om op hun school te werken als docent. Op basis hiervan bedenken we bouwstenen voor een curriculum dat opleidt voor het werken in deze settings.

Tekst

Praktijk, onderwerp en context;

Onze tweede- en eerstegraads lerarenopleidingen vierden onlangs hun 100-jarig bestaan. We zijn trots op onze bestaansgeschiedenis maar vragen ons ook af of we voldoende met de tijd meegaan en of de manier waarop we leraren opleiden wel toekomstbestendig is. In ons werkveld zijn er steeds meer scholen die werken met vernieuwende onderwijsconcepten. Het gaat dan bijvoorbeeld om meer gepersonaliseerd leren, onderzoekend leren, domeinoverstijgende vakinhoud, Er wordt veelal ingezet op ook een coachende vorm van onderwijzen met ruimte voor zelfsturing en keuzemogelijkheden voor de leerling op basis van de leerdoelen. Zijn onze studenten voorbereid op het werken in een dergelijke context? Is onze opleiding hier eigenlijk wel op ingericht vanuit ‘teach what you preach’? Het gaat dan zowel om de inhoud van de opleiding (vak, vakdidactiek, onderwijskunde, pedagogiek) als om de manier van opleiden. Deze vraag speelt niet alleen bij ons, maar is ook onderwerp van gesprek bij andere opleidingen en bij het landelijk overleg adef.

- Doel;

in deze workshop willen we met andere lerarenopleiders die opleiden voor het voortgezet onderwijs gezamenlijk nadenken over vorm en inhoud van een curriculum dat toekomstige leraren voorbereidt op een latere onderwijspraktijk. Het gaat daarbij om de dialoog en het gezamenlijk verkennen van het onbekende.

- Activering deelnemers en organisatie workshop;

Voor deze workshop hebben we studenten en docenten uitgenodigd die werken op scholen met een vernieuwend onderwijsconcept. Zij vertellen in een korte pitch wat hun taken en rollen zijn in de setting waarin ze werken en welk docentprofiel volgens hen past in zo’n context.

Op basis van wat ze gehoord hebben gaan deelnemers aan de workshop in groepjes schetsen voor een (alternatief) curriculumontwerp maken. Hierbij denken ze na over de inhoud van de opleiding en de manier van opleiden. De focus van de curriculumschets moet liggen op de voorbereiding op de taken en rollen die leraren van/ in de toekomst hebben. De ontworpen schetsen worden vervolgens plenair besproken en bediscussieerd met de aanwezigen en de studenten en docenten. Vragen daarbij zijn: zien we overeenkomsten tussen de diverse schetsen? welke elementen zijn essentieel? Hoe verhouden deze schetsen zich tot onze huidige curricula?

- Discussiepunt.

Moet je om leraren op te leiden voor veranderende taken ook anders opleiden?

Anders organiseren van onderwijs: wat en hoe
opleiden voor de toekomst, voortgezet onderwijs

ART4DEM: artistieke werkvormen voor burgerschapseducatie

Interactie n.a.v. een poster, animatie of object109Nele Willems, Artesis Plantijn Hogeschool Antwerpen, ANTWERPEN

MK2zaal - hoek 1di 09:00 - 10:30

Abstract

ART4DEM verkent nieuwe manieren om te werken aan burgerschapsvorming artistieke werkvormen (drama en media). Burgerschapseducatie in het onderwijs kent stevige uitdagingen. Ondanks de aanhoudend lage scores voor democratische attitudes bij Vlaamse scholieren (Franck, Elchardus & Kavadias, 2009; Hooghe & Claes, 2017), aarzelt en worstelt de onderwijswereld met de aanpak ervan (Kavadias & Dehertogh, 2010). Zo geven scholen variërende betekenissen aan burgerschap en werken velen er slechts sporadisch aan. Onderzoek wijst bovendien op de kloof tussen jongeren, naargelang opleidingsniveau en sociale achtergrond (Hooghe & Claes, 2017), wat zich extra manifesteert in steden. Sommige auteurs benadrukken dan ook het belang aan nieuwe vormen van burgerschapseducatie, die meer aansluiten bij de leefwereld en participatiewensen van kinderen en jongeren (Lawy & Biesta, 2006; de Winter, 2015). Scholen op hun beurt zijn vragende partij voor een intra-muros aanbod (Kavadias & Dehertogh, 2010).

Het multidisciplinaire project zet in 6 scholen een experiment op. De experimenten omvatten twee theatervormen (Mantle of the Expert en participatief drama) en een beeldend interactieve methode (Interactive Design). Hierbij wordt kwalitatief en kwantitatief nagegaan wat het traject voor alle betrokkenen (leerlingen, leerkrachten, schoolbeleid) betekent, wat de invloed is op democratische vaardigheden, attitudes en gedragingen bij de leerlingen en op de democratische schoolcultuur.

Korte beschrijving

In de stad zijn ongelijkheden tussen leerlingen nadrukkelijk zichtbaar (Dijkstra e.a., 2016). In deze omgeving is een doordachte invulling van burgerschapseducatie belangrijk voor zowel de bevordering van kansen van leerlingen als voor de kwaliteit van de leeromgeving die hierbij wordt gecreëerd. ART4DEM richt zich expliciet op leraren in de grootstad. Tekst

Praktijk van waaruit ingediend

ART4DEM zet experimenten op de 3de graad van de basisschool (5de en 6de leerjaar) en de 1ste graad van het secundair onderwijs. Deze komen tot stand via een multidisciplinaire samenwerking tussen de lerarenopleidingen, de opleiding sociaal werk, Sering vzw (sociaal-artistieke werkplaats), de opleiding educatieve master in drama en de opleiding master in de beeldende kunsten.

Context

Het Vlaamse onderwijs m.b.t. burgerschap is momenteel in beweging. Tot nu toe was burgerschap in vakoverschrijdende eindtermen in het curriculum van het secundair onderwijs opgenomen, waardoor het thema soms weinig expliciet aan bod kwam. Momenteel ligt een ontwerp van nieuwe eindtermen ter discussie in het Vlaams Parlement met als doel burgerschapscompetenties een zichtbaardere plaats in het curriculum te geven. Scholen spelen hier alvast op in door nieuwe manieren van werken te ontwikkelen. In het basisonderwijs zijn burgerschapscompetenties vooral aanwezig in de eindtermen wereldoriëntatie. Deze blijven ongewijzigd.

Onderwerp en doel

ART4DEM wil nieuwe werkvormen ontwikkelen voor burgerschapseducatie met behulp van de kunsten. Tegelijkertijd zet het project in op indoor professionalisering van leerkrachten in het leren werken met deze werkvormen.

Relevantie onderwijspraktijk

ART4DEM richt zich op de 3de graad van het basisonderwijs en de 1ste graad van het secundair en speelt hierdoor in op de transitie van basis naar secundair. Het project versterkt leraren in een wijzigende context met een vernieuwend en participatief traject.

Methode

ART4DEM zet 6 participatieve trajecten op in scholen, 3 BaO en 3 SO. De focus ligt op een burgerschapsgerelateerd thema zoals polarisatie tussen groepen in steden en stedelijke verbondenheid. Elk traject volgt 1 van de 3 mogelijke artistieke invalshoeken om te werken rond een schoolgerelateerde uitdaging.

De centrale onderzoeksvraag is: op welke wijze kunnen artistieke werkvormen bijdragen aan BSE in een diverse context in de 3de graad BaO en de 1ste graad SO?

Het onderzoeksproject hanteert een design-based methodologie (Van den Akker, Gravemeijer, McKenney & Nieveen 2006) om de interventies in scholen op te volgen. De keuze voor de methode is ingegeven door de aard van de onderzoeksvragen (opvolging van de condities en invloeden van reële interventies in het veld), de contextgebondenheid van de interventies, de nood aan een pragmatische multimethodische aanpak (kwalitatief en kwantitatief) en de participatieve relatie tussen onderzoeker en schoolactoren (schoolactoren hebben een inbreng in het interventie- en onderzoeksproces) (Van Ceulebroeck e.a. 2016).

Discussiepunt

Op dit moment in het onderzoek is feedback welkom op alle aspecten van het project. Specifiek willen we tijdens het VELON/VELOVcongres ingaan op de relatie tussen kunsteducatie en burgerschapseducatie. Literatuur hierover is eerder filosofisch van aard (o.a. Dewey 1934/1958, Nussbaum, 2010). We zijn benieuwd naar de ervaringen en meningen van de deelnemers in dit verband, meer bepaald wat betreft het werken met achtergestelde groepen kinderen en jongeren.

Activering deelnemers en organisatie van de bijdrage

O.b.v. een beknopte literatuurstudie m.b.t. de relatie tussen kunsteducatie en burgerschapseducatie worden een aantal stellingen voorbereid die aan de deelnemers worden voorgelegd. Met behulp van menti.com kunnen de deelnemers een positie innemen over de stellingen. Op basis van de gegenereerde resultaten worden verdere discussies ingeleid.

Maatschappij van morgen: diversiteit en urban education
artistieke werkvormen, burgerschapseducatie

Voortgezet Speciaal Onderwijs en opleidingsscholen

Interactie n.a.v. een poster, animatie of object137Karen Slot, Hogeschool van Amsterdam, AMSTERDAM

MK2zaal - hoek 1di 09:00 - 10:30

Abstract

De 'Tweedegraads lerarenopleidingen HvA' bieden studenten samen met partners in ruim 20 opleidingsscholen in mbo en voortgezet onderwijs, in ruim 200 locaties, een rijke leeromgeving. Een tweedegraads leraar is echter ook bevoegd les te geven in Voortgezet Speciaal Onderwijs en niet iedere afgestudeerde professional is bekend met deze vorm van onderwijs en haar leerlingen. Om daar verandering in te brengen hebben de 'Tweedegraads lerarenopleidingen HvA' in 2016 samenwerking gezocht met 'Altra Voortgezet Speciaal Onderwijs en Jeugdzorg', met 11 schoollocaties in Amsterdam en omgeving. Sinds september 2018 is deze samenwerking geformaliseerd met de start van 'Opleidingsschool Altra'. Opleidingsschool Altra ontwikkelt conform de NVAO-eisen 'Opleiden in de School'. Acht locaties van Altra bieden jaarlijks in totaal 20-30 HvA-studenten een stageplaats. Reguliere stageplaatsen voor eerstejaars- vierdejaars studenten en voor alle vakgebieden. Deze opleidingsschool ambieert jaarlijks 50 stageplaatsen te gaan bieden. Iedere Altra-locatie kent een eigen bijzondere leerlingpopulatie. Studenten maken tijdens het lesgeven dan ook kennis met grote verschillen tussen leerlingen. Ze leren diversiteit te hanteren en te vertalen naar een eigen effectief handelingsrepertoire. Studenten krijgen meer zicht op inclusief onderwijs/ passend onderwijs. Daarnaast leren ze op de Altra-locaties werken in interprofessionele teams. Wat zijn voorwaarden en mogelijkheden om de opleidingsschool verder te ontwikkelen?

Korte beschrijving

Centraal in onze posterpresentatie: De verdere ontwikkeling van opleidingsschool Altra. Sinds 2017 werken de tweedegraads lerarenopleidingen HvA en Altra Voortgezet Speciaal Onderwijs en Jeugdzorg samen. Tientallen tweedegraads studenten voeren er reguliere stages uit; verkennen passend onderwijs; oefenen met werken in interprofessionele teams. Hoe kunnen zij hun deze kennis delen?

Tekst

Praktijk van waaruit wordt ingediend

Deze posterprestatie wordt ingediend door de Tweedegraads lerarenopleidingen Hogeschool van Amsterdam en Stichting Altra Onderwijs en Jeugdzorg te Amsterdam. De lerarenopleidingen HvA en Altra werken sinds samen in een opleidingsschool. De opleidingsschool biedt jaarlijks 30 studenten een stageplaats. De komende jaren wil de opleidingschool zich verder ontwikkelen en voldoen aan alle NVAO-eisen Opleiden in de School.

Onderwerp

De participatie van Voortgezet Speciaal Onderwijs in opleidingsscholen

Context

In de huidige erkende opleidingsscholen tweedegraads participeert het Voortgezet Speciaal Onderwijs, VSO, nauwelijks. Dit terwijl tweedegraads docenten wel bevoegd zijn om in het VSO te werken. De HvA ziet met andere instituten een hiaat, omdat de studenten er niet voor worden opgeleid en zocht naar mogelijkheden om studenten op te leiden in het VSO en kennis te laten maken met haar leerlingen. Inherent aan opleiden binnen VSO zijn kennismaken met een ultieme vorm van Passend Onderwijs; het uitbouwen van het handelingsrepertoire van de student m.b.t. gedragsproblemen van leerlingen en het leren samenwerken in interprofessionele teams. De HvA heeft ervoor gekozen om de samenwerkingmet stichting Altra voortgezet Speciaal Onderwijs en Jeugdzorg te versterken en te formaliseren in een opleidingsschool.

Doel

Doel van de posterpresentatie is kennisdelen over een stichting VSO en jeugdzorg en het belang van de samenwerking met lerarenopleidingen; het met professionals delen van ervaringen met het opleiden van studenten in het VSO; het benoemen van mogelijkheden en succeservaringen; het verkennen van voorwaarden om tweedegraads studenten een leeromgeving te bieden in het VSO; het verkennen van de vakinhoudelijke of praktische knelpunten die kunnen ontstaan bij de stage in het VSO; het verkennen van het samen opstellen van een werkpleklerencurriculum binnen de opleidingsschool VSO

Relevantie onderwijspraktijk

Op dit moment lijkt de participatie van VSO in opleidingsscholen onvoldoende verkend. Mogelijk leidt de presentatie tot meer bekendheid met VSO en komen samenwerking met VSO en het lesgeven aan de leerlingen van het VSO beter op de kaart.

Methode/ ontwerp

Op de poster staan uitspraken van docenten; instituutsopleiders; docenten lerarenopleidingen; studenten; leerlingen VSO rond: 1. ervaring met/ van studenten in VSO 2. mogelijkheden en succeservaringen; wat levert de stage op 3. wat is er nodig om een succesvolle stage te lopen en wat maakt het lastig 4. waar zou een gezamenlijk curriculum uit kunnen bestaan op deze opleidingsschool en hoe delen studenten opgedane kennis op de lerarenopleidingen

Voorlopige of mogelijke opbrengsten

Voor deelnemers: Inzicht krijgen in belang van samenwerking met VSO binnen een opleidingsschool; inzicht krijgen in mogelijkhedenen opbrengst participatie van VSO in opleidingsscholen Voor opleidingsschool Altra: Concrete ideeën opdoen voor ontwikkelen gezamenlijk curriculum opleidingsschool Altra door te vragen /ervaringen uit te wisselen

Activiteit deelnemers en organisatie van de activiteit

Korte presentatie over Stichting Altra en de kenmerken van het onderwijs (7 minuten)- plenair Vragen en dilemma's voorleggen aan de deelnemers (12 minuten)- digitaal via ppt/ mentimeter of op papier Terugkoppeling (6 minuten)- plenair

Discussiepunt

We stellen deelnemers de volgende discussievragen: Moet iedere tweedegraads student stage lopen op VSO; Moet iedere opleidingsschool waarin VSO participeert voldoen aan de NVAO-eisen Opleiden in de school

Maatschappij van morgen: diversiteit en urban education
Diversiteit, Opleidingsscholen, Passend Onderwijs

Designing & Evaluating Innovative Mobile Pedagogies: een onderzoeksmatige samenwerking

Interactie n.a.v. een poster, animatie of object140Jeroen Bottema, Hogeschool Inholland, DEN HAAG

MK2zaal - hoek 1di 09:00 - 10:30

Abstract

De Pabo en het lectoraat Teaching, Learning & Technology van hogeschool Inholland participeren in het Erasmus+ onderzoeksproject (2017-2020) Designing and Evaluating Innovative Mobile Pedagogies (DEIMP) waarbij een onderzoeksmatige samenwerking is gezocht met vijf basisscholen in de omgeving van Den Haag. Het doel van het DEIMP-project is om meer kennis te creëren over de innovatieve didactische inzet van mobiele technologie en factoren die belangrijk zijn voor duurzame implementatie van dergelijke initiatieven. Onderzoekers, docent-onderzoekers en studenten van de lerarenopleiding van de hogeschool ondersteunen de werkveldpartners met het ontwerpen, uitvoeren en evalueren van innovatieve leerpraktijken waarbij mobiele technologie wordt ingezet. Het DEIMP-project sluit aan op het beleid van de Pabo om de onderzoeksmatige samenwerking met werkveldpartners te versterken, maar het ontwikkelen van een deze leergemeenschap is niet altijd vanzelfsprekend. De interactie richt zich op het bespreken met deelnemers van de voorlopige inzichten en opbrengsten van de onderzoeksmatige samenwerking en succesfactoren hiervoor.

Korte beschrijving

De Pabo en het lectoraat Teaching, Learning & Technology van hogeschool Inholland participeren in het Erasmus+ onderzoeksproject (2017-2020) Designing and Evaluating Innovative Mobile Pedagogies (DEIMP) waarbij een onderzoeksmatige samenwerking is gezocht met vijf basisscholen in de omgeving van Den Haag. Het ontwikkelen van deze leergemeenschap is niet altijd vanzelfsprekend.

Tekst

Praktijk van waaruit geschreven; De Pabo en het lectoraat Teaching, Learning & Technology van hogeschool Inholland participeren in het Erasmus+ onderzoeksproject (2017-2020) Designing and Evaluating Innovative Mobile Pedagogies (DEIMP) waarbij een onderzoeksmatige samenwerking is gezocht met vijf basisscholen in de omgeving van Den Haag.

Onderwerp en context Het doel van het DEIMP-project is om meer kennis te creëren over de innovatieve didactische inzet van mobiele technologie en factoren die belangrijk zijn voor duurzame implementatie van dergelijke initiatieven. Onderzoekers, opleiders en studenten van de Pabo ondersteunen de werkveldpartners met het ontwerpen, uitvoeren en evalueren van innovatieve leerpraktijken waarbij mobiele technologie wordt ingezet. Het DEIMP-project sluit aan op het beleid van de Pabo om de onderzoeksmatige samenwerking met werkveldpartners te versterken.

Doel Het doel van het DEIMP-project is om binnen een onderzoeksmatig samenwerkingsverband tussen onderzoekers, opleiders en (startende) leerkrachten meer kennis te creëren over de innovatieve didactische inzet van mobiele technologie en factoren die belangrijk zijn voor duurzame implementatie van dergelijke initiatieven.

Dat gebeurt onder andere door het gezamenlijk ontwikkelen van materialen en trainingen die leerkrachten, lerarenopleiders en studenten van de lerarenopleidingen, moeten ondersteunen in het ontwerpen, uitvoeren en evalueren van innovatieve leerpraktijken met inzet van mobiele technologie.

Voor de Pabo sluit dit project aan op het beleid om duurzame onderwijskundige en onderzoeksmatige samenwerking met werkveldpartners te versterken. Vanuit het werkveld van de Pabo is interesse in de inzichten en opbrengsten vanuit onderzoek naar de inzet van mobiele technologie, met name in relatie tot gepersonaliseerd leren en opbrengstgericht onderwijs. Bovendien dienen de opbrengsten uit het DEIMP-onderzoeksproject het curriculum van de Pabo ten aanzien van de didactische inzet van (mobiele-) technologie te verrijken.

Relevantie onderwijspraktijk Voor de Pabo sluit dit project aan op het beleid om duurzame onderwijskundige en onderzoeksmatige samenwerking met werkveldpartners te versterken waarbij opleiders, onderzoekers en leerkrachten gezamenlijk praktijkgericht onderzoek doen om kennis te ontwikkelen ten aanzien van gedeelde vraagstukken, zoals de didactische inzet van (mobiele-) technologie, en waarbij studenten van de Pabo op een betekenisvolle wijze betrokken worden in deze samenwerking.

Methode Vorig studiejaar is op de betrokken scholen een verkennend onderzoek uitgevoerd naar de didactische inzet van mobiele technologie. Mede op basis van deze uitkomsten wordt vervolgonderzoek voorbereid met docenten gericht op het ontwerpen en testen van effectieve en innovatieve inzet mobiele technologie, waarbij gebruik wordt gemaakt van ondersteuningsmateriaal die in het kader van het DEIMP-project worden ontwikkeld en getest, waarbij de leerkrachten, opleiders en studenten ook betrokken dienen te worden.

Activering deelnemers en organisatie van de bijdrage Aan de hand van het discussiepunt wordt gereflecteerd op de onderzoeksmatige samenwerking tussen onderzoekers, opleiders, leerkrachten en studenten en wordt feedback gevraagd aan de deelnemers ten aanzien van het ontwikkelen van een dergelijke leergemeenschap.

Discussiepunt Het ontwikkelen van een leergemeenschap op basis van een onderzoeksmatige samenwerking tussen onderzoekers, opleiders, leerkrachten en studenten van de Pabo: wat zijn belemmeringen en succesfactoren.

Anders organiseren van onderwijs: wat en hoe
DEIMP, onderzoeksmatige samenwerking, Pabo

Opleiding functioneel en geïntegreerd werken voor leraren basiseducatie

Interactie n.a.v. een poster, animatie of object39Carolien Fuchs, Vlaams Ondersteuningscentrum voor het Volwassenonderwijs, MECHELEN

MK2zaal - hoek 2di 09:00 - 10:30

Abstract

De sector basiseducatie schuift functioneel en geïntegreerd werken naar voor als het middel om geletterdheid bij cursisten te verhogen. Als Vlaams ondersteuningscentrum voor het volwassenenonderwijs ontwikkelen we, in samenwerking met het Netwerk Basiseducatie en met het oog op het bereiken van de strategische doelstellingen van het Plan Geletterdheid, een opleiding functioneel en geïntegreerd werken. De opleiding start in september 2019.

In elk opleidingstraject werken we op maat van de deelnemer. We zetten in op sociaal-constructivistisch leren en vertrekken vanuit een holistische visie. De opleiding bestaat uit een individueel coachingstraject, een authentieke opdracht en bouwstenen (ondersteunende modules).

De opleiding start met een individueel coachingsgesprek dat de leervragen in kaart brengt. Pijnpunten, in het kader van functioneel en geïntegreerd werken, worden blootgelegd.

De deelnemer komt samen met de coach tot een authentieke opdracht, gerelateerd aan de concrete uitdagingen en leervragen. De authentieke opdracht is implementeerbaar in de eigen lespraktijk. Binnen dit opleidingstraject volgt de deelnemer ook een startmodule (fundament) met hierop volgend een aantal bouwstenen die aansluiten bij de individuele leervragen.

Het gehele opleidingstraject staat in het teken van het versterken van leraren die lesgeven aan laaggeletterden met expliciete focus op functioneel en geïntegreerd werken.

Korte beschrijving

Geletterdheid verhogen door in te zetten op functioneel en geïntegreerd werken van leraren.

Een innovatieve, flexibele lerarenopleiding op maat van de deelnemer en direct implementeerbaar op de werkvloer: daar geloven wij in!

Tekst

Praktijk van waaruit ingediend

Volgens het meest recente http://www.piaac.ugent.be/uploads/assets/64/1381236252212-1303506%20piaac%20brochure%2009-13.pdfonderzoek van 2013 is 15% van de Vlaamse bevolking (16j-65j) laaggeletterd. De basiseducatie richt zich tot deze doelgroep. Het lesgeven aan laaggeletterden is een complexe opdracht. Er bestaat momenteel echter geen volwaardige lerarenopleiding voor leraren basiseducatie. Deze opleiding is een eerste belangrijke stap in deze richting.

Onderwerp

Als Vlaams ondersteuningscentrum voor het volwassenenonderwijs (VOCVO) werkten we in samenwerking met het Netwerk Basiseducatie een opleiding uit voor zowel beginnende als meer ervaren leraren basiseducatie.

Context

De sector basiseducatie werkt behoeftegericht en op maat. Volgens het %20http://www.platformgeletterdheid.be/plan-geletterdheid is geïntegreerd en functioneel leren de meest effectieve aanpak voor geletterdheidsmoeilijkheden. Daarom zetten we in op geïntegreerd en functioneel leren dat best plaatsvindt op de plek waar mensen zich vaak bevinden en vertrekt vanuit levensechte en relevante taken.

Doel

We ontwikkelden een flexibel en gepersonaliseerd opleidingstraject. Enerzijds omdat elke deelnemer unieke leervragen heeft over functioneel en geïntegreerd leren. Anderzijds omdat elke deelnemer deze opleiding combineert met een job als lesgever in de basiseducatie. De opleiding kan in één tot twee jaar worden afgewerkt.

De opleiding zet expliciet in op het tot stand brengen van een netwerk tussen leraren over de centra heen, onder andere door het in groep volgen van de bouwstenen, intervisiemomenten, opdrachten en observaties op de werkvloer.

Relevantie onderwijspraktijk

Na bevraging van de sector basiseducatie met betrekking tot de nood aan een lerarenopleiding startte VOCVO in 2015, in samenwerking met het netwerk basiseducatie, met het ontwikkelen van een lerarenopleiding. In eerste instantie is er een competentieprofiel voor de opleiding en een lijst met sleutelhoudingen van de leraar basiseducatie ontwikkeld. Deze vormen de basis voor de verdere ontwikkeling van de opleiding. Binnen de sector kijkt men reikhalzend uit naar de start van het opleidingstraject in september 2019.

Methode

Tijdens het coachingstraject worden leervragen gedetecteerd waarbij een gepersonaliseerd opleidingstraject wordt uitgetekend. Er worden regelmatig coachingsgesprekken voorzien.

De authentieke opdracht vormt de rode draad doorheen de opleiding. Tijdens het coachingstraject wordt deze authentieke opdracht op maat van de deelnemer geconstrueerd. Deze sluit aan bij de eigen lesopdracht: de praktijk voedt de opleiding, de opleiding voedt de praktijk. Gaandeweg wordt tijdens het opleidingstraject de opdracht opgelost.

De deelnemer selecteert, samen met de coach, relevante ondersteunende modules (bouwstenen A). Voor leervragen die niet in de opleiding vervat zitten maar evenwel een meerwaarde betekenen voor je groei als leraar binnen het functioneel en geïntegreerd werken wordt doorverwezen naar andere opleidingen (bouwstenen B).

Na een eerste coachingsgesprek volgt de deelnemer de verplichte startmodule, het fundament. Daarin wordt het kader van de opleiding meegegeven

Activering deelnemers en organisatie van de bijdrageNa een korte presentatie waarin we onze opleiding toelichten vragen we feedback aan de deelnemers.

Discussiepunt

Vragen voor de deelnemers: Hoe sta je tegenover het concept van deze opleiding? Heb je suggesties? Bezorgdheden?Welke acties onderneem je nu in het kader van geletterdheidsverhoging in jouw lespraktijk?Welke informatie, ondersteuning, met betrekking tot geletterdheid, zou interessant kunnen zijn voor jouw lespraktijk?

Kwaliteit voor en ín de klas
Laaggeletterdheid, Volwasseneneducatie, Zelfregulering

Nut of noodzaak? Startende docenten (in het mbo) als ambassadeur

Interactie n.a.v. een poster, animatie of object44Marja Flipse, Hogeschool van Arnhem en Nijmegen, NIJMEGEN

MK2zaal - hoek 2di 09:00 - 10:30

Abstract

Het mbo vormt een steeds belangrijker onderdeel van het werkveld voor startende docenten van de lerarenopleiding. Door samen te werken met het werkveld wordt het perspectief van het mbo voor studenten en lerarenopleiders veel concreter. De (nieuwe) afstudeerrichting beroepsonderwijs biedt kansen om verder samen te werken.

De aspirant-opleidingsschool Arnhem & Achterhoek heeft een kleine maar actieve groep ambassadeurs. Een proactieve groep startende docenten, die hun opleiding tot docent aan de HAN volgden. Vanuit eigen initiatief leggen zij als startende (mbo-) docenten de verbinding met de lerarenopleiding en zijn zij actief in de opleidingsschool. Zij bewegen daar waar energie zit. Dit heeft al tot een aantal mooie bijdragen in de lerarenopleiding geleid; zoals lessen vakdidactiek die door de ambassadeurs gegeven worden. Het smaakt naar meer en houdt lerarenopleiders wakker. Het succes wordt bepaald door het eigenaarschap dat de ambassadeurs voelen. Hoe kunnen wij binnen de opleidingsschool en de lerarenopleiding een sterke verbinding met de ambassadeurs houden en er ook voor zorgen dat zij vrijheid en ruimte blijven voelen?

Korte beschrijving

Deze presentatie laat zien hoe op een vernieuwende manier binnen de lerarenopleiding ruimte wordt geboden aan startende (mbo-) docenten (-studentenalumni).

Ambassadeurs, als docenten van de toekomst, vervullen op eigen initiatief een rol in de uitvoering en verbeteren van de kwaliteit van het onderwijs op de lerarenopleiding.

Tekst

Deze bijdrage wordt ingediend vanuit de Opleidingsschool Arnhem & Achterhoek (Rijn IJssel, Graafschap College, HAN-ILS). Onderwerp: bijdrage die de ambassadeurs leveren aan de verbinding lerarenopleiding en mbo-werkveld

Context: Binnen de aspirant opleidingsschool Arnhem Achterhoek en de aspirant opleidingsschool Nijmegen is een ambassadeursgroep actief; docenten die kortgeleden zijn gestart in het mbo en de lerarenopleiding net achter zich hebben gelaten. Als geen ander weten zij wat er meer nodig was in hun opleiding om succesvol te zijn als mbo-docent. Als geen ander willen zij samenwerken met de lerarenopleiding om de afstudeerrichting beroepsonderwijs meer vorm te geven. Als geen ander kunnen zij binnen de opleidingsschool het inductietraject mee vorm geven en betrokken zijn bij het opleidingsteam.

Doel: Het doel van onze bijdrage is om op te halen welke meerwaarde ambassadeurs nog meer kunnen hebben binnen de lerarenopleiding en binnen opleidingsscholen. Relevantie voor de onderwijspraktijk: De ambassadeurs geven bijvoorbeeld een beroepsgerichte gastles aan lerarenopleiders met aandacht voor: - hoe laat je het vak aansluiten op de beroepspraktijk van de mbo-leerling - hoe vertaal je een kwalificatiedossier naar een beroepsgerichte les - hoe sluit je aan bij de mbo-leerling en zijn/haar persoonlijkheid De ambassadeurs professionaliseren lerarenopleiders in een MBO Collegetour waarin de totstandkoming van kwalificatiedossiers en examinering in het mbo aan bod komen. De ambassadeurs zoeken een rol binnen vakdidactiek.

De ambassadeurs hebben een rol binnen de opleidingsschool: - zijn mede gastheer/vrouw bij het werkplekleren - treden op als peercoaches bij stagiairs van de lerarenopleiding. - geven mede vorm aan het inductietraject - participeren in het opleidingsteam

Methode De ambassadeurs hebben geen taakomschrijving. Daardoor kunnen zij noodzakelijke en nuttige aspecten ter versterking van de lerarenopleiding en de opleidingsschool voor het voetlicht brengen en oppakken wat opgepakt moet worden. Samen leren en samen opleiden krijgt op deze manier vorm. De lerarenopleiding staat open voor de ambassadeurs, hun rol is op dit moment incidenteel. De opleidingsschool staat open voor de input van ambassadeurs. Zij worden vanuit de opleidingsschool gefaciliteerd voor hun werk. De groep is nog klein en dat maakt dat niet alle ideeën vorm kunnen krijgen.

Activering deelnemers en organisatie van de bijdrage: Er wordt een film getoond met activiteiten van de ambassadeurs. Aan de hand van stellingen hopen wij input te krijgen over: - Welke waarde zouden ambassadeurs nog meer kunnen hebben voor de lerarenopleiding? - Welke waarde zouden ambassadeurs nog meer kunnen hebben voor de opleidingsschool? - Hoe kunnen wij deze beweging groter maken?

Activering van de deelnemers Door middel van stellingen brengen wij een discussie op gang met een ambassadeur en vertegenwoordiger van de opleidingsschool.

Discussiepunt Stellingen: 1 De lerarenopleidingen moeten ambassadeurs (oud studenten) actief werven en inzetten in hun onderwijs om hun mbo-expertise te vergroten.

2 Ambassadeurs (oud studenten) zijn nodig om een inductietraject voor startende docenten in het mbo interessant te maken.

Leraren van de toekomst: flexibele professionals
ambassadeur, lerarenopleiding, mbo

De ALPO-student als change-agent; samenwerken aan burgerschap op de basisschool

Interactie n.a.v. een poster, animatie of object53Fedor de Beer, Hogeschool van Arnhem en Nijmegen, NIJMEGEN

MK2zaal - hoek 2di 09:00 - 10:30

Abstract

Van academische leraren die afstuderen aan de Academische Lerarenopleiding Primair Onderwijs wordt verwacht dat zij niet alleen lesgeven aan hun eigen groep, maar dat zij door hun kennis over leren, onderwijs en didactiek ook de initiators worden van vernieuwingsprocessen in de school. Deze rol van de scientist-practitioner als change-agent in het onderwijs vraagt naast het kunnen maken van de transfer van theoretische kennis naar de praktijk vooral ook dat zij hun collega’s in het team kunnen overtuigen van en enthousiasmeren voor in te zetten onderwijsinnovaties. In onze opleiding is hier nog te weinig aandacht voor; de nadruk ligt op theorie en op onderwijsvaardigheden in de klas en niet bij het aansturen van schoolontwikkeling. In de te ontwikkelen module Burgerschapsvorming leren studenten de rol van change-agent op te pakken. Ze worden uitgedaagd op stage voorstellen te doen om burgerschapsvorming door te ontwikkelen en de lead te nemen in het gezamenlijk ontwerpen van dit onderwijs. De module wordt samen met alumni ontworpen en verzorgd, met als doel dat de student vaardig wordt in zijn rol als change-agent en de scholen tegelijkertijd een bij hun visie passend aanbod burgerschapsvormend onderwijs verkrijgen.

Korte beschrijving

Om ook in de toekomst goed onderwijs te verzorgen aan alle kinderen is diversiteit in het lerarencorps van groot belang. Van academische leraren verwachten we dat zij door hun kennis over leren, onderwijs en didactiek een team kunnen versterken en initiators worden van vernieuwingsprocessen in de school.

Tekst

- Praktijk van waaruit ingediend;

Binnen de Academische Lerarenopleiding Primair Onderwijs (ALPO) van de Hogeschool van Arnhem en Nijmegen en de Radboud Universiteit leiden we academische leraren op; scientist-practitioners die theorie uit wetenschappelijk onderzoek kunnen verbinden aan praktijk (PO-Raad, 2015).

- Onderwerp;

Verwacht wordt dat deze leraren door hun extra kennis over leren, onderwijs en didactiek en hun ervaring met het doen van onderzoek initiators worden van inhoudelijk doordachte, systematische vernieuwingsprocessen in de school en hun collega’s meenemen in schoolontwikkeling (Van der Wal-Maris, Geldens & Bijaard, 2012). Deze stip op de horizon maakt dat we onze ALPO-studenten niet alleen leren lesgeven en een stevige theoretische basis aanreiken, maar ook dat we ze willen laten ervaren wat deze toekomstige rol van change-agent van hen vraagt.

- Context;

Hiertoe dagen we onze derdejaars uit om over de grenzen van de klas heen te kijken en zich een beeld te vormen van vraagstukken op schoolniveau. Dit gebeurt onder andere binnen de module Burgerschapsvorming. Tot dit jaar voerden studenten hierbinnen een inventariserend onderzoek uit naar de stand van zaken wat betreft burgerschapsvorming op school, wat de stageschool een onderbouwd advies opleverde. Maar slechts ‘adviseren’ is gezien hun toekomstige rol als change-agent te schraal als we willen dat ze uiteindelijk als meewerkende voorman in het team zelf het voortouw nemen in het verbeteren van het (burgerschaps)onderwijs. Willen we dat deze studenten daadwerkelijk een voortrekkersrol gaan spelen bij innovatie op schoolniveau, dan moeten we zorgen dat ze het lef hebben om het initiatief te nemen én de hiervoor benodigde samenwerkingscompetenties hebben ontwikkeld die nodig zijn om een team mee te krijgen (Van der Heijden, 2017).

- Doel;

Het doel is daarom de module Burgerschap betekenisvoller te maken, door onderwijs en opdracht meer toe te spitsen op wat we als opleiding van de academische leraar als change-agent verwachten en ze dit ook doelgericht te laten oefenen (vlg. deliberate practise, zie Ericsson & Pool, 2016) door ze samen met het team, met de student in de lead, burgerschapsvormend onderwijs te laten ontwerpen dat betekenisvol is voor hun leerlingen op hun school.

- Relevantie onderwijspraktijk;

Als deze opzet slaagt, zijn studenten na diplomering beter voorbereid om direct al de rol van change-agent op zich te nemen en naast taken in de klas ook op schoolniveau van betekenis te kunnen zijn.

- Methode (ontwerp of aanpak, voorlopige of mogelijke opbrengsten);

Via Educational Design Research. De module wordt herontworpen samen met ALPO-alumni; zij kennen de opleiding én weten als werkzame academische leraar wat zij in de opleiding hebben gemist.

- Activering deelnemers en organisatie van de bijdrage;

Middels een poster en korte intro worden deelnemers uitgedaagd mee te denken over knelpunten waar wij als ontwerpers tegen aan lopen.

- Discussiepunt.

Belangrijkste vraag hierin is hoe we de student zo kunnen motiveren dat zij in hun stage wegen zoeken om zoveel mogelijk voor elkaar te krijgen en zelf drempels over te stappen.

Leraren van de toekomst: flexibele professionals
ALPO, Burgerschap, Change agent

Van controleerbaarheid naar verrijkende en verdiepende reflectie

Workshop34Jos Meuwissen, Fontys Hogescholen, SITTARD

Persruimtedi 09:00 - 10:30

Abstract

De laatste twee decennia is bij de bacheloropleidingen geschiedenis aan de lerarenopleidingen veel aandacht geweest voor de vernieuwing en verbetering van de didactische component van het leraarschap. Minder aandacht was er voor het uitbouwen van het reflectieproces bij de aankomende geschiedenisdocent op zowel de maatschappelijke functies van het vak geschiedenis, op het wetenschappelijk referentiekader van geschiedenis alsook op de inhoud van de lesstof in het secundair onderwijs. Door het ontbreken hiervan worden studenten onvoldoende voorbereid op het meedenken en meewerken aan een kwalitatief rijke en zinvolle invulling van hun vak. In deze workshop leren de deelnemers via een presentatie en actieve deelname hoe Fontys Sittard binnen haar curriculum deze lacune heeft opgevuld. Korte beschrijving In deze workshop wordt aangesloten bij het in de congresopzet geformuleerd belang van het opleiden van docenten die wendbaar, onderzoekend en creatief zijn. Er wordt nagegaan hoe een continu en diepgaander reflectieproces op zowel de maatschappelijke functies van het geschiedenisonderwijs alsook op de invulling van het docentschap gerealiseerd kan worden.

Tekst

Het heeft verschillende decennia geduurd voordat denkbeelden en uitgangspunten van het sociaal constructivisme en de linguistic turn expliciet in het geschiedenisonderwijs van de lerarenopleidingen werden ingebouwd. Dat gegeven leidde echter bij studenten aan de lerarenopleiding slechts in geringe mate tot een vernieuwde reflectieve houding op het vak van geschiedenisdocent. De schoolpraktijk van zowel de lerarenopleiding alsook het werkveld blijkt zo weerbarstig dat de verwachte verrijkende en uitgebreidere reflectie op de maatschappelijke functies van het fenomeen geschiedenis, de historische cultuur van een samenleving en het functioneren van de geschiedenisdocent vooralsnog grotendeels uitblijven. Het is onder meer het behouden van de controle over de lessituatie en de invulling van het schoolcurriculum die belemmerend hierbij werken. Het zich eigen maken van uitgebreidere reflectieve vaardigheden vormt echter een belangrijke voorwaarde om een diepgaander metacognitief perspectief op de functie en invulling van het vak geschiedenis te verwerven en daarmee de toekomstige docent te voorzien van de noodzakelijke vaardigheden om adequaat in een toekomstig onderwijssysteem te kunnen functioneren.

De hiervoor beschreven lacune vormde de aanleiding voor de vakgroep geschiedenis van Fontys Sittard om een leerlijn te ontwikkelen waarin expliciet aan het aanleren van deze vaardigheden wordt gewerkt. Een belangrijk onderdeel binnen deze leerlijn vormt de analyse van een moderne mythe. De moderne mythe wordt traditioneel binnen het Nederlandse geschiedenisonderwijs beschouwd als een hardnekkig en gevaarlijk fenomeen dat bestreden moet worden. De leidende gedachte daarbij is dat moderne mythen een vertekend beeld van de werkelijkheid verschaffen en ‘de geschiedenis ons heeft geleerd’ dat ze gebruikt worden om mensen in negatieve zin te manipuleren.

Binnen de ontwikkelde leerlijn wordt de moderne mythe daarentegen behandeld als een belangrijk betekenis-verschaffend en zingevend medium en daarmee als een relevante bron voor het geschiedenisonderwijs. Bovendien blijkt dat door een analyse van het ontstaan, de geschiedenis alsook de maatschappelijke functies van moderne mythen het hierboven geschetste en gewenste reflectieproces kan worden gerealiseerd. De studenten verwerven in inhoudelijk opzicht een uitgebreider en rijker perspectief op maatschappelijke processen in het algemeen, op de maatschappelijke functies van hun vak in het bijzonder maar eveneens op zowel de kracht alsook de beperkingen van historisch denken en redeneren.

Na een presentatie over enerzijds de doelstelling, opzet en inhoud van de leerlijn gaan de deelnemers in groepen aan de slag met de analyse van een moderne mythe. Vervolgens wordt via een plenaire evaluatie, onder meer, ingegaan op de inrichting, organisatie en het beoogde rendement van deze werkvorm.

Anders organiseren van onderwijs: wat en hoe
metacognitief perspectief, moderne mythe, vernieuwde reflectieve houding

Aanstaande leraar, wat voor change agent profiel heb jij?

Workshop27Monique van der Heijden, Hogeschool de Kempel, HELMOND

Proosdijzaal (HC)di 09:00 - 10:30

Abstract

De maatschappij die continu aan veranderingen onderhevig is, vraagt om leraren die zich blijven vernieuwen en ontwikkelen en stilstaan bij de vraag hoe ze hun onderwijs met de kennis van nu kunnen verbeteren om daarmee het potentieel van leerlingen tot wasdom te laten komen. Leraren die in hoge mate gekenmerkt kunnen worden als ‘change agents’ oefenen invloed uit op de eigen onderwijspraktijk (Hoe kan ik het onderwijs op klas- en schoolniveau verbeteren?), op de eigen professionele ontwikkeling (Hoe kan ik mijn professioneelhandelen verbeteren?) en op de professionele identiteitsontwikkeling (Wie ben ik als leraar en wie wil ik als leraar zijn?). Leraren zijn in meer of mindere mate te identificeren als change agents aan de hand van negen change agent kenmerken. Om aanstaande leraren adequaat te equiperen voor de uitoefening van hun toekomstig beroep is het van belang om hentijdens de opleiding voor te bereiden om change agent te worden. Tijdens deze workshop wordt een tool geïntroduceerd waarmee change agent profielen bij (aanstaande) leraren kunnen worden geïdentificeerd. De deelnemers gaan actief met deze tool aan het werk en gaan in dialoog over mogelijkheden van deze tool en de betekenis voor de lerarenopleiding.

Korte beschrijving

In de gekozen programmalijn staat de vraag centraal wat voor leraren in de toekomst nodig zijn. Tijdens deze workshop wordt een tool geïntroduceerd waarmee change agent profielen van studenten kunnen worden geïdentificeerd. De deelnemers gaan actief het werk met deze tool en in dialoog over de betekenis voor de lerarenopleiding.

Tekst

De maatschappij die continu aan veranderingen onderhevig is, vraagt om leraren die zich blijven vernieuwen en ontwikkelen en stilstaan bij de vraag hoe ze hun onderwijs met de kennis van nu kunnen verbeteren om daarmee het potentieel van leerlingen tot wasdom te laten komen. Met andere woorden, van leraren wordt gevraagd om in hun werk ‘agency’ te benutten en te functioneren als ‘change agents’ (Priestley, Edwards, Miller, & Priestley, 2012). Het benutten van agency houdt in dat leraren: 1) controle hebben over hun eigen professioneel handelen, 2) zelf initiatieven nemen om veranderingen aan te brengen in de eigen onderwijspraktijk en 3) sturing geven aan en verantwoordelijkheid dragen voor het eigen professioneel leren (Beijaard, 2009). Agency is dus een centraal onderdeel van de professionaliteit van leraren, echter varieert de mate waarin leraren hun agency daadwerkelijk benutten in de praktijk (Vähäsantanen, 2015). Leraren als change agents benutten in sterke mate agency in hun werk en kunnen omschreven worden als professionals die zelf initiatieven nemen om het onderwijs op klas- en schoolniveau verder te ontwikkelen en gericht werken aan de ontwikkeling van hun professioneel handelen en professionele identiteit (Lukacs & Galluzzo, 2014; Van der Heijden, 2017).

Onderzoek van Van der Heijden (2017) laat zien dat leraren in meer of mindere mate te identificeren zijn als change agents aan de hand van negen kenmerken. In dit verband kunnen vier profielen worden onderscheiden. De change agent kenmerken blijken in het bijzonder in het dagelijkse werk van een specifieke categorie leraren (profiel 4 leraren) tot uitdrukking te komen. Deze profiel 4 leraren onderscheiden zich van andere leraren door meer gericht te zijn op het leren van leerlingen, op innovatie op klas- en schoolniveau en op de eigen kennisontwikkeling.Zowel persoonsfactoren als contextfactoren hebben invloed op de wijze waarop leraren (kunnen) functioneren als change agents (cf. Thurlings, Evers, & Vermeulen, 2014).

Om aanstaande leraren adequaat te equiperen voor de uitoefening van hun toekomstig beroep is het van belang om hen tijdens de opleiding voor te bereiden om change agent te worden (MacPhail &Tannehill, 2012). De centrale vraag is hoe de lerarenopleiding aanstaande leraren kan voorbereiden om change agent te worden. Op basis van het onderzoek van Van der Heijden (2017) is in samenwerking met leraren basisonderwijs, lerarenopleiders en aanstaande leraren een tool (prototype) ontwikkeld om individuele change agent profielen bij (aanstaande) leraren te kunnen identificeren. Deze tool kan ondersteunend werken bij het herkennen en waarderen van de change agent kenmerken, en waar gewenst bij het verder ontwikkelen van (enkele van) deze kenmerken. Tijdens deze workshop wordt de tool geïntroduceerd en gaan deelnemers er actief mee aan het werk. De deelnemers gaan in dialoog over mogelijkheden van deze tool en over de betekenis en mogelijke consequenties voor de lerarenopleiding. Aan hen wordt tevens gevraagd om feedback te geven op de ontwikkelde tool in relatie tot de kwaliteitscriteria relevantie, consistentie, praktische bruikbaarheid, effectiviteit, schaalbaarheid en duurzaamheid (Van den Akker, Kuiper, & Nieveen, 2012).

Leraren van de toekomst: flexibele professionals
Aanstaande leraren als change agents, Agency, Change agent kenmerken

Wat is innovatief onderwijs? Een Socratisch gesprek

Workshop119Dubravka Knežic, Hogeschool van Amsterdam, AMSTERDAM

Struktonfoyerdi 09:00 - 10:30

Abstract

Scholen en lerarenopleidingen zijn zoekend in nieuwe vormen van onderwijzen en opleiding. Om deze zoektocht te ondersteunen organiseren we een Socratisch gesprek waarin we samen op zoek gaan naar vragen en mogelijke antwoorden rondom innovatief onderwijs. Welke doelen hoort innovatief onderwijs na te streven? Is een van de doelen het overdragen van de kennisbasis? Wat zijn dan innovatieve manieren van kennis overdragen? Vanuit sociaal-constructivistische leertheorie gezien kan kennis niet overgedragen worden. Iedere leerinhoud verandert op het moment dat het geleerd wordt. Vind jij dat ook? Of denk je anders hierover? Kortom, tijd voor een gesprek, of nog liever een reeks van gesprekken onder de leraren, lerarenopleiders, leraren in opleiding en andere stakeholders. In dit Socratisch gesprek over innovatief onderwijs gaan we van elkaar leren. Daarbij oefen je met echte vragen stellen (waarop je geen antwoord weet) en de technieken van onderling begripcheck. Het doel van deze workshop is enerzijds het begrip van ‘innovatief onderwijs’ te verdiepen en anderzijds leren van elkaar leren. Om dat laatste te kunnen, moet je eigen mening kunnen opschorten. Kun je dat? Moet je dat als leraar of lerarenopleider kunnen?

Korte beschrijving

Deze workshop past binnen het thema van het congres vanwege de wijze van presenteren en de inhoud. Het Socratisch gesprek stelt de deelnemers in de gelegenheid om eigen ervaringskennis en ideeën over het onderwerp ‘innovatief onderwijs’ met collega’s te delen en kritisch onder de loep te nemen.

Tekst

Leren van elkaar? Daar is het Socratisch gesprek een belichaming van. Het Socratisch gesprek in de Nelson-Heckmann traditie wordt toegepast in Nederland al enkeltientallen jaren in bedrijfsleven en als vrijetijdsbesteding in filosofische cafés. Het werd hoog tijd om zijn pedagogische potentie te benutten. Een vierjarig onderzoek (Knežic, Wubbels, Elbers & Hajer, 2011; Knežic, Elbers, Wubbels & Hajer, 2011; Knežic, Elbers, Hajer & Wubbels, 2013) heeft getoond dat het Socratisch gesprek een degelijke potentie heeft voor de leraren in opleiding. Het laat ervaren hoe je van elkaar leert en wat ervoor nodig is om dat leren zo efficiënt mogelijk te maken. Het idee van de leren van elkaar berust op de socioculturele assumptie dat kennis geconstrueerd wordt in dialoog en sociale interactie (Rogoff, 1990, Gibbons, 2006, Mercer, 1995) en dat begrip het primaire doel van onderwijs hoort te worden (Wells, 1999). Een goede dialoog maakt gebruik van maatregelen die het begrip bevorderen. Het gaat hierbij om begrip tussen gesprekspartners onderling en hun begrip van de kennis die tussen hen in ontstaat, welke ze dan beiden weer eigen maken (appropriation, Rogoff, 1990). Om zoiets te laten plaats vinden is de sensitiviteit voor elkaars bedoeling cruciaal. Met andere woorden, hoe meer we ons open stellen voor wat onze gesprekspartner bedoelt, in plaats van zegt, hoe groter de kans dat we van elkaar leren.

Leraren van de toekomst: flexibele professionals
begrip checken, eigen mening opschorten, leren vragen stellen

Stevig voor de klas: fysieke werkvormen voor docenten

Workshop38Edith de Vries, NHL Stenden Hogeschool, LEEUWARDEN

Viskerfoyerdi 09:00 - 10:30

Abstract

Op de lerarenopleiding van NHLStenden zijn we begonnen om studenten fysiek te trainen als docent. Hoe staat iemand die zeggingskracht heeft? Hoe kijkt hij of zij? Wat hoor je in de stem en wat zegt zo iemand? Hoe kun je je eigen aanwezigheid en uitstraling versterken op een manier die bij je past? In de cursussen gaat het om het verbreden van het fysieke en verbale repertoire om sterk te staan, het versterken van het bewust-zijn rondom grenzen en het aangeven van grenzen, het oefenen met het aangaan van contact en het omgaan met weerstand. Vanuit de cursussen op de opleiding zijn we ook gestart met een Train de Trainer cursus voor collega-lerarenopleiders op de hogeschool en onze omliggende scholen. Hierin werken we samen aan het ont-dekken van kennis omtrent fysieke werkvormen die behulpzaam zijn bij het opleiden van docenten. In deze workshop leer je enkele werkvormen gebruiken die we hierin toepassen, je leert de beginselen van de methodiek kennen die wij hebben ontwikkeld en je kunt met ons sparren hoe je dit kunt toepassen op jouw opleiding of in jouw (opleidings-)school.

Korte beschrijving

Het fysiek werken met studenten op de lerarenopleiding blijkt goed te werken om stevig voor de klas te komen staan, grenzen aan te geven, interactie aan te gaan. Vanuit deze praktijk is een Train de Trainer netwerk ontstaan waarin we als lerarenopleiders samen met schoolopleiders en coaches leren en uitproberen.

Tekst

Op de lerarenopleiding van NHLStenden zijn we gaan werken met fysieke werkvormen om studenten te ondersteunen in het stevig voor de klas te gaan staan. De studenten ervaren daarin hoe ze een houding aan kunnen nemen die past bij wat ze willen uitstralen, hoe ze oogcontact kunnen versterken, hoe het voelt als grenzen overschreden worden en wat ze daaraan kunnen doen. De combinatie van deze fysieke werkvormen en de theorietische aspecten van klassenmanagement, wordt ervaren als de 'missing link'. Enerzijds wordt er gewerkt aan de verbreding van het fysieke en verbale repertoire van studenten zelf, anderzijds wordt er gestudeerd op de effecten van verschillende interventies door het gebruikmaken van trainingsacteurs en spelvormen en simulaties. De inzet van opgeleide trainingsacteurs biedt daarbij veel ondersteuning. Bij gebrek aan trainingsacteurs kan de groep echter zelf ook prima fungeren partners in het geven van feedback. De didactiek die hierin ontwikkeld is, start vanuit het 'ik', gaat door naar het 'wij' en eindigt bij 'het'. Eerst is het belangrijk dat studenten zich aanwezig maken voor een groep, zich bewust zijn van hun lichaam, hun ruimte bepalen. Van daaruit kunnen ze contact maken met anderen, relaties aangaan, grenzen aangeven. En daaruit ontstaat de ruimte voor het leren, de inhoud, wat er tussen mensen kan ontstaan, en ook ruimte voor het oplossen van conflict en het omgaan met weerstand. De studentevaluaties tonen aan dat deze manier van werken als heel zinvol ervaren wordt, met name de bewustwording van de kleine verschillen in houding en stem die veel verschil maken in het contact met anderen. Waar er voorheen niet geoefend kon worden, behalve in het echt, met alle hardnekkige gevolgen van dien, bieden de trainingen op de opleiding of op de opleidingsschool nu een veilige simulatie-ruimte om te oefenen met gedrag. Studenten geven terug dat ze meerdere handvaten hebben gekregen om hun aanwezigheid te versterken en wendbaar te reageren op verschillende situaties. Vanuit de positieve reacties van studenten zijn we begonnen ook Train de Trainer cursussen aan te bieden aan ons netwerk van scholen en opleidingsscholen. Hier is veel respons op gekomen en het blijkt dat de werkwijze handvaten biedt die herkend worden als praktisch, concreet en behulpzaam in het opleiden van docenten. Het versterkt het samen opleiden in de regio door lerarenopleiders, schoolopleiders en coaches, omdat we samen studeren op wat effectief docentengedrag is en hoe we dat kunnen versterken. Al met al een voorbeeld van een vernieuwende werkwijze in het opleiden van studenten, die we al doende leren en ontwikkelen met lerarenopleiders op de hogeschool en in de scholen. In deze workshop maak je kennis met enkele werkvormen die we gebruiken, de methodiek en kun je met ons sparren over hoe dit in te zetten is op jouw opleiding of school.

Kwaliteit voor en ín de klas
Samen opleiden, Stevig voor de Klas

11:00 - 12:30 Parallelsessie 4

Op zoek naar de pedagogische finaliteit van de levensbeschouwelijke vakken op school

Workshop60Ilse Geerinck, UC Leuven-Limburg, HASSELT

Artiestencafédi 11:00 - 12:30

Abstract

Binnen het godsdienst- en levensbeschouwelijk onderwijs stijgt de diversiteit en rijkdom aan diverse culturen en levensbeschouwingen enerzijds, en daalt de kerkelijke en religieuze betrokkenheid op een geloofsgemeenschap anderzijds. Het vraagstuk van de levensbeschouwelijke vakken vormt vaak de inzet van een polariserend debat: de strijd tussen de confessionele invalshoek enerzijds en het neutrale standpunt anderzijds. Is het levensbeschouwelijk vak het terrein van de religies zelf of is het levensbeschouwelijk vak het terrein van de objectieve wetenschappelijke methode? Stemmen die pleiten voor een neutrale positie geven aan dat het onderwijs niet tot taak heeft om aan de persoonlijke religieuze (katholieke, protestantse, ect.) identiteitsvorming te doen. Het confessionele standpunt maakt duidelijk dat men in de levensbeschouwelijke vorming nooit neutraal kan zijn.

De stem die vandaag in elk debat echter ontbreekt, is deze van het onderwijs zelf die spreekt in naam van de pedagogische finaliteit van het vak levensbeschouwelijke vorming op school. Pedagogisch is de school immers de ruimte die zich tussen het gezin en de samenleving bevindt en gericht is op het vormen van jonge mensen; dit is ze uitrusten om een toekomstige – en dus nog onbekende – wereld mee vorm te geven.

Korte beschrijving

Niet alleen wordt het vak levensbeschouwing uitgedaagd door diversiteit in de klas. Ook externe instanties zoals de politiek, de geloofsgemeenschappen en de samenleving laten regelmatig hun verwachtingen klinken over onderwijs. Aan tafel willen we stemmen samenbrengen rond het vraagstuk: Kan levensbeschouwelijk onderwijs een specifieke bijdrage leveren aan een ‘schoolse vorming’?

Tekst

Praktijk

Binnen het onderwijs stelen we vast dat een aantal leerkrachten basis- en secundair/voortgezet onderwijs en docenten in het hoger onderwijs een zekere handelingsverlegenheid hebben met betrekking tot levensbeschouwelijk onderwijs.

We kunnen vaststellen dat de leraren levensbeschouwing geconfronteerd worden met verschillende verwachtingen. Naast de verwachtingen van de geloofsgemeenschappen betreffende levensbeschouwelijke vakken, mengt ook de samenleving, de jongeren en hun ouders en de politieke overheid zich in het debat. Men spreekt over (levensbeschouwelijke) identiteitsvorming, over het tegengaan van radicaliserend gedrag, over waarden en normen aanreiken met het oog op burgerschapsvorming, over een informatief vak over verschillende religieuze tradities, etc.. Tot slot, zijn er ook stemmen die aandringen tot de afschaffing van religie en de levensbeschouwelijke onderwijsvakken vanuit het argument scheiding Kerk en Staat en het terugbrengen van religie tot de privé-sfeer.

Daarnaast is er ook de interne realiteit: leraren worden geconfronteerd met een steeds groter wordende diversiteit op levensbeschouwelijk en cultureel vlak in hun klas. Het aantal (on)gedoopte leerlingen die van thuis uit weinig tot niet vertrouwd zijn met een christelijke geloofstraditie neemt toe, net zoals de aanwezigheid van leerlingen met een (van thuis uit rijke) Islamitische of andere geloofsovertuiging (via vluchtelingen).

Onderwerp

De spanning tussen de verschillende externe verwachtingen en de schoolse interne realiteit vraagt om nader bekeken te worden. Dit onderzoek wil de levensbeschouwelijke vertrekpunten herdenken tot op het pedagogische niveau.

Context & doel

In ons onderzoek willen we van de vraag naar de finaliteit van levensbeschouwelijk onderwijs een democratische én pedagogische vraag maken (en dus geen juridische sociologische, psychologische, etc. invulling). We opteren in dit onderzoek voor een beraadslaging en willen zo voorbij gaan aan de gepolariseerde discussie tussen representanten. De inzet van dit onderzoek is het creëren van een vrije ruimte waar deze vraag op een authentieke manier kan klinken om zo verbinding tot stand te brengen en toekomstperspectief te creëren in de vorm en aanpak van het vak. Het doel is om datgene waarover men verdeeld is, zichtbaar te maken en waarbij het eigen belang opzij gezet kan worden om te komen tot een gedeelde zorg en waardoor men dus ‘uit-positie’ kan worden gezet.

Activering deelnemers en organisatie van de workshop

In deze workshop willen we enerzijds de methode van deliberend onderzoek (be)oefenen en anderzijds mensen rond de tafel brengen rond een complex ‘levensbeschouwelijk vraagstuk’. Na het lezen van een discussiebevorderende tekst (1) vragen we elke deelnemer om zich te verhouden tot wat in het midden ligt (2). De kern van de methode is een dialoog die verbonden is met het onderzoeken van perspectieven, standpunten en argumenten (3). Op het einde vragen we elke deelnemer om één uitspraak te noteren die voor hen van cruciale betekenis is aangaande de vraag die op tafel ligt (4).

Discussiepunt

Is het vak godsdienst/levensbeschouwing het terrein van de religie (met als doel identiteitsvorming op basis van informatie van verschillende religies) of van de objectieve wetenschappelijke methode (met als doel het doorgeven van de laatste stand van zaken binnen de wetenschap inzake religie)? Of heeft de levensbeschouwing een eigen pedagogische finaliteit?

Maatschappij van morgen: diversiteit en urban education
deliberative inquiry, levensbeschouwing, onderwijsvrijheid

De meertalige school: van een taalrijke naar talenrijke leeromgeving

Workshop1Willemijn Zwart, Saxion, ENSCHEDE

Brasseriedi 11:00 - 12:30

Abstract

Geen CLIL, geen doeltaal-voertaal, geen chuncks. Deze workshop is geen college vakdidactiek voor de moderne vreemde talen. Wat dan wel? Geïnspireerd door heersende ideeën over taalsensibilisering, de rol van taal in het ontwikkelen van een positief zelfbeeld en de discussies over taal & identiteit, verlaat je deze workshop met nieuwe, eigenzinnige én uitvoerbare ideeën om van een linguïstieke monocultuur naar een meertalige school te komen. Wat gaan we doen? In drie stappen werk je toe naar een eerste, concrete interventie om op jouw school de huidige taalomgeving te verrijken en verdiepen, door een positieve benadering van meertaligheid in onderwijs, leerlingbegeleiding en contact met ouders. Je analyseert de huidige taalsituatie, creëert je eigen ideaalbeeld van de meertalige school en krijgt inspiratie in de vorm van drie concrete (les)ideeën. Je verlaat de workshop met een interventie die je gelijk de komende week in kunt zetten in je eigen onderwijspraktijk. Op naar een talenrijke leeromgeving!

Korte beschrijving

Geïnspireerd door heersende ideeën over taalsensibilisering, de rol van taal in het ontwikkelen van een positief zelfbeeld en de discussies over taal & identiteit, verlaat je deze workshop met nieuwe, eigenzinnige én uitvoerbare ideeën om van een linguïstieke monocultuur naar een meertalige school te komen. Tekst

De meertalige school: van een taalrijke naar talenrijke leeromgeving

Praktijk van waaruit ingediend

In 2016 werd mij door de Gemeente Enschede verzocht een nascholing te verzorgen voor leerkrachten (basisonderwijs) en pedagogisch medewerkers (kinderopvang) uit Standsdeel Zuid, een stadsdeel waarin kinderen van huis uit zeer veel verschillende talen spreken, met als leervraag: hoe kunnen we leerlingen helpen zo goed mogelijk Nederlands te leren spreken? In de toen ontwikkelde nascholing zette ik in op waardering van meertaligheid en de eigen thuistalen, om leerlingen op deze wijze ruimte te bieden voor hun eigen (talige) identiteit, vanuit de hypothese dat dit het leren in den brede (en dus ook de taalontwikkeling van het Nederlands) ten goede komt. Doorontwikkeling van deze nascholing heeft tot deze workshop geleid.

Onderwerp

Het onderwerp van deze workshop is de meertalige school.

Context

Binnen schoolmuren wordt formeel, volgens het taalbeleid, over het algemeen maar een zeer beperkt aantal voertalen toegestaan: Nederlands, Fries, Engels en/of Frans. Het aanbod gedoceerde talen is iets ruimer (Duits, Spaans, in een enkel geval ook talen als Russisch of Chinees), maar weerspiegelt nog steeds maar een fractie de talenrijkdom van de totale schoolsamenleving.

Zonder afbreuk te willen doen aan het streven naar een uitmuntende beheersing van de landstaal of –talen, is het een gemiste kans dat deze talenrijkdom tot op heden weinig tot geen ruimte krijgt binnen de schoolmuren.

Doel

Doel van deze workshop is grip krijgen op manieren waarop al deze thuistalen de ruimte kunnen krijgen in het onderwijs, zonder daarbij afbreuk te doen aan het onderwijs in de landstaal of –talen.

Geïnspireerd door heersende ideeën over taalsensibilisering, de rol van taal in het ontwikkelen van een positief zelfbeeld en de discussies over taal & identiteit, verlaat je deze workshop met nieuwe, eigenzinnige én uitvoerbare ideeën om van een linguïstieke monocultuur naar een meertalige school te komen.

Activering van deelnemers en organisatie workshop

Wat gaan we doen? We doorlopen drie stappen om binnen een school de taalomgeving te verrijken en verdiepen, door een positieve benadering van meertaligheid in onderwijs, leerlingbegeleiding en contact met ouders.

Stap 1 is het analyseren van de huidige taalsituatie, stap 2 is het creëren van een ideaalbeeld van de meertalige school en stap 3 is het ontwikkelen van een interventie om in de juiste richting.

Ter inspiratie worden drie voorbeeldinterventies in de vorm van concrete (les)ideeën in de praktijk gebracht in deze workshop.

Discussiepunt

Hoe ziet het ideaalbeeld van een meertalige school eruit? En welke rol hebben lerarenopleiders hierbij? Zouden ook lerarenopleidingen meertalig(er) moeten zijn?

Over de auteur

Willemijn Zwart is lerarenopleider Nederlands bij Saxion Hogescholen, waar ze onder andere betrokken is bij de ontwikkeling van de minor Global Citizenship. Daarnaast werkt ze bij Kom voor Taal (http://www.komvoortaal.nl/) als educatief ontwerper. Ze studeerde zelf Neerlandistiek aan de Universiteit Utrecht, waar ze afstudeerde op de inzet van streektalen ten behoeve van het taalonderwijs in het primair onderwijs. Momenteel werkt ze aan een leerlijn meertaligheid voor het primair onderwijs.

Maatschappij van morgen: diversiteit en urban education
meertaligheid, taal en identiteit, taalsensibilisering

De ontwikkeling van een flexibele deeltijdopleiding samen met de partnerscholen van ITT/HUpabo

Uitnodigende praktijkvoorbeelden12Anton Boonen, Hogeschool Utrecht, UTRECHT

Cinema 1di 11:00 - 12:30

Abstract

Op verschillende plaatsen in het hoger onderwijs worden de laatste jaren vormen van flexibilisering en differentiatie doorgevoerd. Een belangrijke pijler van de opleidingsvisie van Instituut Theo Thijssen (HUpabo) betreft het idee dat leren een persoonlijk en continue proces is. Dit vraagt dat het onderwijs, begeleidings- en toetsaanbod dient aan te sluiten bij de behoeften van de student wat betreft tempo, interesse en niveau. Binnen dit praktijkvoorbeeld worden de werkbare en niet-werkbare elementen van het ontwikkel-en implementatieproces van de flexibele deeltijdopleiding van ITT/HUpabo in kaart gebracht, zowel vanuit het perspectief van de lerarenopleiding als vanuit het perspectief van de scholen. De centrale uitdaging hierbij is de manier waarop ITT/HUpabo in partnerschap met de onderwijspraktijk zorgdraagt voor een kwalitatief sterke werkplek waar een gepersonaliseerde en flexibele leerroute op een kwalitatief hoogwaardige wijze op aan kan sluiten. Een belangrijk discussiepunt binnen het praktijkvoorbeeld zal gaan over de manier van opleiden die passend is bij een flexibel curriculum. Wat vraagt dit bijvoorbeeld van de begeleiding en gehanteerde didactiek van instituutsopleiders en schoolopleiders? Aan de hand van een aantal studentprofielen zullen de deelnemers aan de slag gaan met (begeleidings)vraagstukken die o.a. de vormgeving van de leerroutes binnen de flexibele deeltijdopleiding betreffen.

Korte beschrijving

Een belangrijke pijler van de opleidingsvisie van ITT/HUpabo betreft het idee dat leren een persoonlijk proces is. Dit vraagt dat het onderwijs-, begeleidings- en toetsaanbod flexibel is en aansluit bij de behoeften van de student. Dit praktijkvoorbeeld schetst het ontwikkel-en implementatietraject van de flexibele deeltijdopleiding van ITT/HUpabo en haar partnerscholen.

Tekst

Onderwerp

Binnen dit praktijkvoorbeeld wordt het ontwikkel-en implementatietraject geschetst van de flexibele deeltijdopleiding van Instituut Theo Thijssen (HUpabo) en haar partnerscholen.

Context

Op verschillende plaatsen in het hoger onderwijs worden de laatste jaren vormen van flexibilisering en differentiatie doorgevoerd. In veel gevallen is er ook nog sprake van een ˜one size fits all'-benadering, afgestemd op de gemiddelde student. Hoewel de instroom in opleidingen van het hoger onderwijs heel divers is, doorlopen studenten veelal hetzelfde curriculum en zijn de mogelijkheden voor differentiatie, keuzes en eigen inkleuring beperkt.

Een belangrijke pijler van de opleidingsvisie van ITT/HUpabo betreft het idee dat leren een persoonlijk en continue proces is. Dit vraagt dat het onderwijs-, begeleidings- en toetsaanbod dient aan te sluiten bij de behoeften van de student wat betreft tempo, interesse en niveau.

Doel

Het doel van het praktijkvoorbeeld is om de opleidingspraktijk te laten zien van de flexibele deeltijdopleiding die ITT/HUpabo samen met haar partnerschoolbesturen heeft ontwikkeld en geïmplementeerd. Bovendien wordt aan deelnemers gevraagd om na te denken over de begeleiding en gehanteerde didactiek binnen een flexibel curriculum.

Centrale uitdaging en verloop van de practice

Een belangrijk uitgangspunt bij de curriculumontwikkeling van de deeltijdopleiding is de rol van flexibilisering om gepersonaliseerd leren mogelijk te maken. Dit vraagt iets van de vormgeving van de opleiding en de begeleiding en didactiek die door opleiders vanuit de lerarenopleiding en de scholen wordt gehanteerd. De centrale uitdaging hierbij is de manier waarop ITT/HUpabo in partnerschap met de onderwijspraktijk zorgdraagt voor een kwalitatief sterke werkplek waar een gepersonaliseerde en flexibele leerroute op een kwalitatief hoogwaardige wijze op aan kan sluiten.

Het opleidingstraject van de geschetste flexibele deeltijdopleiding start voorafgaand aan de inschrijving met een intake en matchingsprocedure. Het resultaat hiervan wordt gebruikt tijdens de eerste fase van de opleiding, de oriëntatiefase. De oriëntatiefase heeft een positief selecterende functie en brengt de juiste diepgang in het verbinden van de persoonlijke leervraag met de best passende leerroute. Resultaat van deze fase is een helder beeld van de mogelijkheden voor een gepersonaliseerd en flexibel leertraject dat de student met een grote kans op succes kan volgen.

De onderwijsroute na de oriëntatiefase is flexibel ingericht. De inrichting van het onderwijs, de begeleiding en toetsing bieden studenten de mogelijkheid zelf de regie te nemen over hun leerproces. Er zijn leeruitkomsten geformuleerd die aangeven welke resultaten behaald moeten worden, maar de student bepaalt zelf de weg, het tempo en de volgorde om daar te komen.

Belangrijkste opbrengst

Binnen dit praktijkvoorbeeld worden de werkbare en niet-werkbare elementen van het ontwikkel-en implementatieproces in kaart gebracht, zowel vanuit het perspectief van de lerarenopleiding als vanuit het perspectief van de scholen.

Activering deelnemers tijdens presentatie

Aan de hand van een aantal studentprofielen zullen de deelnemers aan de slag gaan met (begeleidings)vraagstukken die de vormgeving van de leerroutes binnen de flexibele deeltijdopleiding betreffen.

Discussiepunt

Een belangrijk discussiepunt zal gaan over de manier van opleiden die passend is bij een flexibel curriculum. Wat vraagt dit bijvoorbeeld van de begeleiding en gehanteerde didactiek van instituutsopleiders en schoolopleiders?

Leraren van de toekomst: flexibele professionals
Begeleiding, Flexibilisering

“Blik op oneindig”: Over het opleiden van leraren met een brede kijk op docentschap

Uitnodigende praktijkvoorbeelden30Bregje de Vries, Vrije Universiteit Amsterdam, AMSTERDAM

Cinema 1di 11:00 - 12:30

Abstract

Trainees in Onderwijs biedt een eerstegraads lerarenopleiding voor jonge, talentvolle mensen die de potentie en ambitie hebben zichzelf en het onderwijs te blijven ontwikkelen. Tijdens hun traineeship gaan ze naast het reguliere opleidingsdeel op zoek naar innovatieve manieren om binnen- en buitenschools leren in het onderwijssysteem en hun docentschap te integreren. Zo leiden we een nieuwe generatie onderwijsprofessionals op die werelden kunnen verbinden en maatschappelijke impact realiseren. In deze presentatie gaan we in op doelen en inhoud van het totale programma. We illustreren de beginselen van het traineeship met het verbredingsonderdeel Ontwerpen en Onderzoeken dat de trainees krijgen aangeboden. We laten zien hoe ontwerpprincipes als diversiteit, persoonlijk leiderschap, ondernemerschap en dialoog zijn samengebracht in een deelprogramma waarin de trainees worden opgeleid tot kritische en creatieve onderwijsontwerpers en docenten met de “blik op oneindig”. Samen met het publiek verkennen we de vraag welke aspecten van het traineeship interessant of zelfs onontbeerlijk lijken voor álle docenten van de toekomst.

Korte beschrijving

Trainees in Onderwijs vertrekt vanuit de gedachte dat het toekomstige onderwijsveld baat heeft bij docenten met een brede kijk op docentschap en onderwijs. De drie betrokken lerarenopleidingen verkennen in het traineeship welke elementen van dit nieuwe docentschap vruchtbaar lijken voor álle toekomstige (academische) docenten.

Tekst

Onderwerp

In deze bijdrage presenteren we een landelijk traineeship waarin een selecte groep jonge, talentvolle mensen, met de potentie en ambitie zichzelf en het onderwijs te blijven ontwikkelen, wordt opgeleid tot eerstegraads docenten met een brede kijk op voortgezet onderwijs. Het tweejarige traineeship biedt de trainees naast het reguliere opleidingsprogramma aan één van de betrokken universiteiten (ICLON Leiden, Radboud Academie Nijmegen, ULO-VU) een verbredingsprogramma rond Persoonlijke ontwikkeling en leiderschap, Ontwerp en Onderzoek, en Ondernemerschap waarin ze kennismaken met (nieuwe) aspecten van docentschap en (nieuwe) uithoeken van het onderwijsveld. De bijdrage schetst de ontwerpprincipes en contouren van het traineeship en illustreert dit met ervaringen en opbrengsten uit het onderdeel Ontwerp en Onderzoek.

Context

Stichting Trainees in Onderwijs bestaat sinds 2018 en is een initiatief van VO-raad, VSNU en OCW. Het bouwt voort op Eerst de Klas (EDK) en het Onderwijstraineeship (OTS) die in de periode 2009 tot 2018 zo’n 326 docenten opleidden. Trainees in Onderwijs wordt centraal gecoördineerd (www.traineesinonderwijs.nl) met bijdragen van drie universitaire lerarenopleidingen en een wisselend team van maatschappelijk betrokkenen, bedrijven en externe experts. Het verbredingsprogramma vindt plaats op vrijdagen op wisselende locaties. Zo ontmoeten de trainees een diversiteit aan mensen en organisaties en worden opgeleid in een interdisciplinaire context.

Doel

Trainees in Onderwijs wil het onderwijs verrijken door docentschap te verbreden en zo de kwaliteit en diversiteit van het Nederlandse onderwijs te verbeteren. Voor de lerarenopleidingen vormt het traineeship de aanleiding om het thema ‘opleiden voor de toekomst’ en ‘hybride docentschap’ te verkenne en beschouwen, en onderdelen van het reguliere aanbod van hun (na)scholing te herijken.

Centrale uitdaging

Onderwijs is voor veel academici op dit moment geen aantrekkelijk werkveld. Trainees in Onderwijs wil het docentschap positief onder de aandacht brengen van een nieuwe groep potentiële docenten door samen met scholen, bedrijven, universiteiten en maatschappelijke organisaties academici op te leiden tot creatieve grensverleggers in het voortgezet onderwijs. De vraag die het traineeship stelt is de ontwerpvraag: hoe leid je hybride docenten met “de blik op oneindig” op?

Belangrijkste opbrengst

In de bijdrage laten we met recente praktijkervaringen zien of en hoe opleiden tot hybride docentschap al tot stand komt. We illustreren aanpak en opbrengsten van het traineeship met voorbeelden van opleidingsmomenten, reacties en deliverables/ontwikkelopdrachten van trainees.

Activering deelnemers tijdens presentatie

Tijdens de presentatie vragen we deelnemers in steekwoorden te noteren welke beelden zij krijgen bij een hybride docent met “de blik op oneindig”. Aan het slot van de presentatie vergelijken we de kernelementen uit ons verhaal met de steekwoorden van de deelnemers.

Discussiepunt

We eindigen de bijdrage met de volgende discussievraag: Welke elementen uit het traineeship lijken wenselijk of zelfs onontbeerlijk voor álle (academische) docenten van de toekomst en wat betekent dat voor de wijze waarop we (eerstegraads) docenten tot op heden opleiden?

Leraren van de toekomst: flexibele professionals
hybride docentschap, onderwijs ontwerpen, traineeship

Professionalisering van leraren ter bevordering van zelfsturend leren van basisschoolleerlingen

Onderzoekspresentatie: individueel150Conny Senders-Wijnen, Basisschool Sint Bavo, RIJSBERGEN

Cinema 3di 11:00 - 12:30

Abstract

Zelfsturend leren is cruciaal voor het leren van leerlingen nu en in de toekomst. In het basisonderwijs komt zelfsturend leren echter nauwelijks op gang. Leerkrachten laten het doorgaans na om hun leerlingen strategieën voor zelfsturend leren aan te leren, omdat leerkrachten vaak niet weten hoe ze dat moeten doen. Vanuit dit knelpunt is een professionaliseringsaanpak (iSelf) voor leerkrachten ontwikkeld met als doel het zelfsturend leren van leerlingen te bevorderen. Centraal in deze aanpak staan het bieden van expliciete instructie en het creëren van een gunstige leeromgeving, beiden van belang bij het aanleren van zelfsturend leren. In dit onderzoek is de invloed van de iSelf aanpak onderzocht door een (experimentele) groep leerkrachten die met behulp van iSelf is getraind, te vergelijken met een groep leerkrachten die niet is getraind (controlegroep). Dit onderzoek is uitgevoerd met behulp van een gestructureerd observatie-instrument, met als focus (1) de mate waarin leerkrachten strategieën voor zelfsturend leren expliciet onderwijzen en (2) in hoeverre de leeromgeving gunstig is voor het bevorderen van zelfsturend leren. De iSelf aanpak blijkt, hoewel niet significant, een positieve tendens teweeg te brengen in de experimentele groep voor zowel het bieden van expliciete instructie als het creëren van een gunstige leeromgeving.

Korte beschrijving

Zelfsturend leren biedt tools voor levenslang leren. Lerarenopleiders kunnen van de ontwerpprincipes van iSelf gebruik maken in hun opleidingspraktijk. Op die wijze kan iSelf (toekomstige) leraren ondersteunen bij het onderzoeken, ontwikkelen en ontwerpen van hun instructievaardigheden met betrekking tot zelfsturend leren in hun onderwijspraktijk.

Tekst

Praktijk van waaruit geschreven is:

De iSelf aanpak heeft als doel leraren te professionaliseren in het onderwijzen van zelfsturend leren aan basisschoolleerlingen. iSelf is ontwikkeld in een consortium van onderwijsonderzoekers (Saxion en Open Universiteit) en onderwijsprofessionals (leraren, intern begeleiders, leidinggevenden) als reactie op een vraag uit de onderwijspraktijk.

Inleiding:

Zelfsturend leren is van cruciaal belang voor het leren, leerprestaties en motivatie van leerlingen (Moos & Ringdal, 2012; Paris & Paris, 2001). Hoewel leraren zich bewust zijn van de meerwaarde van zelfsturend leren, blijkt onderwijzen van strategieën voor zelfsturend leren problematisch en weinig effectief (Dignath-Van Ewijk & Van der Werf, 2012; Vandevelde, Vandenbussche, & Van Keer, 2012).

Theoretisch kader

Leraren geven dagelijks instructie en zijn daarom een directe, cruciale factor bij de ontwikkeling van zelfsturend leren van leerlingen (Pintrich, 2004; Winne, 1995; Zimmerman, 2002). Het ontbreekt leraren vaak aan de juiste kennis en vaardigheden om zelfsturend leren bij hun leerlingen te ontwikkelen (Dignath-van Ewijk & Van der Werf, 2012). De iSelf aanpak van Sins, van Dijk en Vrieling (2016) is ontwikkeld op basis van wetenschappelijk onderzoek over effectieve bevordering van zelfsturend leren. iSelf biedt leraren kennis en een aanpak om zelfsturend leren in de klaspraktijk te stimuleren. De aanpak is gebaseerd op ondersteuning van zelfsturend leren door expliciete instructie over leerstrategieën (Dignath, & Büttner, 2018), een integratieve benadering en geïndividualiseerd strategieonderwijs (Boekaerts & Cascallar, 2006; Hattie, 2009). Dit vormen de pijlers van iSelf: expliciete instructie van zelfsturend leren strategieën, die geïntegreerd wordt in bestaande lesstof en wordt afgestemd op kennis en vaardigheden van individuele leerlingen (Sins et al., 2016).

Onderzoeksvraag

Welke veranderingen zijn zichtbaar in het instructiegedrag van basisschoolleerkrachten en de leeromgeving na implementatie van de iSelf aanpak ter bevordering van zelfsturend leren van basisschoolleerlingen?

Methode

Dit onderzoek, uitgevoerd in 16 vernieuwingsscholen, betreft voor- en nametingen. 50 Leraren, verdeeld in experimentele en controleconditie, zijn geobserveerd. De iSelf aanpak is, na voormeting, aangeboden aan leraren in de experimentele conditie. Met behulp van ANCOVA is geanalyseerd waarop condities significant verschilden bij de nameting. Scores op de voormeting zijn als covariaat meegenomen, ter correctie voor verschillen tussen leraren in de verschillende onderzoek condities.

Resultaten

De iSelf aanpak heeft, geen significante, maar positieve invloed gehad op de expliciete instructievaardigheden van leraren in de experimentele groep. Met betrekking tot de leeromgeving is aandacht voor transfer significant vaker zichtbaar geweest dan in de controlegroep.

Daarnaast is gebleken dat gestructureerd observatieonderzoek het eigen handelen en de leeromgeving met betrekking tot zelfsturend leren goed in beeld kan brengen (Veenman, 2007). Hiermee kunnen leraren hun eigen onderwijspraktijk onderzoeken en direct aanknopingspunten krijgen om hun (instructie)vaardigheden, onderwijs of leeromgeving te verbeteren (Dignath, Büttner, & Veenman, 2008; Senders, Sins, & Vrieling, 2018)

Om resultaten van de iSelf aanpak te verhogen is een langere implementatiefase nodig, evenals verbeterde training en begeleiding van iSelf-coaches (Senders et al., 2018).

Hoe worden deelnemers actief betrokken bij de presentatie?

Korte oefensessie met het observatiesysteem ter verheldering van expliciete strategie-instructie voor zelfsturend leren.

Discussiepunt

Is het thema zelfsturend leren in te passen in het onderwijsaanbod van lerarenopleiders ?

Leraren van de toekomst: flexibele professionals
Observatieonderzoek, Professionalisering, Zelfsturend leren

Beginnende leerkrachten als rolmodellen voor lezen: de nood aan continue professionalisering

Onderzoekspresentatie: individueel17Iris Vansteelandt, Artesis Plantijn Hogeschool Antwerpen, ANTWERPEN

Cinema 3di 11:00 - 12:30

Abstract

De attitude en motivatie van leerkrachten in het algemeen en meer specifiek de leesattitude en leesmotivatie kunnen een belangrijke invloed hebben op het schoolsucces van hun leerlingen. Onderzoek wees er echter op dat leerkrachten vaak wel leesvaardig zijn, maar zelf niet graag lezen en dus aliterate kunnen worden genoemd. Aangezien lezen een cruciale rol speelt in het onderwijs en de maatschappij, is het essentieel om aliteracy tegen te gaan en in te zetten op een positieve leesattitude en -motivatie bij leerkrachten. In deze sessie zoomen we in het kader van de nood aan continue professionalisering in op een professionaliseringstraject rond lezen bij beginnende leerkrachten en dan met name op het design en de impact ervan op de leesmotivatie, het leesgedrag en de bekwaamheidsperceptie van de beginnende leerkrachten. Korte beschrijving Onderzoek wijst op de nood aan continue professionalisering van (beginnende) leerkrachten op vlak van het graag, goed en betrokken lezen van hun leerlingen. Zo is er een sterke samenhang tussen deze componenten en blijken (beginnende) leerkrachten te vaak geen rolmodel te (kunnen) zijn. Tekst

Aanleiding van het onderzoek

De attitude en motivatie van leerkrachten in het algemeen en meer specifiek de leesattitude en leesmotivatie kunnen een belangrijke invloed hebben op het schoolsucces van hun leerlingen (e.g., Hattie, 2012). Zo zorgen leerkrachten die vaak en graag inzetten op lezen tijdens de lessen voor een hogere intrinsieke leesmotivatie van hun leerlingen (De Naeghel et al., 2014) en spelen persoonlijke leesgewoontes van leerkrachten een rol in hun manier van lesgeven en de rolmodelfunctie die ze vervullen (McKool & Gespass, 2009). Onderzoek wees er echter op dat leerkrachten vaak wel leesvaardig zijn, maar zelf niet graag lezen en dus aliterate kunnen worden genoemd (Applegate et al, 2014; Nathanson et al., 2009). Aangezien lezen een cruciale rol speelt in het onderwijs en de maatschappij, is het essentieel om aliteracy bij leerkrachten tegen te gaan. Via continue professionalisering inzetten op een positieve leesattitude en -motivatie bij leerkrachten en meer bepaald beginnende leerkrachten kan er mee voor zorgen dat leerkrachten meer en meer rolmodellen worden en blijven op vlak van graag, goed en betrokken lezen. De beginjaren van leerkrachten zijn immers bepalend voor hun verdere onderwijscarrière (Aspfors & Fransson, 2015).

Doelstelling en methodologie

Onderzoek aan Artesis Plantijn Hogeschool profileerde bij de start en aan het einde van de lerarenopleiding de leesattitude van leraren in opleiding en toonde zo het bestaan aan van drie types leesattitude (Vansteelandt et al., 2017). Het is nu de vraag hoe de overgang van student naar professional inspeelt op de leesattitude en -motivatie van deze leerkrachten en wat redenen zijn bij mogelijke wijzigingen. Verwacht wordt dat via een professionaliseringsaanbod voor beginnende leerkrachten, groepsgewijs of individueel, gericht kan worden ingezet op een positieve leesattitude en -motivatie. Voor het professionaliseringstraject werd gekozen voor een interventiestudie met een quasi-experimenteel design met twee iteraties. Beginnende leerkrachten lager onderwijs werden toegewezen aan twee mogelijke professionaliseringstrajecten of een controlegroep. In het kader van een convergent parallel mixed-methods design werden kwantitatieve gegevens (nl. een online bevraging) en kwalitatieve (nl. diepte-interviews en focusgroepgesprekken) verzameld en geanalyseerd.

Resultaten

Tijdens de sessie wordt er dieper ingegaan op de resultaten van het onderzoek. Er wordt vooral ingezoomd op het design en de impact van een eerste professionaliseringstraject voor beginnende leerkrachten lager onderwijs met als focus leesonderwijs.

Naar een continue professionalisering van (beginnende) leerkrachten op het vlak van leesonderwijs

Doorheen het onderzoek werd de nood duidelijk aan een gedegen beleid dat zicht richt op de continue professionalisering van (beginnende) leerkrachten. Hiermee doelen we op een continue professionalisering waar start mee gemaakt wordt vanaf het moment een leerkracht instroomt in de lerarenopleiding, waar extra zorg wordt besteed aan leerkrachten tijdens de eerste jaren als professional en waar tijdens de verdere onderwijscarrière structureel verder wordt op ingezet. Dit lijkt ons zeker van belang wanneer het gaat om essentiële bouwstenen in het leven van een leerling, nl. het graag, goed en betrokken lezen.

Kwaliteit voor en ín de klas
continue professionalisering, lezen

Leerkracht-coach, een nieuwe rol in de school

Uitnodigende praktijkvoorbeelden70Annette Schaafsma, Marnix Academie, UTRECHT

Cinema 3di 11:00 - 12:30

Abstract

Het partnerschap van de Marnix Academie; Partners in Opleiding en Ontwikkeling is, mede ingegeven door het lerarentekort, in augustus 2018 gestart met een nieuwe vorm van samen opleiden. Een traject waarin deeltijdstudenten halverwege de opleiding betaald voor de groep staan en samen met een leerkracht-coach de groepsverantwoordelijkheid dragen.

Hiermee is een nieuwe rol in de school ontstaan: de leerkracht-coach. De leerkrachtcoach is een leerkracht die groepsverantwoordelijkheid draagt voor de twee of drie klassen waarin een (onbevoegde) deeltijdstudent als leraarondersteuner staat. Deze persoon coacht de leraarondersteuners on the job.

De leerkracht-coach is een bevoegde leerkracht die toe is aan een andere rol binnen de school en de potentie heeft om studenten in opleiding goed te begeleiden én met hen samen te werken in de groep. Hij is in de groepen aanwezig en is beschikbaar om de studenten/ leraarondersteuners te begeleiden. De leerkracht-coach heeft dus een andere rol als de mentor (werkplekbegeleider) en de ICO (schoolopleider).

In deze tijd waarin andere organisatievormen in ons onderwijs zichtbaar worden en daarbij ook onbevoegde leraren als leraarondersteuner worden ingezet, kan de leerkracht-coach een belangrijke rol vervullen. De Marnix Academie is enthousiast over deze nieuwe rol. We wisselen graag van gedachten over de mogelijkheden en dilemma’s.

Korte beschrijving

De leerkracht-coach is een nieuwe rol in de school. Het is een uitdagende taak voor zittende leraren en het invoeren van deze nieuwe rol in de school biedt ook ruimte om onbevoegde studenten verantwoord in de zetten. In tijden van lerarentekort biedt dit kansen om te komen tot flexibelere professionals.

Tekst

Leerkracht-coach, een nieuwe rol in de school

Context

Het partnerschap van de Marnix Academie; Partners in Opleiding en Ontwikkeling is, mede ingegeven door het lerarentekort, in augustus 2018 gestart met een nieuwe vorm van samen opleiden. Een traject waarin deeltijdstudenten halverwege de opleiding betaald voor de groep staan en samen met een leerkracht-coach de groepsverantwoordelijkheid dragen.

Hiermee is een nieuwe rol in de school ontstaan: de leerkracht-coach. De leerkrachtcoach is een leerkracht in de school die groepsverantwoordelijkheid draagt voor de twee of drie klassen waarin een (onbevoegde) deeltijdstudent als leraarondersteuner staat. Deze persoon coacht de leraarondersteuners on the job.

De leerkracht-coach is een bevoegde leerkracht die toe is aan een andere rol binnen de school en de potentie heeft om studenten in opleiding goed te begeleiden én met hen samen te werken in de groep. Hij is in de groepen aanwezig en is volledig beschikbaar om de studenten/ leraarondersteuners te begeleiden. De leerkracht-coach heeft dus een andere rol als de mentor (werkplekbegeleider) en de ICO (schoolopleider). In deze tijd waarin andere organisatievormen in ons onderwijs zichtbaar worden en daarbij ook onbevoegde leraren als leraarondersteuner worden ingezet, kan de leerkracht-coach een belangrijke rol vervullen.

Doel De deelnemers verkennen de rol van leerkracht-coach aan de hand van de voorbeelden en ervaringen van de Marnix Academie en haar partnerscholen.

Centrale uitdaging en verloop van de practice

Het partnerschap van de Marnix Academie denkt dat de rol van leerkracht-coach van toegevoegde waarde is en heeft dit jaar ervaringen opgedaan op verschillende scholen. Na een presentatie van de aanpak en ervaringen gaan we met deelnemers in gesprek over de mogelijkheden die deze rol biedt.

Belangrijkste opbrengst De deelnemers hebben een beeld van de rol van de leerkracht-coach en kunnen de rol op waarde schatten.

Activering van de deelnemers Na een korte presentatie gaan we met elkaar in gesprek. Daarbij zijn de onderstaande discussiepunten het uitgangspunt.

Vragen en dilemma's Is de rol van leerkracht-coach een uitdaging voor zittende leraren? In deze tijden van lerarentekort is een leerkracht-coach in de school onmisbaar. De ICO (schoolopleider) kan ook de rol van leerkracht-coach vervullen. Hoe selecteer je een goede leerkrachtcoach? Deeltijdstudenten kunnen al halverwege hun opleiding voor de klas.

Bronnen: Ministerie van OCW, 24 augustus 2018. Kamerbrief over extra acties tegen het lerarentekort. 24 augustus. www.rijksoverheid.nl

Leraren van de toekomst: flexibele professionals
Begeleiden van onbevoegde leraren, Onderwijsprofessional coach

Computational Thinking in Onderwijsroute 1014: wat vraagt dit van de lerarenopleiding?

Workshop16Erik Bolhuis, Windesheim, ZWOLLE

Dansstudiodi 11:00 - 12:30

Abstract

Kan Computational Thinking een bijdrage leveren om docenten en leerlingen voor te bereiden op een onzekere (beroeps)toekomst? Op de school Onderwijsroute 1014 is een onderzoek gedaan naar de implementatie van Computational Thinking op de school. Hiervoor is een literatuurstudie uitgevoerd, zijn documenten geanalyseerd, zijn docenten, management en leerlingen geïnterviewd en zijn observaties uitgevoerd. Hierdoor is inzicht gekregen in hoe in vergelijking met de literatuur, de school spreekt over Computational Thinking (documenten), hoe het wordt uitgevoerd (interviews en observaties) en wat wordt bereikt (interviews en toetsanalyse). Uit de visie die de school heeft op leren is een mix gerealiseerd tussen geïntegreerd en apart aanbieden van Computational Thinking in het curriculum. Belangrijk is de aandacht die het management heeft voor het belang van CT in het curriculum. Wat dit betekent voor de lerarenopleidingen en of dezelfde factoren ook daarin een rol spelen, komen in de workshop aan de orde. Korte beschrijving

Een onderzoek naar de implementatie van Computational Thinking (CT) op de school Onderwijsroute 10-14 in Zwolle en de gevolgen voor de lerarenopleidingen Tekst

In een snel veranderde wereld, komen leerlingen van nu in beroepen terecht, die nu nog maar ten dele bestaan, waarbij digitale technologie in allerlei gedaanten een belangrijk aandeel vormen (Nedelkoska & Quintini, 2018). Om leerlingen op deze toekomst voor te bereiden is het van belang dat leerkrachten stimuleren dat leerlingen een positieve houding ontwikkelen ten opzichte van technologie en kennis en vaardigheden ontwikkelen rondom digitale geletterdheid. Deze kennis en vaardigheden zijn niet alleen gericht op het leren beheersen van nieuwe technologieën, maar ook gericht op het ontwikkelen van denkvaardigheden, met name ‘computational thinking skills’ (zoals probleemoplossen, logisch redeneren, etc.) (Voogt, Brand-Gruwel, & Van Strien, 2016).

Echter, scholen en lerarenopleidingen worstelen met de invulling van digitale geletterdheid en computational thinking in het bijzonder. Vragen rijzen als, wat moet er geleerd worden (Voogt, Fisser, Good, Mishra, & Yadav, 2015), op welke wijze en hoe kunnen ‘computational thinking skills’ geïmplementeerd worden in het curriculum, en wat levert dit aan resultaten op, en, wat betekent dat voor mijn rol, kennis en vaardigheden als leerkracht, als student en als opleider?

In het eerste deel van de workshop bespreken we ons onderzoek dat samen met de school Onderwijsroute 101-14 (Zwolle) is uitgevoerd (met behulp van subsidie van TechYourFuture). In dit onderzoek is gekeken hoe deze kennis en vaardigheden een structurele plaats kunnen krijgen in het curriculum van de school, waarbij gebruik gemaakt is van de leerlijn CT van het SLO (2018). Er is een literatuurstudie gedaan naar Compututational Thinking: wat is het en welke plaats kan het in het curriculum krijgen (Thijs en Van der Akker, 2009). Vervolgens is op de school gekeken wat docenten zeggen over CT in hun onderwijs, gekeken over wat leerkrachten en leerlingen doen in de klas en wat leerlingen hebben geleerd. Tevens is gekeken wat het lesgeven in CT vraagt aan docentvaardigheden. Door deze vierluik te presenteren (theorie, het beoogd-, het uitgewerkt- en het bereikt curriculum) wordt er inzicht verkregen in hoe CT is vormgegeven op de school, hoe zicht dit verhoudt tot inzichten uit de literatuur, en wat dit betekent voor de leerkracht. Er is een documentanalyse uitgevoerd, is bij docenten een vragenlijst afgenomen, zijn er bij management, docenten en leerlingen interviews afgenomen en is geobserveerd in de klas. De resultaten laten zien dat er een mix is tussen aandacht besteden aan CT als een apart vak en geïntegreerd in andere vakken. Een ander resultaat bestond uit de positieve ondersteuning vanuit het management omtrent CT in het curriculum.

Enkele studenten van de lerarenopleidingen zijn betrokken geweest bij het vormgeven van CT-onderwijs op Onderwijsroute 1014. Echter, niet alle studenten komen op hun stagescholen in aanraking met deze materie. Hoe kan dit onderwerp een structurele plaats krijgen op de lerarenopleidingen en wat dat betekent voor de lerarenopleider?

In het tweede deel bespreken we bovenstaande uitkomsten en formuleren we de gevolgen voor de lerarenopleidingen en lerarenopleiders. Interessant is na te gaan of factoren die van invloed zijn bij de implementatie van CT-onderwijs op school ook een rol spelen op de lerarenopleidingen.

Leraren van de toekomst: flexibele professionals
Computational Thinking, Curriculum, Opleiders

Onderzoek in de opleiding - en daarna. Instrumenten en interventies voor een onderzoekende houding

Workshop42Stef Severt, Linda Sontag, Nationaal Regieorgaan Onderwijsonderzoek, DEN HAAG, Anje Ros, Fontys Hogeschool, DEN BOSCH

De Verdiepingdi 11:00 - 12:30

Abstract

De leraar, van nu maar ook die van de toekomst, moet van vele markten thuis zijn. Een onderzoekende houding is onontbeerlijk; het maken van goede keuzes, in de klas maar ook daarbuiten, vraagt dat leraren systematisch te werk gaan en gebruikmaken van betrouwbare kennis. Onderzoek dat aan deze sessie ten grondslag ligt, maakt duidelijk dat het helpt als de leraar werkt in een omgeving waarin het gebruiken en delen van kennis wordt gestimuleerd. De schoolleider heeft een cruciale rol bij het creëren van zo’n onderzoekscultuur.

Met een ‘scan’ kunnen scholen zelf bepalen in welke fase op weg naar een onderzoekscultuur ze zich bevinden. Ook zijn interventies in kaart gebracht, die bijdragen aan een onderzoekscultuur.

Het NRO onderstreept het belang van onderzoek en het gebruiken van onderzoeksresultaten om de onderwijspraktijk en het onderwijsbeleid te verbeteren. Het NRO heeft een aantal instrumenten ontwikkeld, die leraren kunnen helpen bij het meer evidence informed vormgeven van hun onderwijs. Die instrumenten kunnen ook in de lerarenopleiding van pas komen.

Onderzoek is, naast reflectie, ook gewoon dóen. Maar dus wel op een weloverwogen, systematische manier. Hoe doe je dat? De workshop belicht enkele hulpmiddelen, en biedt gelegenheid hier ervaring mee op te doen.

Korte beschrijving

De presentatie past goed bij congresthema ‘Opleiden voor de toekomst’, omdat toekomstige leraren meer dan nu nog dienen te beschikken over een onderzoekende houding. De workshop laat zien hoe je deze kunt ontwikkelen en belicht concrete instrumenten hiervoor. Tevens is er gelegenheid om het werken met deze instrumenten te ervaren.

Tekst

Praktijk van waaruit ingediend

De workshop is interessant voor opleiders van leraren in met name het primair en voortgezet onderwijs. Het onderzoek dat aan de basis ligt van de workshop is uitgevoerd op zestien basisscholen. Daarnaast zijn volgens deze aanpak vier vo-scholen begeleid. Maar ook andere lerarenopleiders en betrokkenen bij het onderwijs zijn uiteraard van harte welkom.

Onderwerp

De workshop heeft als onderwerp het (helpen) realiseren van een onderzoekende houding bij leraren en studenten. Wat verstaan we eigenlijk onder een onderzoekende houding? Hoe kunnen lerarenopleiders hier zo goed mogelijk op inspelen in de opleiding? En hoe kunnen leraren en studenten hun onderzoekende houding verder ontwikkelen en ‘bijhouden’?

Context

Het vak van leraar vraagt dat deze allround en veelzijdig is; een van de belangrijkste competenties daarbij is reflectie op de dagelijkse praktijk en op het vak als zodanig, en daar ook consequenties aan kunnen verbinden. Een onderzoekende houding is hiervoor essentieel. Om goed uit de voeten te kunnen is het nodig te beschikken over een arsenaal aan onderzoeksinstrumenten. Daarnaast blijkt een onderzoekscultuur op school, waarin leraren samenwerken en doorlopend het gesprek met elkaar aangaan, van doorslaggevend belang.

Doel

De workshop heeft als doel om het belang en de meerwaarde van een onderzoekende houding bij leraren te onderstrepen, en daarmee ook het belang om hieraan in de lerarenopleiding aandacht te besteden. Verder wordt ingegaan op de randvoorwaarden, die hiervoor binnen de school nodig zijn. Tevens behelst de workshop een kennismaking met instrumenten die een onderzoekende houding, het zelf doen van onderzoek en een reflectieve dialoog bevorderen.

Activering deelnemers en organisatie workshop

De workshop is als volgt opgezet:

- intro: kennismaking met ‘scan onderzoekscultuur’: hoe schatten deelnemers de onderzoekende houding van zichzelf/studenten/leraren in?

- uiteenzetting van praktijkgericht onderzoek naar de onderzoekscultuur op scholen, incl. ervaring vanuit de onderwijspraktijk

- toelichting op instrumenten die zijn ontwikkeld tijdens dit onderzoek en instrumenten van het NRO

- deelnemers gaan (onder begeleiding) zelf aan de slag met deze instrumenten

- gesprek/discussie en conclusie

Discussiepunten

- het belang van een onderzoekende houding (en het ontwikkelen daarvan in de opleiding)

- helpen de instrumenten hierbij (voldoende)?

- wat hebben deelnemers evt. nog meer nodig om die onderzoekende houding (verder) te ontwikkelen?

Anders organiseren van onderwijs: wat en hoe
onderzoekende houding, onderzoekscultuur, onderzoeksinstrumenten

Growth mindset als grondhouding voor excellent onderwijs: vertaling van evidentie naar de praktijk

Ronde en hoekige tafelgesprekken154Wouter Smets, Karel de Grote hogeschool, ANTWERPEN

Emma de Jongzaal - tafel 1di 11:00 - 12:30

Abstract

Het principe van de growth mindset wordt vaak genoemd als grondhouding voor het bieden van excellent onderwijs in een context waar de heterogeniteit tussen leerlingen groot is. Er wordt daarom vaak voor gepleit om growth mindset aan te leren bij leerlingen en leraren in een stedelijke context. Het veld van growth mindset-onderzoek is op dit moment duidelijk nog in beweging. De doordachte toepassing van growth mindset als grondhouding voor excellent onderwijs, in het bijzonder in een context van stedelijk onderwijs, vraagt een vertaling van onderzoeksevidentie naar de praktijk. In deze bijdrage willen we discussiëren over de relevante van growth mindset voor de onderwijspraktijk. In het bijzonder willen we ter discussie stellen of de verschillende onderzoeken die bewijslast voor of tegen growth mindset aanvoeren elkaar tegenspreken of net aanvullen. Deelnemers worden uitgenodigd om de eigen assumpties over evidence-informed practice te bevragen in functie van de paradoxale bewijslast voor en tegen growth mindset.

Korte beschrijving

In dit rondetafelgesprek behandelen we growth mindset als grondhouding voor excellent onderwijs. We gaan in op de paradoxale bewijslast voor en tegen growth mindset-interventies. Vanuit deze paradox discussiëren we over de vertaling van onderzoeksevidentie met betrekking tot growth mindset naar de praktijk.

Tekst

De snel toenemende diversiteit in steden daagt onderwijsinstellingen uit om zich aan te passen aan de veranderende demografie. Onder de noemer urban education wordt een verzameling van praktijken aangeduid die proberen in te spelen op de noden van onderwijs in de stad (Cullen & Sinclair, 1996). Het principe van de growth mindset wordt vaak genoemd als grondhouding voor het bieden van excellent onderwijs in een context waar de heterogeniteit tussen leerlingen groot is (Dweck, 2015). Er wordt daarom vaak voor gepleit om growth mindset aan te leren bij leerlingen en leraren in een stedelijke context (D'hondt, Janssens, & Struyven, 2014; Smets, 2017).

Carol Dweck (2008) beschreef growth mindset als intrinsieke overtuiging dat intelligentie een kneedbaar gegeven is (‘malleable’). Deze growth mindset staat tegenover een fixed mindset, een overtuiging dat intelligentie onveranderlijk is. In diverse onderzoeken werd aangetoond dat leerlingen of studenten met een growth mindset hogere doelen stellen, en meer doorzettingsvermogen tonen wanneer ze moeilijkheden ondervinden (Blackwell, Trzesniewski, & Dweck, 2007). Het gevolg zou daarom zijn dat leerlingen met een growth mindset meer succesvol zijn op school. Bovendien werd aangetoond dat interventies waarbij een growth mindset werd aangeleerd meer schools succes behalen, in het bijzonder voor doelgroepen met een verhoogd risico op schooluitval (Rattan, Savani, Chugh, & Dweck, 2015).

Toch klinkt er ook belangrijke kritiek. Verschillende interventies in functie van growth mindset werden gerepliceerd zonder vergelijkbare resultaten. Meer nog, in meta-analyses werd de effectiviteit van interventies in twijfel getrokken (Sisk, Burgoyne, Sun, Butler, & Macnamara, 2018). Dat roept vragen op over de robuustheid van de growth mindset-theorie. Bovendien roept het ook vragen op over de relevantie van het concept voor de onderwijspraktijk. Wanneer goed begeleide wetenschappelijke interventies er niet in slagen om de effectiviteit van growth mindset interventies te repliceren, dan kan wellicht niet verwacht worden dat de toepassing van het concept in minder gecontroleerde omstandigheden wel een belangrijke bijdrage levert aan het verbeteren van de onderwijspraktijk.

Het veld van growth mindset-onderzoek is op dit moment duidelijk nog in beweging. De doordachte toepassing van growth mindset als grondhouding voor excellent onderwijs, in het bijzonder in een context van stedelijk onderwijs, vraagt een vertaling van onderzoeksevidentie naar de praktijk. In deze bijdrage willen we discussiëren over de relevante van growth mindset voor de onderwijspraktijk. In het bijzonder willen we ter discussie stellen of de verschillende onderzoeken die bewijslast voor of tegen growth mindset aanvoeren elkaar tegenspreken of net aanvullen. Deelnemers worden uitgenodigd om de eigen assumpties over evidence-informed practice te bevragen in functie van de paradoxale bewijslast voor en tegen growth mindset.

Maatschappij van morgen: diversiteit en urban education
evidence-informed practice, growth mindset

What you test is what you get. Evaluatie binnen Community Service Learning

Ronde en hoekige tafelgesprekken79Tine Van den Broeck, Odisee, BRUSSEL

Emma de Jongzaal - tafel 1di 11:00 - 12:30

Abstract

What you test is what you get. Als we studenten willen opleiden tot creatieve, kritisch denkende, zelfregulerende en sociaal-geëngageerde leraren, moeten we deze grondhoudingen volgens voorgaand principe ook evalueren. Een tijdsgeest die meetbaarheid en transparantie hoog in het vaandel draagt, bemoeilijkt echter deze evaluatie. Diepte-interviews met collega-docenten binnen onze hogeschool ontloken hun terughoudendheid om moeilijk meetbare doelen te evalueren. Langs de andere kant blijkt dat de meeste docenten toch een beeld vormen van de mate waarin een student bepaalde grondhoudingen bezit en, indien relevant, hiermee rekening houden in een eindbeoordeling.

In enkele jaren tijd hebben vele opleidingen community service learning (CSL) een plaats in hun curriculum gegeven. Reflectie maakt er een wezenlijk onderdeel van uit omdat het de brug legt tussen dienen en leren. Daarom, en omdat CSL heel wat niet-meetbare doelen nastreeft, kozen we voor ‘reflectie binnen CSL’ als actieterrein voor ons onderzoek.

Moeten we voorzichtig zijn en moeilijk meetbare grondhoudingen enkel formatief evalueren en niet laten meetellen in een summatieve eindbeoordeling? Of ontvluchten we daarmee onze verantwoordelijkheid?

Korte beschrijving We zien CSL als een methodiek om aan urban education te doen. Via CSL-ervaringen willen we de studenten laten reflecteren over hun eigen referentiekaders en dat van anderen alsook over maatschappelijk thema’s zoals diversiteit en kansarmoede.

Tekst

In enkele jaren tijd hebben vele lerarenopleidingen urban education een plaats in hun curriculum gegeven en dit vaak in de vorm van community service learning (CSL): studenten draaien mee in een organisatie met een werking voor nieuwkomers of mensen in kansarmoede; ze doen huiswerkbegeleiding of lezen voor aan huis bij anderstalige gezinnen, ze doen buurtwerking, etc. Studenten ondervinden dat scholen niet in een vacuüm functioneren, maar ingebed zijn in een (stedelijke) omgeving met al zijn kansen en uitdagingen. Ze maken kennis met initiatieven die opereren op de rand van onderwijs en welzijn en de wisselwerking tussen beide stimuleren. r

Reflectie maakt een wezenlijk onderdeel uit van CSL omdat het de brug legt tussen service en learning. Heel wat literatuur onderstreept het belang van feedback van een begeleider in een reflectieproces. Ons onderzoek stelt zich vragen over summatieve evaluatie en beoordeling van reflectie aangezien deze topic opvallend minder aanwezig is in de literatuur en beduidend minder eenduidig. Het lijkt wel een hot potato die vermeden wordt.

We bevroegen studenten uit de verschillende lerarenopleidingen over hun visie op reflectie en de evaluatie ervan. Tevens interviewden we onze eigen collega’s uit verschillende opleidingen. Een begeleider krijgt immers veel informatie over een student: zowel meetbare (bijvoorbeeld of de student academische leerstof kan vergelijken met de praktijk ter plaatse) als minder of niet meetbare (of de student bewust is van de eigen vooroordelen). Kan een begeleider deze informatie ook gebruiken om de reflecties te evalueren?

Docenten kunnen terughoudend zijn vanwege volgende redenen:

De evaluatie kan de begeleiding belemmeren doordat de student schrijft/zegt wat die denkt dat zijn begeleider-evaluator wil horen. De beoordeling (van de mate waarin een moeilijk meetbaar doel bereikt wordt,) leidt tot nattevingerwerk en/of machtsmisbruik. De begeleider is of voelt zich onbekwaam om ook te evalueren. Langs de andere kant: bereiken we wel wat we beogen als we enkel meetbare doelen in rekening brengen? Is onze evaluatie dan wel valide? What you test is what you get. Als we studenten willen opleiden tot creatieve, kritisch denkende, zelfregulerende en sociaal-geëngageerde leraren, moeten we deze grondhoudingen toch ook evalueren?

Diepte-interviews met collega-docenten en studenten binnen onze hogeschool laten zien dat bovenstaande twijfel ook bij hen leeft. Docenten ontluiken hun terughoudendheid om deze moeilijk meetbare doelen te evalueren. Langs de andere kant blijkt dat velen van hen toch een beeld vormen van de mate waarin een student bepaalde grondhoudingen bezit en, indien relevant, hiermee rekening houden in een eindbeoordeling.

Maatschappij van morgen: diversiteit en urban education
Community Service Learning, Evaluatie, Reflectie

Toekomstbehendig opleiden, vertel je verhaal!

Ronde en hoekige tafelgesprekkenVelon Themagroep Samen opleiden in de school/Professionalisering van lerarenopleiders 8Mariëlle Theunissen, Hogeschool Rotterdam, ROTTERDAM

Emma de Jongzaal - tafel 1di 11:00 - 12:30

Abstract

De Werkgroep Toekomstbehendig Opleiden zoekt naar verhalen van lerarenopleiders die werken aan toekomstbehendig opleiden. Omdat de toekomst onbekend is, spreken we van toekomstbehendig onderwijs, omdat hieruit een grotere mate van continue adaptiviteit spreekt dan bij toekomstbestendig onderwijs het geval is#_ftn1. We verstaan onder toekomstbehendig opleiden de transitie naar het centraal stellen van het leerproces van de student in relatie tot het beroep en de context van de school#_ftn2. Ons doel is het verzamelen van verhalen van de deelnemers over hun eigen toekomstbehendige opleidingspraktijk. We verzamelen tijdens het Veloncongres op twee manieren deze verhalen. We nodigen deelnemers uit hun verhaal voor de camera (opgesteld op een centrale plek) te vertellen volgens het concept ‘Achterwerk in de Klas’. Tijdens de ronde/hoekige tafel is tevens een camera aanwezig. We gaan met de deelnemers in gesprek rondom vragen als: “Wat doe jij met jouw studenten, met jouw team en met jouw instelling (lerarenopleiding en school) om leraren beter voor te bereiden op de toekomst?; Wat versta jij onder toekomstbehendig opleiden? Hoe geef jij vorm aan toekomstbehendig opleiden?; Waar loop jij tegenaan?; Wat gaat er erg goed?”

#_ftnref1 Korte beschrijving

Tijdens een congres over de leraren opleiden voor de toekomst, past een creatieve bijdrage (Achterwerk in de Kast) waarmee we op zoek gaan naar verhalen over toekomstbehendige manieren van opleiden. Gebaseerd op het principe ‘teach as you preach’ gaan we zelf ook de kast in en vertellen ons verhaal. Tekst - Praktijk van waaruit ingediend De VELON Themagroepen Samen opleiden in de School en Professionalisering van lerarenopleiders hebben samen met onderzoekers van enkele hogescholen de Werkgroep Toekomstbehendig Opleiden gevormd. We richten ons op primair, voorgezet en beroepsonderwijs, in Nederland en in Vlaanderen. - Onderwerp In deze groep zoeken we naar verhalen van lerarenopleiders die werken aan toekomstbehendig opleiden. We hebben de indruk dat veel leraren (in opleiding) en lerarenopleiders op zoek zijn naar voorbeelden van toekomstbehendig onderwijs en de rol die opleidingen hierin kunnen spelen. Omdat de toekomst onbekend is, spreken we van toekomstbehendig onderwijs, omdat hieruit een grotere mate van continue adaptiviteit spreekt dan bij toekomstbestendig onderwijs het geval is. We zijn benieuwd naar de beelden bij ‘toekomstbehendig’ opleiden en de concrete invulling ervan. Dat kan heel klein (een experiment), maar ook groter (invoering van een vernieuwend onderwijsconcept voor grote delen van de lerarenopleiding). - Context In lerarenopleidingen en op scholen wordt gezocht naar nieuwe vormen van opleiden die studenten beter voorbereiden om toekomstbehendig onderwijs te verzorgen. We verstaan onder toekomstbehendig opleiden de transitie naar het centraal stellen van het leerproces van de student in relatie tot het beroep en de context van de school. Dit wordt ook wel het denken vanuit leerloopbanen genoemd#_ftn1. Het gaat ons erom dat we leraren opleiden die in staat zijn om onderwijsleerprocessen te onderzoeken, zodat ze in staat zijn de leerbehoeften van kinderen te ondersteunen en de leerprocessen te stimuleren#_ftn2. Dat veronderstelt niet alleen een rol van de leraar die leren van kinderen centraal stelt, maar ook een rol als onderzoeker en ontwerper#_ftn3.

- Doel

We verzamelen verhalen van de deelnemers over hun eigen toekomstbehendige opleidingspraktijk.

- Praktische en/of beleidsmatige relevantie

We dragen bij aan strategische positionering van lerarenopleiders die werken aan toekomstbehendig onderwijs. De opbrengst levert aandachtspunten voor het ontwikkelen van toekomstbehendige opleidingspraktijken. We plaatsen de verhalen (met toestemming) op de site van de Velon en doen er geanonomiseerd onderzoek naar.

- Activering deelnemers

We willen zoveel mogelijk deelnemers uitnodigen hun verhaal voor de camera te vertellen volgens het concept ‘Achterwerk in de Klas’. De formule van Achterwerk in de kast is simpel: mensen in een kast achter een gordijntje. Enkele minuten tijd, geen montage. Bloopers zijn dus inbegrepen. We geven zelf aanstekelijke voorbeelden, zodat collega’s ideeën kunnen opdoen. Tijdens de ronde/hoekige tafel is de camera aanwezig, en de rest van de congresdag staat de camera op een centrale plek.

- Discussiepunt

Wat doe jij met jouw studenten, met jouw team en met jouw instelling (lerarenopleiding en school) om leraren beter voor te bereiden op de toekomst?

#_ftnref1 Theunissen, M. (2017). Samen opleiden. Openbare les. Hogeschool Rotterdam.

#_ftnref2 Volman, M., & Stikkelman, R. (2016). Startnotitie: de leerling centraal. Literatuurstudie naar effecten van en pedagogische en didactische argumenten voor leerling- en studentgericht onderwijs. Amsterdam: Research Institute Child Development and Education.

#_ftnref3 Snoek, M., Wit, B. de, Dengerink, J., Wolk, W. van der, Eldik, S. van, & Wirtz, N. (2017). Een beroepsbeeld voor de leraar: over ontwikkelrichtingen en groei van leraren in het onderwijs.

Anders organiseren van onderwijs: wat en hoe
Toekomstbehendig opleiden

Perspectieven verenigen van pedagogisch leiders in domein Kind & Educatie

Ronde en hoekige tafelgesprekken134Wenckje Jongstra, Katholieke Pabo Zwolle, ZWOLLE

Emma de Jongzaal - tafel 2di 11:00 - 12:30

Abstract

Katholieke Pabo Zwolle biedt in samenwerking met Hogeschool Viaa sinds november 2018 de nieuwe masteropleiding Leiderschap en Innovatie Kind en Educatie (MLIKE) aan. In de MLIKE worden informeel en formeel leiders uit de sectoren Educatie, Kinderopvang, Sociaal werk, Jeugdzorg en lokale overheden grotendeels gezamenlijk opgeleid tot pedagogisch leiders die interprofessioneel onderzoeksmatig, open innoveren en zo waarde toevoegen aan het domein Kind en Educatie. De opleiding voorziet in de vraag naar het scheppen van een klimaat voor optimale ontwikkeling van alle kinderen. Dat vraagt van pedagogisch leiders met informeel èn formeel zeggenschap binnen één organisatie niet alleen dat ze elkaars perspectieven moeten verenigen, maar ook dat ze erkennen dat geen enkele sector op zichzelf tegemoet kan komen aan de behoeften van een opgroeiend kind anno 2018 en dus dat interprofessioneel werken cruciaal is.

Van de totale 60EC van het MLIKE curriculum wordt 18 EC in een gedifferentieerd programma voor beide type leiders aangeboden. Deze rondetafel zoomt in op 6EC daarvan en levert kennis op over de ondersteuning die masterstudenten nodig hebben in het curriculum ten behoeve van het kunnen verenigen van perspectieven gedurende het parallel aangeboden thema professionals ontwikkelen (formeel leiders) en teamexperimenten begeleiden (informeel leiders).

Korte beschrijving

De bijdrage belicht het curriculum van MLIKE, waarin informeel en formeel leiders gedeeltelijk gezamenlijk worden opgeleid en interprofessioneel innoveren in de sectoren Educatie, Sociaal werk, Jeugdzorg, Kinderopvang centraal staat. Er wordt hierbij samengewerkt met andere opleiders; een vergelijkbare opleiding bestaat nog niet.

Tekst

Praktijk van waaruit ingediend

In de masteropleiding Leiderschap en Innovatie Kind en Educatie (MLIKE) worden zowel informeel als formeel leiders uit de sectoren Educatie, Kinderopvang, Sociaal werk en Jeugdzorg opgeleid als pedagogisch leiders. Ze zijn gericht op interprofessionele samenwerking in open innovatieprocessen in het domein Kind en Educatie.

Onderwerp

Het perspectief van nieuw leiderschap (Ten Have et al., 2015) staat aan de basis van de MLIKE. Het gaat hierbij om het creëren van professionele ruimte door het verenigen van het perspectief van het management met dat van de professie. Indien een organisatie daarin slaagt, is er sprake van een vruchtbaar klimaat, waarin het uitbouwen van relevante netwerken, het ondernemen van zinvolle activiteiten en het benutten van capaciteiten aan de orde zijn.

Context

Het curriculum van de MLIKE bestaat uit 60 EC’s verspreid over vijf semesters. Het ontwerp- en innovatieproces van de context waarin de student werkzaam is, vormt de leidraad van de gehele opleiding (volgens het model ontwerponderzoek van McKenney & Reeves, 2018). De student start de opleiding met een kernopgave, een complex vraagstuk dat een transitie vraagt van zowel het team als de omgeving. De oplossing van dit vraagstuk mondt uit in het implementeren van duurzame innovaties in de vorm van professionele producten, die direct of indirect van waarde zijn voor de ontwikkeling van kinderen. Het programma is opgebouwd uit drie fasen. Het curriculum kent tien schakelunits die elk een eigen leerresultaat en leerdoelen kennen.

In iedere schakelunit wordt kennis uit verschillende vakgebieden aangeboden door een interprofessioneel team, gericht op de versterking van de beroepsrollen van civic entrepreneur, boundary crosser en research based designer, en met structurele aandacht voor de ontwikkeling van de (narratieve) professionele identiteit.

Doel

Deze rondetafel zoomt in op 6EC van het curriculum (schakelunit 6) en levert kennis op over de ondersteuning die masterstudenten nodig hebben in het curriculum ten behoeve van het kunnen verenigen van perspectieven gedurende het parallel aangeboden thema professionals ontwikkelen (formeel leiders) en teamexperimenten begeleiden (informeel leiders).

Praktische en/of beleidsmatige relevantie

Er liggen grote kansen voor het scheppen van een klimaat voor optimale ontwikkeling van alle kinderen. Dat vraagt van pedagogisch leiders met informeel èn formeel zeggenschap binnen één organisatie niet alleen dat ze elkaars perspectieven moeten verenigen (Ten Have et al., 2015), maar ook dat ze moeten erkennen dat geen enkele sector op zichzelf tegemoet kan komen aan de behoeften van een opgroeiend kind anno 2018 en dus dat interprofessioneel werken cruciaal is (Rijsdijk et al., 2015). Dit vraagt op zijn beurt weer van opleiders dat zij het juiste klimaat scheppen waarin pedagogisch leiders leren om elkaars perspectieven te verenigen (Jongstra & Looijenga, 2018).

Activering deelnemers

Na een korte presentatie over het curriculum van de MLIKE zullen deelnemers uitgenodigd worden om kennis en ervaring te delen betreffende onderstaand discussiepunt.

Discussiepunt

Op welke wijze kan in het mastercurriculum binnen het gedifferentieerd aanbod geborgd worden dat de leiders ondersteund worden in het leren verenigen van perspectieven? (focus is op parallel aangeboden schakelunits: professionals ontwikkelen voor formeel leiders en teamexperimenten begeleiden voor informeel leiders).

Anders organiseren van onderwijs: wat en hoe
interprofessioneel werken, leiderschap, mastercurriculum

Het ontwikkelen van creatief vermogen van leraren-in-opleiding voor complexe situaties

Ronde en hoekige tafelgesprekken151Evelien van Geffen, Titia Boerrigter, Hogeschool van Amsterdam, AMSTERDAM

Emma de Jongzaal - tafel 2di 11:00 - 12:30

Abstract

Docenten krijgen in de stad te maken met klassen waarin diverse complexe situaties kunnen voorkomen waar geen pasklare oplossingen/aanpakken beschikbaar zijn. Dat vraagt van docenten creativiteit om om te gaan met die complexe situaties

In dit onderzoek zijn zes lerarenopleiders en twaalf studenten van de tweedegraads lerarenopleiding van de Hogeschool van Amsterdam ondervraagd over wat zij verstaan onder creativiteit, welke mogelijkheden ze in het huidige onderwijs zien om het creatieve vermogen van leraren-in-opleiding te stimuleren, wat zij idealiter hieraan zouden willen doen en wat daar voor nodig is.

Uit de resultaten blijkt dat er geen eenduidige aanpak is om creativiteit te ontwikkelen binnen de tweedegraads lerarenopleidingen. Lerarenopleiders ervaren keuzevrijheid binnen modules, maar zien geen gerichte aanpak in het curriculum. Studenten geven aan weinig eigenheid kwijt te kunnen in de opleiding. In dit rondetafelgesprek wordt gesproken over hoe creatief vermogen gestimuleerd kan worden binnen de lerarenopleiding. Er worden voorbeelden geïnventariseerd, droombeelden uitgesproken en belemmeringen geïnventariseerd.

Korte beschrijving

Dit voorstel past goed bij het thema omdat de inhoud gaat over het voorbereiden van leraren op complexe situaties in de toekomst. In deze bijeenkomst gaan we ons creatief vermogen in gesprek met elkaar aanspreken om te kijken hoe we het creatief vermogen van leraren-in-opleiding kunnen versterken en ontwikkelen.

Tekst

Praktijk van waaruit ingediend

Dit onderzoek is uitgevoerd onder de tweedegraads lerarenopleidingen van de Hogeschool van Amsterdam.

Onderwerp

Centraal staat de noodzaak om creativiteit van studenten te ontwikkelen en te stimuleren in een curriculum waarin opleiders zich tegelijk moeten verantwoorden over curriculuminhouden, criteria en beoordelingen. Dit laatste leidt veelal tot gesloten curricula waarin studenten moet voldoen aan vooraf vastgelegde eisen en dus weinig ruimte hebben om hun creativiteit te ontwikkelen.

Die spanning was voor ons aanleiding om in gesprek te gaan met opleiders en studenten over de vraag in welke mate zij die spanning ervaren en hoe ze daar mee omgaan.

Uit de gesprekken blijkt een grote behoefte om die spanning ook bespreekbaar te maken tussen opleiders onderling en tussen opleiders en studenten.

In deze rondetafel willen we dat gesprek verbreden met opleiders uit andere instituten die die spanning ook herkennen om samen op zoek te gaan naar mogelijkheden.

Lucas, Claxton & Spencer (2013) onderscheiden bij het meten van creativiteit vijf talenten die nodig zijn voor het creatieve proces namelijk nieuwsgierigheid, volharding, fantasie, discipline en samenwerking.

Context

De context van dit onderzoek is de tweedegraads lerarenopleiding van de Hogeschool van Amsterdam. Doel

Het doel is het vinden van handvatten, een vorm van verkennen van nieuwe mogelijkheden om een betere balans te vinden tussen verantwoording en creativiteit.

Praktische en/of beleidsmatige relevantie

De rondetafel geeft opleiders inspiratie en handvatten om binnen opleidingsprogramma’s meer systematisch aandacht te besteden aan het stimuleren van creativiteit van studenten bij het omgaan met complexe vraagstukken.

Activering deelnemers

Als start: teken/schets 1 succeservaring met het aanspreken en stimuleren van creativiteit van studenten en teken/schets/beschrijf 1 concrete frustratie met het aanspreken en stimuleren van creativiteit bij studenten.

Vervolgens: Een (hele) korte presentatie met de belangrijkste resultaten van het onderzoek.

Daarna organiseren we een actieve brainstorm (zowel mentaal als fysiek) over mogelijkheden om creativiteit in het curriculum/de opleiding te versterken.

Discussiepunten

Tijdens de sessie staan we stil bij vragen zoals:

-> Wat ervaren wij als creatief vermogen van leraren-in-opleiding?

-> Wat doen wij als lerarenopleiders nu om het creatief vermogen te ontwikkelen?

-> Hoe gaan we om met de onderwijs paradox? (creativiteit als onderwijsdoel binnen regels en structuren waar we ons aan moeten houden als opleiding)

-> Stelling: Je kunt een prima docent zijn zonder creatief vermogen.

-> Stelling: De initiële lerarenopleiding moet zich vooral richten op het aanleren van basiskennis en vaardigheden. Het creatief vermogen ontwikkelen komt pas daarna.

Anders organiseren van onderwijs: wat en hoe
Creatief vermogen, Creativiteit

Onderwijsbende

INVITED PO-RaadSander Dankelman, PO-Raad

Emma de Jongzaal - tafel 2di 11:00 - 12:30

Meer informatie volgt

Lerarenopleidingen “Passend onderwijs proof”?!

Ronde en hoekige tafelgesprekkenVelon Themagroep Passend OnderwijsDolf van Veen (Hogeschool Windesheim) i.s.m. Gerrit Beunk (Driestar), Heleen Lieve (HR) en Alwin Truin (Windesheim)

Frontdi 11:00 - 12:30

Bijdrage van Velon Themagroep Passend Onderwijs

De vraag naar de wijze waarop lerarenopleidingen hun studenten goed kunnen voorbereiden op het geven van onderwijs in meer inclusieve leeromgevingen is met de invoering van passend onderwijs in Nederland zeer urgent geworden. De Velon-themagroep Passend onderwijs focust op dit vraagstuk en de implicaties voor (de professionalisering van) lerarenopleiders. We gebruiken de bijeenkomst om in contact te komen met collega’s binnen Velon en VELOV die actief zijn binnen de lerarenopleidingen op het brede terrein van passend onderwijs (in België: M-Decreet) en hen te interesseren deel te nemen aan activiteiten van de themagroep. Deze sessie zoomt in op de verbinding van passend onderwijs en opleidingsscholen.

 

De sessie bespreekt kort uitgevoerde en lopende activiteiten binnen de themagroep (o.a. uitwisseling curricula, werkbezoeken, onderzoek/kennisbasis) en vraagstukken in de praktijk van passend onderwijs. Daarna richt het gesprek met de deelnemers zich op wat er gebeurt binnen de betrokken lerarenopleidingen op ons thema qua curriculumontwikkeling, professionalisering van lerarenopleiders en, in het bijzonder, de samenwerking met het scholenveld, op mogelijke veelbelovende praktijken en eventuele knelpunten en verbeterpunten. Dit alles met het oogmerk vraagstukken te identificeren die met voorrang geagendeerd moeten worden in de werkagenda van de themagroep en die zich lenen voor verdieping en gezamenlijke werkontwikkeling.

 

Aandacht voor passend en inclusiever onderwijs is beperkt binnen lerarenopleidingen en opleidingsscholen (van Veen et al., 2017), ontbreekt in het advies Ons Onderwijs 2032, en verdient op het niveau van uitgangspunten en competenties een prominente plaats in de beroepsstandaard van lerarenopleiders, net als op ons congres ‘Opleiden voor de toekomst’.

 

De vraag naar de wijze waarop lerarenopleidingen in Nederland hun studenten goed kunnen voorbereiden op het geven van onderwijs in meer inclusieve leeromgevingen is met de invoering van passend onderwijs in 2014 zeer urgent geworden. Recent onderzoek laat zien dat de uitvoeringspraktijk binnen de lerarenopleidingen in Nederland (tweedegraads, eerstegraads universitair en vakmasters, pabo, alo) divers is en op verschillende terreinen (o.a. curriculum, samenwerking met scholenveld, professionalisering van lerarenopleiders) nadere ontwikkeling en ondersteuning behoeft (van Veen et al., 2017). Bijna vijf jaar na de invoering van passend onderwijs en gelet op de naderende evaluatie in 2020 is het verheugend te noemen dat er inmiddels diverse werkgroepen en initiatieven zijn ontstaan rond het thema passend onderwijs en de lerarenopleidingen. De VELON-themagroep beoogt deze initiatieven te bundelen, aan te sluiten bij de zich ontwikkelende praktijk (in de opleidingen en het scholenveld en opleidingsscholen) en veelbelovende voorbeelden in  binnen- en buitenland, en praktijkverbetering te ondersteunen. De indruk bestaat namelijk dat deze verbetering moeilijk tot stand komt en dat opleidingen in samenwerking met het scholenveld moeite hebben om een goed spoor te vinden en stappen vooruit te zetten.

 

Onderwerp

In onze bijdrage gaan we allereerst kort in op uitgevoerde en lopende activiteiten binnen de themagroep (o.a. uitwisseling curricula, werkbezoeken, onderzoek/kennisbasis) en vraagstukken in de praktijk van passend onderwijs. Daarna richt het gesprek met de deelnemers zich op wat er gebeurt binnen de betrokken lerarenopleidingen op ons thema qua curriculumontwikkeling, professionalisering van lerarenopleiders en, in het bijzonder, de samenwerking met het veld in opleidingsscholen, op mogelijke veelbelovende praktijken en eventuele knelpunten en verbeterpunten. Dit alles met het oogmerk vraagstukken te identificeren die met voorrang geagendeerd moeten worden in de werkagenda van de themagroep en die zich lenen voor verdieping en gezamenlijke werkontwikkeling. De verbinding van passend onderwijs met opleidingsscholen staat in onze sessie centraal.

De 90-minuten-sessie start met het doel van de sessie inclusief de achtergrond en maakt allereerst kort ruimte voor kennismaking met de deelnemers en het delen van enkele kernbevindingen uit het onderzoek en de leerervaringen binnen de themagroep passend onderwijs. De samenspraak met de deelnemers aan de sessie die geïnteresseerd zijn in het onderwerp en actief (willen) zijn op het gebied van curriculumontwikkeling, opleidingsscholen en de beroepsontwikkeling van lerarenopleiders, vormt het hoofdgerecht van de sessie. Deelnemers wordt gevraagd mee te denken over de inhoud/betekenis van passend onderwijs en meer inclusieve leeromgevingen voor het curriculum van de lerarenopleidingen, als ook over de aanpak van de benodigde curriculumontwikkeling in de opleidingen, inclusief de professionalisering van opleiders zelf. Inbreng van eigen ervaringen wordt vooral gestimuleerd op het sessiethema van de verbinding van passend onderwijs met opleidingsscholen. Tot besluit worden opdrachten/ontwikkelingsvragen en ondersteuningsbehoeften van deelnemers en opleidingen geïdentificeerd voor gezamenlijke aanpak in de VELON-themagroep Passend onderwijs. Inbreng van onze Belgische collega’s wordt zeer op prijs gesteld.

 

Doel

Het doel van de sessie is hierboven al kort aangegeven. We gebruiken de bijeenkomst om in contact te komen met collega’s binnen VELON en VELOV die actief zijn binnen de lerarenopleidingen op het brede terrein van passend onderwijs (in België: M-Decreet) en hen te interesseren deel te nemen aan activiteiten van de werkgroep. Deze sessie zoomt in op de verbinding van passend onderwijs en opleidingsscholen (veelbelovende praktijken, knelpunten, opdrachten) en beoogt vraagstukken te identificeren die met voorrang geagendeerd moeten worden themagroep voor verdere verdieping en gezamenlijke werkontwikkeling.

 

Praktische en/of beleidsmatige relevantie

In deze sessie kunnen de deelnemers eigen ervaringen, inzichten en vragen inbrengen en bespreken met lerarenopleiders en andere onderwijsprofessionals die geïnteresseerd zijn in het onderwerp en die actief (willen) zijn op het gebied van curriculumontwikkeling en de beroepsontwikkeling van lerarenopleiders. Aan de vooravond van de evaluatie van passend onderwijs in 2020 wil de themagroep veelbelovende praktijken identificeren en vaststellen welke vraagstukken in de lerarenopleidingen en de samenwerking met het scholenveld specifieke aandacht behoeven.

 

Activering deelnemers

De samenspraak met de deelnemers aan de vormt het hoofdgerecht van de sessie. Deelnemers wordt gevraagd hun ervaringen en vragen in te brengen terzake de (aanpak van de) benodigde curriculumontwikkeling, inclusief de professionalisering van opleiders zelf met een focus op de verbinding van passend onderwijs met opleidingsscholen (veelbelovende praktijken, knelpunten, opdrachten ).

Leraren van de toekomst: flexibele professionals, Maatschappij van morgen: diversiteit en urban education
curriculumontwikkeling, Inclusiever onderwijs, Opleidingsscholen

Internationalisering op de lerarenopleidingen

Uitnodigende praktijkvoorbeelden28Eline Wassens, Nuffic, DEN HAAG

Hofkens HIG Foyerdi 11:00 - 12:30

Abstract

De studenten van de lerarenopleidingen komen voor zeer diverse klassen te staan. De uitdaging van de opleidingen is om ze hier goed op voor te bereiden. Internationalisering kan daar sterk aan bijdragen. Een student die internationaal vaardig en intercultureel competent is, voelt zich thuis in een globaliserende wereld. Deze vaardigheden zijn van ongekend belang om op een constructieve manier om te gaan met diversiteit in de klas.

In deze workshop laten de leden van het Cilo-netwerk (Centrum Internationalisering Lerarenopleidingen) weten wat de mogelijkheden zijn om een internationale dimensie toe te voegen aan het curriculum van de opleidingen voor po en vo. Welke mogelijkheden zijn er voor internationalisation@home en hoe zorg je ervoor dat dit niet bovenop het reguliere programma komt, maar dat internationalisering geïntegreerd wordt in alle vakken?

Korte beschrijving

Een workshop met interactieve ideeën om direct toe te passen met je studenten. Daarnaast informatie over wat internationale vaardigheden zijn en hoe je studenten kunt voorbereiden voor het moment dat ze zelf met internationalisering en wereldburgerschap aan de slag gaan op een school.

Tekst

Het netwerk Cilo is een netwerk van coördinatoren internationalisering van lerarenopleidingen voor po en vo. De netwerkleden hebben ervaring met het aanbieden van internationalisering op een praktische manier. Denk daarbij niet alleen aan uitwisselingen, maar juist aan internationalisation@home. De leden hebben samenwerkingsverbanden over de hele wereld. Ze gaan letterlijk de grens over, maar ook zonder fysiek een grens over te gaan, kunnen studenten samenwerken met studenten van over de hele wereld in allerlei projecten. Voorbeelden hiervan zullen we delen in deze workshop.

Internationalisering is een thema waar elke ho-instelling in meerdere of mindere mate mee bezig is. We zien dat de lerarenopleidingen vaak minder aan internationalisering doen dan andere opleidingen. Dat is onterecht, want juist als je als leraar voor de klas staat, kom je in hoge mate met diversiteit in achtergronden en talenkennis in aanraking en moet je er ook nog op een constructieve manier mee om kunnen gaan.

De meeste opleidingen denken dat het een uitdaging is om tijd en draagvlak te creëren voor het vormgeven van internationalisering. In deze workshop laten we zien dat dat niet per se nodig is. Ook op een heel laagdrempelige manier, die weinig tijd kost, kan je een internationale dimensie aan je opleiding geven. Aan het eind van deze workshop hebben de deelnemers meer kennis over de mogelijkheden en voordelen van internationalisering in hun opleiding.

De lerarenopleiders zullen aan de hand van eigen praktijkvoorbeelden laten zien wat de mogelijkheden zijn om studenten op te leiden tot internationaal vaardige en intercultureel competente wereldburgers en docenten. Doel is om de deelnemers handvatten aan te reiken over hoe je op een laagdrempelige manier vorm kan geven aan internationalisation@home, zodat je je studenten goed voorbereidt op de globaliserende samenleving.

Maatschappij van morgen: diversiteit en urban education
Internationalisering

Een Vlaamse opleiding voor lerarenopleiders: achtergrond, uitgangspunten en curriculum

Uitnodigende praktijkvoorbeelden56Ruben Vanderlinde, Universiteit Gent, GENT; Lieve Mertens, Geert Kelchtermans, KU Leuven, LEUVEN

Hofkens HIG Foyerdi 11:00 - 12:30

Abstract

In deze presentatie wordt de Vlaamse Opleiding voor Lerarenopleiders toegelicht en gepresenteerd. Deze opleiding startte in het academiejaar 2017-2018 met de steun van de Vlaamse overheid. De opleiding komt tegemoet aan de vaststelling dan professionalisering van lerarenopleiders vaak ‘ad hoc’ en weinig systematisch wordt aangepakt. In de presentatie worden de achtergrond en de uitganspunten van de opleiding geschetst, maar wordt ook het curriculum toegelicht. De opleiding omvat een programma van 20 studiepunten georganiseerd in vijf opleidingsonderdelen die - samen - het beroep van lerarenopleider inzichtelijk maken. Elk opleidingsonderdeel focust op een andere dimensie van het opleiderschap. De opleidingsonderdelen zijn: 1) Professionaliteit van de lerarenopleider, 2) Curriculumontwikkeling, 3) Praktijkonderzoek, 4) Begeleiding van reflectief ervaringsleren, en 5) Samenwerking en organisatie. In de presentatie wordt teruggeblikt op het eerste opleidingsjaar, waarbij wordt ingezoomd op hoe zowel docenten als deelnemers dit eerste opleidingsjaar hebben ervaren. De opleidingwordt bovendien in een internationaal perspectief geplaatst.

Korte beschrijving

In deze presentatie wordt de Vlaamse Opleiding voor Lerarenopleiders gepresenteerd (gestart in 2017-2018). De achtergrond en de uitganspunten van de opleiding worden geschetst, alsook de inhoud van de vijf opleidingsonderdelen: 1) Professionaliteit van de lerarenopleider, 2) Curriculumontwikkeling, 3) Praktijkonderzoek, 4) Begeleiding van reflectief ervaringsleren, & 5) Samenwerking en organisatie.

Tekst

Onderwerp

In deze presentatie wordt de Vlaamse Opleiding voor Lerarenopleiders toegelicht en gepresenteerd. Deze opleiding startte in 2017-2018 met de steun van de Vlaamse overheid. In de presentatie worden de achtergrond en de uitganspunten van de opleiding geschetst, maar wordt ook het programma toegelicht. De opleiding wordt bovendien in een internationaal perspectief geplaatst.

Context

Professionalisering van lerarenopleiders is actueel thema in zowel beleidsdocumenten als in de onderzoeksliteratuur (Kelchtermans, Smith & Vanderlinde, 2017). Daarbij wordt vastgesteld dat de professionele ontwikkeling van lerarenopleiders vaak ‘ad hoc’ en weinig gestructureerd wordt aangepakt. De Vlaamse opleiding voor lerarenopleiders komt hieraan tegemoet. De opleiding bouwt verder op bestaande initiatieven, en de resultaten van een Vlaanderenbrede denktank. De uitganspunten en de inhoud van het curriculum zijn vorm gegeven op basis van recente wetenschappelijke inzichten naar de effectiviteit van professionaliseringstrajecten (bv. Merchie et al., 2016), en onderzoek gericht op de professionele ontwikkeling van lerarenopleiders (bv. Tack & Vanderlinde, 2014, Vanassche, 2014).

Doel

Belangrijkste doelen van de opleiding zijn 1) het verwerven van wetenschappelijk onderbouwde inzichten en theoretische begrippenkaders om de eigen beroepspraktijk kritisch aan af te toetsen, 2) het leren hanteren van praktijkonderzoek om de eigen beroepssituatie en -activiteiten te analyseren en onderbouwd te optimaliseren, en 3) het versterken van een professionele houding die gekenmerkt wordt door engagement en verantwoordelijkheid tegenover studenten en collega’s, een(zelf)kritische ingesteldheid en de bereidheid tot blijvend professioneel leren en kennis delen.

Centrale uitdaging

De opleiding vertrekt vanuit een aantal opleidingsdidactische principes. De belangrijkste zijn: 1) Vertrekkend vanuit de eigen praktijk als lerarenopleider, bestuderen lerarenopleiders relevante theoretische kaders en inzichten uit wetenschappelijk onderzoek, nemen ze de eigen beroepspraktijk onder de onderzoeksloep én verdiepen ze expertise door systematische uitwisseling met collega’s. Deelnemers ‘ritsen’ hierbij de rits dicht tussen theorie en praktijk (Kelchtermans, 2018), 2) Door de zeer diverse achtergrond van deelnemers wordt de onderlinge verrijking groter waarbij deelnemers samenwerken om te leren van elkaars opleidingspraktijk, 3) Tijdens de contactmomenten wordt er extra aandacht besteed aan het congruent opleiden en het second order teaching principe.

Belangrijkste opbrengst

Tijdens de presentatie komen verschillende opbrengsten aan bod. In eerste instantie wordt ingezoomd op de resultaten van het Vlaanderenbrede ontwikkelwerk rond deze opleiding en wordt het curriculum gepresenteerd. De opleiding omvat een programma van 20 studiepunten georganiseerd in 5 opleidingsonderdelen die het beroep van lerarenopleider inzichtelijk maken. Elk opleidingsonderdeel focust op een andere dimensie van het opleiderschap. De opleidingsonderdelen zijn: 1) Professionaliteit van de lerarenopleider, 2) Curriculumontwikkeling, 3) Praktijkonderzoek, 4) Begeleiding van reflectief ervaringsleren, en 5) Samenwerking en organisatie.

Daarnaast wordt in de presentatie teruggeblikt op het eerste opleidingsjaar. Hierbij wordt ingezoomd op hoe zowel docenten als deelnemers dit eerste opleidingsjaar hebben ervaren.

Activering deelnemers

Tijdens de presentatie zullen een aantal stellingen geformuleerd worden die betrekking hebben op professionalisering van lerarenopleiders. Deze stellingen zullen bij het begin van de presentatie aangebracht worden.

Discussiepunt

Na afloop van de presentatie zal met de deelnemers gediscussieerd worden over hoe de inhouden en wat lerarenopleiders geleerd hebben verder verankerd kunnen worden in de eigen opleiding en/of de instelling van de lerarenopleider.

Leraren van de toekomst: flexibele professionals
Lerarenopleiders, Opleiding, Professionalisering

Communities of learners in de opleiding: een broedplaats voor leraren van de toekomst

Uitnodigende praktijkvoorbeelden86Marielle van den Hul-Kuijten, Hanzehogeschool Groningen, GRONINGEN

Hofkens HIG Foyerdi 11:00 - 12:30

Abstract

In onze bijdrage tonen we ons praktijkvoorbeeld van de onderwijsvorm “community of learners” kortweg CoL. Deze vorm kan bijdragen aan het opleiden van leraren die wendbaar zijn in de zin van ondernemend, onderzoekend en creatief én weerbaar zijn door kritisch denken, (zelf)reflectie, zelfregulering. Mits we het natuurlijk goed uitvoeren. In onze educatieve deeltijd masteropleiding Talentontwikkeling en Diversiteit, vormen maximaal 12 masterstudenten (leraren uit verschillende domeinen van het PO, VO, MBO en HO) een vaste “Community of Learners” gedurende de twee jaar durende studie. Wij definiëren Community of Learners als een kleine groep lerenden die op onderzoekende wijze werkt aan eenzelfde onderwerp, waarbij samenwerkend en onderzoekend leren centraal staat. Hoewel wij en onze studenten nu aardig tevreden zijn over het concept en de uitvoering, is dat niet altijd zo geweest. We tonen ons ontwerp in het curriculum, onze onderliggende principes: Onderzoekend en samenwerkend leren; ruimte voor “curious minds”; sociaal-emotionele ondersteuning en werken aan sociaal kapitaal; en natuurlijk niet te vergeten het “Droste Effect” van deze vorm. We delen onze vergissingen uit verleden, onze successen van vandaag en dilemma’s voor de toekomst.

Korte beschrijving

In onze bijdrage tonen we een praktijkvoorbeeld van de onderwijsvorm “community of learners” kortweg CoL. Deze vorm kan bijdragen aan het opleiden van leraren die wendbaar zijn in de zin van ondernemend, onderzoekend en creatief én weerbaar zijn door kritisch denken, (zelf)reflectie, zelfregulering. Mits we het goed uitvoeren, natuurlijk... Tekst

De term 'community of learners' lijkt steeds populairder te worden. Ook in de lerarenopleidingen, zowel in de bacheloropleidingen als in de educatieve masteropleidingen. Het roept beelden op van studenten die samen in dialoog, betrokken en gemotiveerd en zelfsturend werken aan zinvolle taken. Om het potentieel van Community of Learners te kunnen realiseren, hebben wij gezocht naar de rationale en praktische waarde van de CoL en werken we continue aan praktische handvatten om een CoL te begeleiden. Dit praktijvoorbeeld geeft u een kijkje in onze keuken. In onze onderwijspraktijk van de http://www.hanze.nl/mastertalent definiëren we http://anjaschoots.nl/wp-content/uploads/2017/09/Beishuizen_De_vrolijke_wetenschap.pdf als een kleine groep lerenden die op onderzoekende wijze werkt aan eenzelfde onderwerp, waarbij samenwerkend en onderzoekend leren centraal staat (Beishuizen, 2004). De CoL wordt samengesteld met als doel een zo groot mogelijke diversiteit in werkplek, onderwijsachtergrond en ervaring te krijgen. Hierdoor ontstaan kansen om inzichten, praktijken en ervaringen uit verschillende onderwijsdomeinen met ekaar te vergelijken, te onderzoeken en eventueel toe te passen als innovatie voor de eigen onderwijspraktijk. De CoL's blijven gedurende de studie bij elkaar, zodat gewerkt kan worden aan een duurzame investering van onderlinge netwerken en relaties. Studenten starten en eindigen iedere collegedag met een CoL-sessie (eens in de twee weken) en staan online met elkaar in contact via Blackboard en zelf gekozen social media. Tijdens collegedagen heeft iedere CoL een aparte ruimte en een begeleider. Er zijn geen studiepunten, toetsen of aanwezigheidsverplichtingen verbonden aan CoL-sessies. Studenten komen vrijwillig en bepalen zelf de inhoud en activiteiten naar eigen inzicht en behoefte.

We vragen studenten in de CoL:

- zich in te zetten voor een zelfsturende, lerende groep met een cultuur van wederzijds leren?

- open waarderende houding voor de ander - luisteren zonder direct te oordelen

- delen van (contrasterende) inzichten, en (onaf) werk - actief verbindingen te leggen tussen hun beroepsopdracht, de theorie en praktijk?

- een onderzoekende houding aan te nemen (Rijst, 2013) ?

- het professioneel geven en ontvangen van feedback, ?

- te investeren in andermans werk en vragen, ook al lijkt het in eerste instantie niet direct relevant voor eigen ontwikkeling?

- te reflecteren op inhoud en proces (zelf en anderen)

Hiermee werken de leraren die deze master volgen, niet alleen aan het verwerven van de competenties en leeruitkomsten van de masteropleiding, maar door de manier waarop ze werken en studeren, ontwikkelen ze vaardigheden die van belang zijn voor de toekomst; in een CoL werken leraren aan wendbaarheid; door zich ondernemend, onderzoekend en creatief én weerbaar op te stellen en ze worden uitgedaagd door kritisch te denken, (zelf)reflectie en zelfregulering. Daarom past dit uitnodigend praktijkvoorbeeld op dit congres.

Met een interactieve online tool presenteren we aan de hand van foto’s ons praktijkvoorbeeld van de onderwijsvorm CoL. Onze inzichten, mislukkingen en succeservaringen willen we delen, inclusief een rationale, praktische tips en handvatten die het mogelijk maken de Col vorm te geven. Deze presentatie heeft als doel u binnen 30 minuten te informeren, inspireren, waarna we graag met u individueel in de wandelgangen verder praten.

Anders organiseren van onderwijs: wat en hoe
community of learners, samenwerkend leren, zelfregulatie

Ruim baan voor leraren: het perspectief van de Onderwijsraad op het leraarschap

Onderzoekspresentatie: individueel157 en Velon LedenraadMartine Braaksma, Onderwijsraad, DEN HAAG; Niek van den Berg, Velon Ledenraad

Jupilerzaal TONEELdi 11:00 - 12:30

De Onderwijsraad en de VELON-ledenraad organiseren een worldcafé naar aanleiding van het advies van de Onderwijsraad ‘Ruim baan voor leraren’. Rond enkele centrale thema’s willen we verder in gesprek naar aanleiding van het advies. Hoe zien de deelnemers uitwerkingen voor zich die daadwerkelijk bijdragen aan onderwijskwaliteit?

Abstract

De toenemende lerarentekorten vormen een bron van zorg voor iedereen die betrokken is bij het onderwijs. De Tweede Kamer heeft over dit onderwerp advies gevraagd aan de Onderwijsraad. In zijn advies ‘Ruim baan voor leraren’ geeft de raad aan hoe een herziening van de opleidings- en arbeidsstructuur in het onderwijs op termijn kan bijdragen aan zowel voldoende als goede leraren. De raad introduceert een nieuwe kijk op het beroep die leidt tot ingrijpende aanpassingen in de genoemde structuren. De kern van het beroep leraar is in alle vakken en onderwijssectoren gelijk. Leraren kwalificeren hun leerlingen voor een vervolgopleiding of een beroep, en spelen een belangrijke rol in socialisatie en persoonsvorming. Elke leraar ontwikkelt hiervoor onderwijs, geeft les en evalueert. Didactische en pedagogische vaardigheden vormen de basis van het beroep. Daarnaast hebben leraren inhoudelijke kennis nodig voor een specifieke onderwijscontext, bijvoorbeeld voor lesgeven in een bepaald vak. Vanuit dit perspectief adviseert de raad om ruimere onderwijsbevoegdheden in te voeren – geldig voor meerdere sectoren en meerdere (verwante) vakken – samen met specialisatiemogelijkheden. Daarnaast pleit de raad voor sterkere prikkels voor professionalisering en loopbaanontwikkeling op de werkplek. Leraren moeten hun kennis en vaardigheden kunnen verdiepen door goede begeleiding in de school.

Korte beschrijving

De bijdrage past zeer goed in het congresthema ‘opleiden voor de toekomst’ omdat de Onderwijsraad hierin zijn perspectief op het leraarschap van de toekomst presenteert, en de VELON-ledenraad lerarenopleiders en andere betrokkenen actief wil betrekken in het verdere denken en doen naar aanleiding van het advies.

Tekst

Er is veel aandacht voor het lerarenberoep, zowel bij beleidsmakers als in de media. Terecht, want leraren zijn cruciaal voor goed onderwijs. Het beroep staat echter onder druk, onder andere door toenemende lerarentekorten. De Tweede Kamer heeft de Onderwijsraad de volgende adviesvraag gesteld: Hoe kunnen opleidings- en arbeidsstructuur zo worden vormgegeven dat ze op termijn bijdragen aan zowel voldoende als goede leraren?

In antwoord op deze vraag komt de Onderwijsraad met het advies ‘Ruim baan voor leraren. Een nieuw perspectief op het leraarschap’. De raad introduceert hierin een nieuwe kijk op het beroep die leidt tot ingrijpende aanpassingen in de opleidings- en arbeidsstructuur.

De kern van het beroep leraar is in alle vakken en onderwijssectoren (voorschoolse educatie, basisonderwijs, voortgezet onderwijs en middelbaar beroepsonderwijs) gelijk. Leraren kwalificeren hun leerlingen voor een vervolgopleiding of een beroep, en spelen een belangrijke rol in socialisatie en persoonsvorming. Elke leraar ontwikkelt hiervoor onderwijs, geeft les en evalueert. Didactische en pedagogische vaardigheden vormen de basis van het beroep. Daarnaast hebben leraren inhoudelijke kennis nodig voor een specifieke onderwijscontext, bijvoorbeeld voor lesgeven in een bepaald vak. Vanuit dit perspectief adviseert de raad om ruimere onderwijsbevoegdheden in te voeren – geldig voor meerdere sectoren en meerdere (verwante) vakken – samen met specialisatiemogelijkheden. In combinatie met de ruimere bevoegdheden pleit de raad voor sterkere prikkels voor professionalisering en loopbaanontwikkeling op de werkplek. Startende leraren en leraren met een nieuw behaalde specialisatie moeten hun kennis en vaardigheden kunnen verdiepen door goede begeleiding in de school.

Concreet betekent dit een verandering van de huidige opleidings- en arbeidsstructuur. Nu leiden de opleidingsroutes naar afgebakende bevoegdheden voor een specifieke onderwijssector of een vak. Daarvoor in de plaats komt een generieke basis voor iedereen, in combinatie met een clustering van onderwijsbevoegdheden (bijvoorbeeld voor meerdere onderwijssectoren of voor meerdere verwante vakken) en één of meer specialisaties (bijvoorbeeld voor een bepaald vak). De raad benadrukt dat vakkennis ook in dit nieuwe perspectief cruciaal is. Voor de clusters van onderwijsbevoegdheden en de combinatie met specialisaties wil de raad geen blauwdruk geven, wel de contouren schetsen. Op de werkplek komt de nadruk veel meer dan nu het geval is, structureel te liggen op professionalisering van leraren. Scholen geven dan vanuit een visie op professionalisering hun personeels-, scholings- en taakbeleid vorm.

De raad is van mening dat dit nieuwe perspectief vier (samenhangende) positieve effecten heeft. Leraren krijgen in de eerste plaats meer mogelijkheden om in een andere sector of in een ander vak les te geven. Het vak van leraar wordt in de tweede plaats (mede daardoor) aantrekkelijker. De raad ziet verder binnen de nieuwe structuur meer perspectief voor verbetering van de onderwijskwaliteit en vernieuwing. Ten slotte krijgen beginnende leraren binnen de nieuwe structuur meer kansen om een succesvolle start van hun loopbaan te maken.

Deelnemers gaan in een worldcafé setting in 2 rondes in wisselende groepsamenstelling rond enkele centrale thema’s (loopbaanontwikkeling leraren, school/onderwijsontwikkeling, samen opleiden en verschillen tussen onderwijssectoren) in gesprek naar aanleiding van het advies. Hoe zien de deelnemers uitwerkingen voor zich die daadwerkelijk bijdragen aan onderwijskwaliteit?

Leraren van de toekomst: flexibele professionals
Leraren, Loopbaan, Professionalisering

Opleiden voor de toekomst: tijd voor pedagogiek in de lerarenopleiding

Onderzoekspresentatie: symposium131Jos Castelijns, Hogeschool de Kempel, HELMOND; Monique Leygraaf, iPabo, AMSTERDAM; Wouter Sanderse, Fontys Lerarenopleiding Tilburg, TILBURG; Gert Biesta, Stichting NIVOZ

Jupilerzaal ZAALdi 11:00 - 12:30

Abstract

Leraren opleiden is per definitie opleiden voor de toekomst. Dit roept de vraag op voor wat voor toekomst leraren worden opgeleid. En in het verlengde daarvan: Op welke toekomst willen leraren kinderen en jongeren voorbereiden? Wat is een ‘wenselijke’ toekomst? Nadenken over de toekomst vraagt ook om een acceptatie van onzekerheid, omdat we nooit zullen weten hoe de toekomst eruit gaat zien.

In het spanningsveld van wenselijkheid en onzekerheid vinden wij, in lijn met het werk van Gert Biesta, in de idee van pedagogiek als een betrokken handelingswetenschap aanknopingspunten. Pedagogiek is betrokken op het ondersteunen van het handelen van opvoeders en leraren die jongen mensen begeleiden bij hun proces van volwassenwording. Leerlingen voorbereiden op de toekomst, vergt van leraren dus dat ze leerlingen in staat stellen om volwassen te willen zijn of willen worden (Biesta, 2018).

Wat betekent dit concreet voor het leraarschap, en het opleiden ertoe? In dit symposium adresseren we deze vraag vanuit drie praktijkonderzoeken die aan verschillende hogescholen zijn uitgevoerd: verhalen over professionele dilemma’s (Castelijns, De Kempel), onzekerheid van lerarenopleiders (Leijgraaf, iPabo), en praktische wijsheid van leraren (Sanderse, Fontys). De lectoren zijn aangesloten bij de https://nivoz.nl/nl/leerstoel-pedagogische-dimensies rondom de leerstoel van Gert Biesta, een initiatief van Stichting NIVOZ.

Korte beschrijving

Dit symposium past binnen het thema van het congres vanwege de inhoud (opleiden voor de toekomst vraagt om tijd voor pedagogiek in de lerarenopleiding) en de samenwerking tussen lectoren, hoogleraar en pedagogische denktank (opleiden voor de toekomst vraagt om een verbinding tussen praktijk, onderzoek en reflectie).

Tekst

Doelstelling

Met dit symposium beogen we meer zicht te krijgen op wat het betekent om leraren op te leiden voor de toekomst, door ons te richten op de pedagogische aspecten ervan. Immers pedagogiek gaat over begeleiding naar ‘volwassenheid’, en volwassenheid is wat de toekomst van ons vraagt – zeker in het licht van ons economisch systeem, onze politieke cultuur en de ecologische crisis (Biesta, 2018). Dat doen we door te kijken wat praktijkonderzoek uit drie hogescholen duidelijk maken over de ontwikkeling van een pedagogische lerarenopleiding voor de toekomst, en hoe het samenspel met wetenschappelijke reflectie dat kan versterken.

Wetenschappelijke en praktische relevantie

De wetenschappelijke relevantie van dit symposium bestaat allereerst uit de inbreng van de theoretische pedagogiek, die ondervertegenwoordigd is in het denken over opleiden voor de toekomst. Daarnaast draagt de samenwerking tussen verschillende lectoraten (De Kempel, iPabo, Fontys), universiteit (UvH) en een pedagogische denktank (NIVOZ) bij aan de ontwikkeling van wetenschappelijk onderbouwde én praktisch relevante kennis.

De praktische relevantie van dit symposium bestaat in inspirerende voorbeelden van pedagogisch praktijkonderzoek voor lerarenopleiders, en in pedagogische handvatten die lerarenopleiders kunnen helpen om het opleiden van leraren toekomstgericht te maken.

Organisatie van het symposium

Het symposium begint met een inleiding waarin de overkoepelende thematiek zal worden toegelicht. Vervolgens zijn er drie opeenvolgende presentaties van praktijkonderzoek met telkens feedback van de discussiant. Daarna wordt er onder leiding van de voorzitter een discussie gevoerd met de presentatoren, discussiant en deelnemers. Het symposium wordt afgesloten met een pedagogisch perspectief voor opleiden voor de toekomst, op basis van de opbrengsten van dit symposium.

Hoe deelnemers actief betrokken worden bij het symposium

Presentatoren geven bij hun presentatie elk één vraag mee voor de deelnemers (een luistervraag vooraf of een reflectievraag achteraf). Deze vragen zijn leidraad voor discussie na afloop.

- Andere praktijk waar discussiant vandaan komt.

Brunel University London (actief betrokken bij de nascholing van leraren in primair, secundair, beroeps en hoger onderwijs)

NLA University College, Bergen, Norway & University of Agder, Kristiansand, Norway (vooral actief betrokken bij onderzoek)

Universiteit voor Humanistiek

? Vermelding van naam en e-mailadres van de voorzitter en de discussiant van het symposium (naam van de voorzitter en discussiant wordt voor de review niet naar de beoordelaars doorgestuurd).

Voorzitter: Maartje Janssens (m.janssens@nivoz.nl)

Discussiant: Gert Biesta (g.biesta@nivoz.nl)

Presentatie 1

Titel:

Betekenis van verhalen over opvoeden in de lerarenopleiding

Een praktijkvoorbeeld

Auteur:

Jos Castelijns, Hogeschool De Kempel, Helmond

Praktijk van waaruit geschreven

Tussen september 2016 en december 2017 is via de biografisch narratieve interviewmethode (BNIM) bij 48 lerarenopleiders in drie pabo’s onderzoek gedaan naar de professionele dilemma’s die zij in de beroepsuitoefening ervaren (Castelijns, Koolen, Van den Berg & Albers, 2017). Professionele dilemma’s geven inzicht in de persoonlijke opvattingen die richting geven aan het handelen van de professional. Analyse van de (kwalitatieve) data wees uit dat veel verhalen van opleiders spelen in de periode dat zij zelf als leraar werkzaam waren. Hun ervaringen bleken medebepalend voor hun professionele zelfverstaan als lerarenopleider (Kelchtermans, 2012).

Hogeschool de Kempel benut de verzamelde verhalen om studenten uit te dagen hun eigen persoonlijke verhalen over het opvoeden van leerlingen aan elkaar te vertellen. Via dialoog onderzoeken zij hun ervaringen en de waarden die daarin besloten liggen, en worden zij uitgedaagd hun eigen handelen te legitimeren. De aanname is dat deze aanpak de studenten richt op de pedagogische opdracht die zij als leraar hebben en hen helpt zichzelf als pedagoog beter te verstaan.

Inleiding In deze bijdrage worden de opzet en uitkomsten van het onderzoek naar professionele dilemma’s van lerarenopleiders gepresenteerd. Vervolgens wordt aan de hand van een praktijkvoorbeeld getoond hoe de verzamelde verhalen van leraren(opleiders) in de opleiding worden gebruikt om studenten te richten op hun pedagogische opdracht.

Theoretisch kader

Biesta (2018) omschrijft pedagogiek als een betrokken handelingswetenschap. Pedagogiek is betrokken op het vraagstuk van volwassen-wording en is gericht op het ondersteunen van het menselijk handelen dat in dienst daarvan staat. Een student is een subject met een eigen identiteit en een eigen wil. Dat is een gegeven en tegelijkertijd een opdracht. Een pedagogisch georiënteerde lerarenopleiding onderkent dat zij de opdracht heeft om studenten zodanig te ondersteunen en te prikkelen dat zij personen willen worden die (in de context van de beroepsuitoefening) op volwassen wijze keuzes maken en verantwoordelijkheid willen dragen voor hun eigen handelen. Biesta verwijst hiernaar met de term subjectificatie. Subjectificatie is aan de orde op het moment dat de vrijheid van de student begint. Als opleider breng je de student in relatie met zijn eigen vrijheid.

Onderzoeksvraag

Welke betekenis hebben verhalen over opvoeden voor het curriculum van de lerarenopleiding?

Methode

De BNIM is gebruikt als onderzoeksmethode. De verzamelde verhalen worden gebruikt als input voor een dialoog met/tussen studenten.

Resultaten

Aan de hand van een praktijkvoorbeeld (op video) wordt getoond hoe een opleider met een groep vierdejaarsstudenten praat over het thema ‘vertrouwen in leerlingen’. Hij gebruikt als aanleiding een persoonlijk verhaal van een collega-opleider.

Hoe deelnemers actief betrokken worden bij de presentatie

Na afloop van de presentatie is er gelegenheid tot het stellen van vragen en discussie.

Discussiepunt

Welke betekenis hebben verhalen over opvoeden voor het curriculum van de lerarenopleiding?

Referenties

Biesta, G. (2018). Tijd voor pedagogiek. Over de pedagogische paragraaf in onderwijs, opleiding en vorming. Oratie. Utrecht: UvH.

Castelijns, J., Koolen K., Van den Berg, B., & Albers, A. (2017). Hij heeft mij geleerd wie ik ben. Verhalen van lerarenopleiders over professionele dilemma’s. Utrecht: CEPM

Kelchtermans, G., (2012). De leraar als (on)eigentijdse professional. Reflecties over de ‘moderne professionaliteit’van leerkrachten. Notitie in opdracht van de Nederlandse Onderwijsraad. Leuven: centrum voor onderwijsbeleid, -vernieuwing en lerarenopleiding, KU, Leuven.

Individuele bijdrage 2 (symposium):

Titel: “Doen we wel het goede?” De pedagogische noodzakelijkheid van onzekerheid in de lerarenopleiding.

Auteur: Monique Leygraaf

Praktijk van waaruit geschreven

In deze onderzoekspresentatie staat een zelfstandige pabo centraal die haar curriculum ingrijpend veranderd heeft.

Inleiding

In haar streven een balans te vinden tussen de maatschappelijke roep om controle en accountability enerzijds en het idee dat onderwijs een proces is waarvan de uitkomsten nooit gegarandeerd kunnen worden anderzijds (Biesta, 2014; 2017), heeft de zelfstandige pabo die h centraal staat het risico genomen het curriculum zo te veranderen dat er meer mogelijkheden voor studenten zouden ontstaan om hun eigen route te vinden.

Theoretisch kader

Behalve dat in het algemeen gezegd kan worden dat vanwege de ongewisheid van de toekomst professionals-van-de-toekomst moeten kunnen omgaan met onzekerheden (Joosten, 2013; Heck & Ambrosetti, 2018), brengt de complexiteit van het lesgeven met zich mee dat lerarenopleidingen studenten moeten voorbereiden op onzekerheid (Helsing, 2007; Schuck & Buchanan, 2012). Deze onzekere aard van het lesgeven hangt er mee samen dat onderwijs geen interactie tussen robots is, maar een (onvoorspelbare) ontmoeting tussen mensen (Biesta, 2014). Bovendien ’moet’ onderwijs onzeker zijn vanwege de vrijheid van de mens om iets nieuws te beginnen (Arendt, 1998 in Biesta 2017): “Here, (…) teaching becomes concerned with opening up existential possibilities for students, that is, possibilities in and through which students can explore what it might mean to exist as subject in and with the world. Along these lines teaching begins to appear as the very opposite of control (…).” (Biesta, 2017, p. 3)

Onderzoeksvraag

Hoe ervaren studenten en opleiders de spanning tussen controle en onzekerheden binnen een vernieuwd curriculum dat meer ruimte aan studenten biedt?

Methode

Gedurende drie jaar zijn er data verzameld via gedeelde logboeken, individuele interviews, focus group interviews en participerende observaties. De data zijn kwalitatief geanalyseerd met behulp van de sensitizing concepts ‘controle’, “(on)zekerheden’ en ‘risico’.

Resultaten

Een kritische dialoog tussen de geanalyseerde data en theoretische inzichten heeft een aantal dilemma’s aan het licht gebracht met betrekking tot onzekerheden en de lerarenopleiding. Zo kan onzekerheid ruimte voor studenten creëren, maar ook verlamming te weeg brengen. Een ander dilemma betreft de angst van opleiders om onzekerheid in te bouwen vanwege de roep om accountability. Om deze dilemma’s te verdragen, blijkt de notie van vertrouwen behulpzaam te zijn: zowel tussen opleiders en studenten als tussen overheden en lerarenopleidingen.

Hoe deelnemers actief betrokken worden bij de presentatie

Aangezien de gedefinieerde dilemma’s niet zozeer om een oplossing vragen maar veelvuldige bespreking tussen opleiders verdienen (oordeelsvorming opleiders), worden de deelnemers uitgenodigd zich te verhouden tot de gepresenteerde dilemma’s.

Discussiepunt (vraag die aan het einde van de sessie wordt voorgelegd aan een andere praktijk).

Hoeveel onzekerheid durven wij toe te laten binnen de lerarenopleiding?

Referenties

Biesta, G. (2014). The beautiful Risk of Education. Boulder, CO: Paradigm Publishers.

Biesta, G. (2017). The Rediscovery of Teaching. New York and London: Routledge.

Heck, D., & Ambrosetti, A. (2018). Teacher Education in and for uncertain Times. Singapore: Springer.

Helsing, D. (2007). Regarding Uncertainty in Teachers and Teaching. Teaching and Teacher Education, 23, 1317-1333.

Joosten, H. (2013). Learning and Teaching in uncertain Times: a Nietzschean Approach in professional higher Education. Journal of Philosophy of Education, 47(4), 548-563.

Schuck, S., & Buchanan, J. (2012). Dead Certainty? The Case for Doubt in Teacher Education. Australian Journal of Teacher Education, 37(8). doi:http://dx.doi.org/10.14221/ajte.2012v37n8.7

Individuele bijdrage 3 (symposium):

Titel:

De wijsheid van lerarenopleiders. Hoe ziet dat er uit in de praktijk?

Auteur:

Wouter Sanderse, Fontys Lerarenopleiding Tilburg & Universiteit voor Humanistiek

Praktijk van waaruit geschreven

De kenniskring van het lectoraat Beroepsethiek van de leraar heeft in studiejaar 2017-2018 een collaboratief actieonderzoek uitgevoerd naar elkaars praktische wijsheid, en de manier waarop die wijsheid zichtbaar wordt in hun professionele handelen. Doel van dit onderzoek is in eerste instantie om bij te dragen aan de eigen professionalisering van de kenniskringleden.

Inleiding Nu leraren steeds meer als normatieve professionals worden gezien, komt de vraag op: waarop baseren leraren hun keuzes over wat goed is? Sinds eind jaren 1980 is ‘praktische wijsheid’ een centrale notie in dit debat. Het zou kunnen helpen om te begrijpen waar professionele kennis om draait. Praktische wijsheid is een soort morele knowhow. Oftewel: weten wat goed is om te doen in een specifieke situatie.

Theoretisch kader

‘Praktische wijsheid’ heeft de afgelopen jaren in de zorg, psychologie en het onderwijs in de belangstelling gestaan. In Nederland zijn de implicaties voor de lerarenopleiding uitgewerkt door Lunenberg en Korthagen (2009), Biesta (2011) en Pols (2009). ‘Praktische wijsheid’ kreeg een ook belangrijke plaats in het rapport Leraar zijn, waarin de Onderwijsraad (2013) stelde dat professionalisering meer zou moeten gaan over de houding en de wijsheid van individuele leraren. Ook in de beroepsstandaard voor lerarenopleiders komt praktische wijsheid terug: een lerarenopleider “beschikt over praktische wijsheid die gebaseerd is op onderwijservaring.” (VELON, 2016, p. 6).

Onderzoeksvraag

De centrale vraag van dit project is: “Hoe gebruiken lerarenopleiders praktische wijsheid in contact met hun studenten?”

Methode

De 5 praktijkonderzoekers hebben een collaboratief actieonderzoek uitgevoerd waarbij 3 instrumenten gebruikten:

Een gestructureerd interview om te achterhalen welke opvattingen lerarenopleiders hebben van (hun eigen) praktische wijsheid.

Een open interview aan de hand van een hypothetische casus om te achterhalen wat lerarenopleiders wijs vinden om te doen.

Video-opnames van eigen lessen en de nabespreking daarvan om te achterhalen hoe praktische wijsheid zichtbaar wordt tijdens zelf meegemaakte bumpy moments.

Resultaten

Alle interviews zijn opgenomen en getranscribeerd. Momenteel zijn we bezig om de interviews te coderen. De resultaten zullen tijdens de VELON-conferentie worden gepresenteerd.

Hoe deelnemers actief betrokken worden bij de presentatie

We starten met een prikkelende stelling, nl. dat onderwijs niet gaat over kennisverwerving, maar over wijs worden, en geven sprekende voorbeelden van situaties waarin lerarenopleiders wijsheid nodig hebben.

Discussiepunt

Gaat onderwijs om kennisoverdracht, of om het stimuleren van wijsheid? En wat vergt dat van leraren en lerarenopleiders?

Referenties

Biesta, G. (2011). Het beeld van de leraar: Over wijsheid en virtuositeit in onderwijs en onderwijzen. Tijdschrift voor lerarenopleiders, 32(3), 4-11.

Lunenberg, M. & Korthagen, F. (2009). Ervaring, theorie en praktische wijsheid in de professionele ontwikkeling van leraren. Tijdschrift voor lerarenopleiders, 30(2), 16-21.

Pols, W. (2009). Wijsheid van de praktijk: Over het stille weten in de onderwijspraktijk. Tijdschrift voor lerarenopleiders, 30(2), 28-35.

VELON (2016). Beroepsstandaard. VELON. Te raadplegen op http://www.lerarenopleider.nl/velon/wp-content/uploads/2013/09/BRLO_Boekje1_Beroepsstandaard.pdf

Leraren van de toekomst: flexibele professionals
Onzekerheid, Praktische wijsheid, Verhalen

Evalueren: enkel optellen of ook vertellen?

Interactie n.a.v. een poster, animatie of object32Lotte Wilms, UC Leuven-Limburg, HASSELT

MK2zaal - hoek 1di 11:00 - 12:30

Abstract

Startpunt van dit onderzoek is de methode van ‘portretterend evalueren’ die al enkele jaren in de lerarenopleiding BaKO/BaLO van UCLL centraal staat. Na jaren van proberen, opvolgen en bijsturen gaan we dit academiejaar op zoek naar de vertaling naar het basisonderwijs. We gaan na op welke manier het leren en de lerenden op een brede manier in beeld gebracht kunnen worden via deze methodiek. Het holistisch en waarderend kijken, vanuit een growth mindset, zijn hierbij centrale uitgangspunten. Samen met leraren, kinderen en ouders zoeken we naar manieren om hen actief te betrekken bij de evaluatie zodat ‘samen school maken’ gerealiseerd kan worden. We zijn ervan overtuigd dat deze manier van kijken naar evaluatie ook de kwaliteit voor en in de klas kan verbeteren.

We werken, via een diepgaande casestudie, samen met een basisschool en krijgen op die manier ook zicht op procesbevorderende en belemmerende factoren in een transitieproces naar breed evalueren.

Op het einde van het onderzoek is het de bedoeling dat we komen tot een werkinstrument dat ondersteuning geeft aan teams om met dit thema aan de slag te gaan.

Korte beschrijving

Evaluatie bestaat in veel scholen nog steeds uit toetsen en testen wat uiteindelijk uitmondt in een puntenrapport. Kinderen die de norm niet halen worden nog te vaak (onbewust) afgeschreven. Een cultuur die ons doet nadenken over de wijze waarop we zelf onze opleiding organiseren en studenten voorbereiden als ‘evaluator’.

Tekst

Praktijk van waaruit ingediend:

UCLL lerarenopleiding BaKO/BaLO Limburg

Onderwerp:

Portretterend evalueren in de opleiding en in de basisschool.

Doel:

Gesprek en discussie naar aanleiding van lopend onderzoek naar portretterend evalueren.

Relevantie onderwijspraktijk:

Evalueren dient het leren te ondersteunen, niet af te remmen (Castelijns, Segers & Struyven, 2011). Een goede evaluatie stimuleert groei in plaats van een statische verwijzing te zijn naar het kunnen/weten op een vaststaand moment of afgebakende periode in het leerproces (Dweck, 2012). Evalueren zien we binnen dit project als een bewust en transparant samengesteld programma dat verschillende evaluatiemomenten tot één doordacht geheel combineert, waarbij de kracht zit in het geheel dat geschikt is om de ontwikkeling van elk kind breed in beeld te brengen (Van der Vleuten et al. 2012). We gebruiken hiervoor de techniek van het ‘portretteren’, een techniek die we zelf inzetten om studenten voldoende feedback te geven en om hun leerproces te ondersteunen. Doorheen het jaar verzamelen we pixels waardoor ons beeld telkens scherper wordt (zie afbeelding 1).

Studenten, lectoren en mentoren zijn samen verantwoordelijk voor deze beeldvorming. Coachings, reflectie, feedbackgesprekken en een driehoeksgesprek worden ingebouwd in het programma om uiteindelijk naar het eindbeeld toe te werken. Een visualisering van onze werkwijze zie je op afbeelding 2.

Binnen dit onderzoek zoeken we naar manieren waarop we ons eigen evaluatiedesign kunnen vertalen naar een eenvoudig en gebruiksvriendelijk programma voor het werkveld. De focus ligt daar op een heldere visie, een doordacht programma en concrete instrumenten om alle partijen te betrekken. We willen hierbij vooral de houding van de leraar veranderen, hen anders naar de vorm en inhoud van evaluatie laten kijken. Deze houding vraagt om open en waarderend kijken, aandacht vestigen op menselijke verhoudingen en interactie met een context, focussen op datgene wat er echt toe doet, zin en goesting stimuleren (Geerinck & Dierick, 2017).

Samen met deze focus ligt de zoektocht naar procesbevorderende en belemmerende factoren in een team tijdens een transitieproces naar breed evalueren centraal. Op die manier willen we zicht krijgen op de effecten van portretteren op zowel de organisatie, de leraren, ouders en kinderen.

Methode:

Het onderzoek combineert literatuuronderzoek en een diepgaande casestudy in een basisschool waar we samen met het team het idee van portretterend evalueren concretiseren, opvolgen en bijsturen.

Activering deelnemers en organisatie van de bijdrage:

Na een korte toelichting en voorstelling van de eerste instrumenten worden deelnemers uitgedaagd om na te denken over de eigen onderwijspraktijk en de concrete wijze waarop ze studenten meenemen in ‘breed evalueren’. Wat is voor mij evalueren (visie)? Op welke wijze wordt deze visie al dan niet geconcretiseerd in onze eigen opleiding (teach as you preach)? Hoe maken we studenten sterk om hier als leraar met aan de slag te gaan?

We willen met deelnemers verder zoeken naar hoe (portretterend) evalueren het leerproces kan ondersteunen van de studenten/kinderen.

Discussiepunt:

Betekenisgeving en realisatie van ‘breed evalueren’ in de eigen opleiding en de transfer naar het werkveld.

Anders organiseren van onderwijs: wat en hoe
Portretterend evalueren

Framework van de taalmindset: een onderzoeksgeïnformeerde vertaalslag naar de (vreemde)taalklas?

Interactie n.a.v. een poster, animatie of object46Karen de Jonghe, UC Leuven-Limburg, HEVERLEE

MK2zaal - hoek 1di 11:00 - 12:30

Abstract

De taalmindset wordt gepresenteerd als een conceptueel framework waarmee we de resultaten uit onderwijsonderzoek toegankelijk maken en operationaliseren voor de (vreemde)talenklas. Uit onderzoek blijkt immers dat inzichten naar wat effectief werkt in de klas (o.a. Hattie, Marzano) moeilijk hun weg vinden naar de klaspraktijk zelf. Het framework baseert zich vooral op de resultaten uit leerpsychologisch en neurowetenschappelijk onderzoek. Die leren ons dat dieperliggende overtuigingen een grote impact hebben op de leermotivatie van leerlingen en hun geloof in veranderbaarheid (Dweck, 2012).?

Met het framework van de taalmindset willen we dus onderzoeksgeïnformeerd lesgeven realiseren. Het framework verzamelt de onderzoeksresultaten rond effectief lesgeven en samen met leerkrachten secundair onderwijs denken we na hoe we deze inzichten kunnen vertalen naar lessen gespreksvaardigheid Frans en schrijfvaardigheid Nederlands. Enerzijds wordt het huidig lopende onderzoek toegelicht waarin we de leerkrachten navormen en begeleiden in het werken met het framework via een lesson study cyclus. Anderzijds gaan we in op de mogelijkheden tot vervolgonderzoek waarbij we het conceptuele framework van de taalmindset inzetten voor alle vaardigheden bij de verschillende moderne (vreemde)taalvakken.

Korte beschrijving Effectief leren vraagt om pedagogisch-didactische en/of vakinhoudelijke keuzes die leerkrachten onderzoeksgeïnformeerd maken. Om dit denkproces structureel te verankeren in een lerarenteam wordt de professionaliseringsmethodiek van lesson study aangeleerd. Op deze manier kunnen leerkrachten zich blijvend informeren en werken ze samen aan effectief en diepgaand (vreemde)taalonderwijs over de talen heen.?? Tekst

Praktijk van waaruit ingediend?

Dit project werd ingediend vanuit de lerarenopleiding Bachelor secundair onderwijs van UC Leuven-Limburg? in nauwe samenwerking met leerkrachtenteams uit enkele secundaire scholen.

Onderwerp?

Framework van de taalmindset: een onderzoeksgeïnformeerdevertaalslag naar de (vreemde)taalklas?

Context en relevantie onderwijspraktijk?

In een eerder onderzoek (Van Camp en De Jonghe, 2017) gingen we na of leerkrachten en leerlingen in het secundair onderwijs een op groei gerichte dan wel een vaststaande mindset hanteerden bij schrijfonderwijs Nederlands en wat dat betekende voor het respectievelijk geven en ontvangen van feedback. Uit de eerste resultaten blijkt dat leerkrachten Nederlands eerder een vaststaande mindset hanteren en dus denken dat ‘goed’ schrijven een talent is eerder dan een vaardigheid die ontwikkeld kan worden. De feedback situeert zich dan ook op productniveau en veel minder op procesniveau. We dienen dus verder in te zetten op een op groei gerichte mindset bij taalleerkrachten.?

Dweck geeft in haar onderzoek ook aan dat leerkrachten ondersteuning nodig hebben om de inzichten van haar onderzoek in de praktijk waar te maken. Deze vaststelling gaat ook op voor onderwijsonderzoek in het algemeen. Verschillende onderzoekers? bestempelen de relatie tussen onderwijsonderzoek en onderwijspraktijk als problematisch. De impact van onderwijsonderzoek als katalysator voor het aansturen van de klaspraktijk is dus te beperkt. Er is met andere woorden een reële nood in het werkveld om de kloof te dichten tussen onderzoek en praktijk.? Het onderzoek verloopt samen met leerkrachten secundair onderwijs via de methodiek van lesson study. Bovendien zijn de onderzoeksresultaten zeer relevant voor leerkrachten in opleiding. Daarom worden de inzichten en materialen uit dit onderzoek geïmplementeerd in de lerarenopleiding.?

Doel?

Welke op onderzoeksgeïnformeerde kennis en strategieën kunnen leerkrachten inzetten om de eigen taalmindset en die van leerlingen, i.c. voor schrijfvaardigheid (Nederlands) en gespreksvaardigheid (Frans), te ontwikkelen?? In welke mate ervaren leerkrachten de lesson study als een geschikte collaboratieve onderzoeksactiviteit om zich blijvend te professionaliseren??

Methode??

Eerst wordt het framework van de taalmindset verder ontwikkeld op basis van literatuurstudie. Daarna worden de deelnemende teams nagevormd in het werken met het framework via de professionaliseringsmethodiek van de lesson study. We sluiten af met focusgesprekken met zowel leerkrachten als leerlingen om de efficiëntie van de vakdidactische keuzes en de professionaliseringsmethodiek in kaart te brengen.??

Activering deelnemers?

De activering van de deelnemers gebeurt via een Kahoot met stellingen rond de taalmindset.

Anders organiseren van onderwijs: wat en hoe
effectief onderwijs, onderzoeksgeïnformeerd, taalmindset

Flipped learning in talenonderwijs

Interactie n.a.v. een poster, animatie of object65Ronald Habraken, UC Leuven-Limburg, LEUVEN

MK2zaal - hoek 1di 11:00 - 12:30

Abstract

Flipped learning (ook: flipping theclassroom) is een pedagogische meta-strategie die de beschikbare face-to-face klastijd zo maximaal mogelijk wil benutten voor activerend en diepgaand leren (Bergmann & Sams, 2012). Hiervoor wordt de eerste kennismaking met nieuwe leerinhouden (die traditioneel in de klas gebeurt) verplaatst naar buiten de klas (individual space), bijvoorbeeld via een video of een leestekst waarin de nieuwe leerstof uitgelegd wordt. Leerlingen komen dus met voorkennis, vragen en/of problemen naar de klas (group space). In de klastijd werken ze vervolgens op een actieve en motiverende manier aan de diepere verwerking van die leerinhouden. De rol die de leerkracht op zich neemt, is niet langer die van sage on thestage, maar wel van een echte guide on theside (King, 1993). Flipped learning vraagt dus ook een mentale shift bij leraren voor het ontwerpen van krachtige leeromgevingen voor leerlingen.

Dit onderzoeksproject is opgezet als een collaboratief actieonderzoek (Savin-Baden & Howell 2012:243-257) waarin teams van taalleerkrachten uit het secundair onderwijs (Engels, Frans, Latijn), met ondersteuning van coaches samen op zoek gaan naar manieren waarop ze voor zelfgekozen thema’s uit hun talenonderwijs flipped learning al dan niet kunnen gebruiken om leerlingen actiever en diepgaander in de klas te laten leren.

Korte beschrijving De pedagogische meta-strategie Flipped Learning kan een oplossing bieden voor taalleraren om de beperkte klastijd effeciënter te gebruiken om leerlingen diepgaander kennis en vaardigheden te laten oefenen en verwerken in authentieke, communicatieve contexten. Tekst

Praktijk van waaruit ingediend

Dit project werd ingediend vanuit de lerarenopleiding Bachelor secundair onderwijs van de UCLL Hogeschool in samenwerking met scholen secundair onderwijs uit Vlaams-Brabant en Limburg.

Onderwerp

Flipped learning in talenonderwijs (Engels, Frans, Latijn)

Context

Leraren talen moeten in een beperkt aantal lesuren werken aan zowel het verwerven van taalkennis als aan het inoefenen van taalvaardigheden. In de praktijk gaat er nog vaak veel klastijd naar de (klassikale?) kennisoverdracht en blijft er niet altijd voldoende tijd in de klas over om effectief te werken aan de complexere niveaus van Blooms taxonomie. Deze complexere opdrachten worden ofwel als huiswerk naar huis meegegeven, ofwel komt men er zelfs niet toe (Marzano, 2007). Nochtans zouden leerlingen hiervoor net gebaat zijn met de nodige ondersteuning en feedback van de leerkracht. Flipped learning zou een oplossing kunnen bieden om meer tijd in de klas te creëren om leerlingen te helpen.

Doel

Het doel van dit onderzoeksproject is beleids- en praktijkaanbevelingen doen waarmee lerarenteams aan de slag kunnen om flipped learning in hun taallessen toe te passen. Ter ondersteuning zullen good practices met uitgewerkte lesplannen en lesmateriaal ter beschikking gesteld worden.

Relevantie onderwijspraktijk

Taalleraren geven vaak aan te weinig tijd te hebben om tot echte transfer te komen naar communicatieve taaltaken. Flipped learning biedt een oplossing om de beperkte klastijd maximaal te gebruiken voor actiever en diepgaander leren op maat van iedere leerling. Door de voortaak buiten de klas heeft de leraar bij de start van de les een beter zicht op de voorkennis van een leerling en kan hij die leerling ook beter inschalen in een traject om de leerstof diepgaander te verwerken. Omdat de leraar geen directe instructie meer hoeft te geven aan heel de klas, heeft hij/zij ook effectief de handen vrij om leerlingen individueel of in groepjes te helpen met hun vragen en/of problemen, en hen ondersteuning te bieden bij opdrachten op de complexere niveaus in Bloom’s taxonomy.

Methode

Dit onderzoek is opgezet als een participatoryaction research (Savin-Baden &Howell (2012:243-257). Het actie-onderzoek is cyclisch-iteratief en vertrekt steeds vanuit een gemeenschappelijk probleem, vraag of interesse die een lerarenteam (teacher design team) via zelfreflectie en peer-reflectie afgebakend heeft. In samenwerking met een coach gaat het teacher design team vervolgens op een systematische en doelgerichte manier op zoek naar een mogelijke oplossing, verandering of verbetering om in de eigen onderwijspraktijk te testen en te evalueren.

Activering deelnemers en organisatie van bijdrage

De deelnemers worden actief betrokken bij de posterpresentatie door middel van een mentimeter met open/meerkeuze vragen of een poll. De mentimeter is beschikbaar voor de deelnemers via een QR-code die met een mobiele telefoon of tablet gescand kan worden.

Discussiepunt

Hoe kunnen we leerlingen motiveren om de voortaak in de individual space te maken?

Wat zijn de organisatorische implicaties voor een school om flipped learning te gebruiken?

Anders organiseren van onderwijs: wat en hoe
Collaboratief actieonderzoek, Flipped learning, talenonderwijs

Zelfsturend leren op de werkplek, wie heeft de regie?

Interactie n.a.v. een poster, animatie of object126Bob Koster, Fontys Lerarenopleiding Tilburg, TILBURG

MK2zaal - hoek 2di 11:00 - 12:30

Abstract

We gaan in op het thema ‘Zelfsturing van aanstaande leraren’. Soms is bij studenten sprake van een hoge mate van zelfsturing. Een stappenplan gericht op het geven van meer eigen regie aan studenten kan behulpzaam zijn. Als er sprake is van schuring bij studenten is creëren van zelfsturing bij studenten om daarmee om te gaan mogelijk bijvoorbeeld door onderzoek daarbij in te zetten.

We zien in het onderwijsveld waar we leraren voor opleiden zowel een steeds grotere diversiteit ontstaan aan scholen met verschillende visies en didactische principes, sommige scholen die nog vooral uitgaan van een traditioneel onderwijs concept, andere scholen die inzetten op bijvoorbeeld gepersonaliseerd en zelfstandig leren van leerlingen. Daarnaast leiden we ook studenten op die in het mbo les gaan leven, een schooltype waar sprake is van soms traditionele maar soms ook hele nieuwe leeromgevingen, bijvoorbeeld een hybride leeromgeving.

De gevolgen voor het leraarschap van het voorgaande zijn dat leraren veel meer zelfsturende en flexibele professionals moeten gaan worden die in staat zijn binnen verschillende contexten aan het werk te gaan (Luken, 2008).

Korte beschrijving

Voor het leraarschap in de (nabije) toekomst (programma lijn 3) zal zelfsturing een essentieel element zijn. Dat vraagt van lerarenopleidingen niet alleen om op zelfsturing te focussen maar ook er voor te zorgen dat studenten binnen verschillende contexten kunnen functioneren. Onderzoek naar zelfsturing wordt in de presentatie gedeeld.

Tekst

Praktijk van waaruit ingediend

Binnen het lectoraat Werkplekleren wordt praktijkgebonden onderzoek gedaan naar het leren van aanstaande leraren op de werkplek. In het lectoraat participeren zowel instituutsopleiders als schoolopleiders. Dit voorstel wordt ingediend vanuit de praktijk op de opleidingsschool Midden Brabant, ROC Scalda/Zeeuwse Opleidingsschool en de 2e graads lerarenopleiding in Tilburg.

Onderwerp

We gaan in op het thema ‘Zelfsturing van aanstaande leraren’. Als studenten over hun belangrijkste leerervaring vertellen blijkt er in de meeste gevallen sprake te zijn van een hoge mate van zelfsturing. We delen op de werkplek ontwikkeld stappenplan wat er op gericht is om studenten meer eigen regie te geven. We laten zien hoe we, als er sprake is van schuring bij studenten bijvoorbeeld omdat ze met eigentijds onderwijs worden geconfronteerd, als opleiders daarbij eigenaarschap kunnen creëren bij studenten om met deze schuring om te gaan.

Context

Voor de lerarenopleidingen betekenen de ontwikkelingen in het onderwijsveld niet alleen dat zij een hybride leeromgeving moeten creëren waarbinnen toekomstige professionals worden opgeleid maar ook inzet op het ontwikkelen van een hoge mate van zelfsturing bij hun studenten. Deze aanstaande leraren moeten bovendien ondersteund worden bij het ontwikkelen van de vaardigheid om binnen verschillende contexten te kunnen functioneren waarbij een onderzoekende houding onmisbaar is (Bronkhorst, 2013).

Doel

Lerarenopleiders laten zien dat ‘zelfsturing’ een relevant concept is bij het opleiden van aanstaande leraren. Dit concept zelfsturing plaatsen in een breder perspectief van ontwikkelingen binnen het onderwijs (zie ‘context’ hiervoor). Bovendien handvatten geven waarmee opleiders in staat zijn zelfsturing bij studenten te ontwikkelen want ‘zelfgestuurd leren kun je niet zelfgestuurd leren’ (Vrieling 2014).

Relevantie onderwijspraktijk

De ontwikkeling binnen de lerarenopleidingen in de richting van het werken met LeerUitKomSten geeft ruimte te gaan werken vanuit leervragen van de studenten waarvoor zelfsturend vermogen noodzakelijk is. Veel opleiders worstelen nog met het concept ‘zelfsturing’ en het geven van invulling daaraan.

Methode

Er zijn interviews gehouden met een aantal aanstaande leraren binnen het mbo over hun belangrijkste leerervaringen, studenten zijn gevolgd in het werken met een stappenplan en er zijn gesprekken gevoerd over de manier waarop studenten omgaan met schuring tussen hun eigen onderwijsopvattingen en de onderwijspraktijk waarin zij functioneren. Hieruit worden conclusies getrokken ten aanzien van de (mate van) zelfsturing bij de respondenten.

Activering deelnemers en organisatie van de bijdrage;

In de vorm van drie korte pitches van elk drie minuten presenteren we de nieuwe ontwikkelingen die we in gang hebben gezet, de methodiek daarbij en wat we zien gebeuren ten aanzien van zelfsturing bij studenten. Daarna krijgen de deelnemers kort de tijd om hier in tweetallen over te spreken, Plenair worden reacties geïnventariseerd. Daar gaan de presentatoren vanuit hun ‘expertise’ op in en er wordt afgesloten met de vraag ‘noem één ding wat betekenisvol is voor je eigen praktijk’.

Discussiepunt

Wat is een goede balans tussen het geven van zelfsturing aan studenten aan de ene kant en het stellen van eisen vanuit de opleiding/opleiders aan de andere kant?

Leraren van de toekomst: flexibele professionals
hybride leeromgeving, zelfsturing

Invloed van de bobbelbaan op het leerresultaat & motivatie van de leerlingen in het basisonderwijs

Interactie n.a.v. een poster, animatie of object47Elly van Hyfte, Sien Vercruysse, Hogeschool Gent, GENT

MK2zaal - hoek 2di 11:00 - 12:30

Abstract Lessen lichamelijke opvoeding bieden twee belangrijke kansen, zijnde het verbeteren van de motorische vaardigheden en het motiveren van kinderen. Daartoe dient een rijke leeromgeving neergezet te worden waarin kinderen op hun eigen manier kunnen deelnemen. Het doel van deze studie is om een impuls te geven voor vernieuwing in het bewegingsonderwijs door aan te sluiten bij zowel aanvaarde theorieën, als bij de nieuwste theorieën over motorisch leren. Door het aanbieden van een lessenpakket, waarin de turnzaal wordt verdeeld in 3 zones, inclusief een bobbelbaan (zachte hindernisbaan), een leeromgeving te creëren dat elk kind in zijn motorisch leerproces ondersteunt. Hierbij neemt de leraar LO de rol op als motiverende coach gezien door meer autonomie aan de kinderen te verlenen, er meer tijd vrij komt om uitvoerig te observeren en in te spelen op de individuele onderwijsbehoeftes. De uitgewerkte lessenreeks voorziet een deelnameniveau voor elk kind, met aandacht voor differentiatie. Een steekproef van 200 leerlingen eerste leerjaar in Gentse scholen zal worden onderzocht, rekening houdende met de SES-kenmerken van de scholen. Via het afnemen van de KTK-NL en BREQ2 zal op zoek gegaan worden naar het motorisch leerresultaat van de kinderen en hun motivatie om te bewegen. Resultaten en conclusies worden verwacht

Korte beschrijving

Via de school, en in het bijzonder de lessen LO, gaan we de uitdaging aan om kinderen actiever te maken voor de toekomst. Een bobbelbaan implementeren in elke LO les sluit enerzijds aan bij de nieuwste theorieën over motorisch leren en is anderzijds afgestemd op individuele onderwijsbehoeftes van het kind.

Tekst

Met deze onderzoeksopdracht wil HoGent een voortrekkersrol opnemen in het op gang brengen van de vernieuwing van het bewegingsonderwijs in het basisonderwijs door aan te sluiten bij zowel aanvaarde theorieën (oefening baart kunst) als bij de nieuwste theorieën over motorisch leren, met name ‘foutloos leren’, ‘leren met externe focus’ en ‘differentieel leren’1,2,3,4,10, 11. Wanneer kinderen een rijke leeromgeving voorgeschoteld krijgen en daar op hun eigen manier aan kunnen deelnemen, resulteert dit in een groter motorisch leereffect bij deze kinderen. Door het werken in 3 vakken, met in elke les een bobbelbaan, creëren we een leeromgeving dat elk kind in zijn of haar leerproces ondersteunt nl. het bevorderen van het gevoel van autonomie en competentie. Kinderen leren bewegen door zelf te ontdekken, het is niet de leraar die vertelt hoe je iets moet doen, maar veeleer het kind dat zelf ervaart hoe de beweging tot stand komt5. Het is belangrijk dat kinderen zelf grenzen leren ontdekken en hun bewegingsgedrag leren sturen6. De leraar als coach staat centraal: hij begeleidt de kinderen zodanig dat ze eigenaar blijven van hun leerproces. Zijn feedback vanuit een groeimindset7 leert ze kijken naar hun eigen leerproces8 en geeft de kinderen en groeiend vertrouwen in de eigen mogelijkheden. Kinderen krijgen dus leersituaties voorgeschoteld in de zone van de naaste ontwikkeling wat hun motivatie en succesbeleving ten goede komt. Motivatie en succesbeleving zijn twee belangrijke pijlers die je vorm dient te geven binnen een krachtige leeromgeving. Dit alles is van ontzettend groot belang indien we kinderen met plezier en vooral levenslang willen laten bewegen. Concreet zal een lessenpakket worden uitgewerkt. In elke les worden 3 zones uitgezet waarbij elke leerling de 3 verschillende leerlijnen doorloopt. De doelen worden duidelijk gesteld maar de uitvoering binnen de leerlijn dient vrij te zijn. Zo leren kinderen pendelen tussen wat ze kunnen en niet kunnen. Eén van de zones is steeds een bobbelbaan, een zachte hindernisbaan. Bobbelbanen zijn zeer gevarieerd, zowel als het gaat om het grote bereik binnen de leerlijnen (balanceren, springen, hardlopen, klimmen en klauteren, over de kop gaan, kruipen en sluipen) als om differentiatie. Elk individu krijgt de kans te presteren op eigen niveau: prestaties zijn ondergeschikt. De leerling kan zelf kiezen hoe hij/zij de hindernissen zal overbruggen. Bobbelbanen zijn enorm intensief, zowel als het gaat om het aantal bewegingen dat kinderen uitvoeren als om de fysiologische inspanning. In een bobbelbaan met acht hindernissen maken de kinderen in 10 minuten zo’n 240 sprongen en dit in een kwart van de lestijd! Bobbelbanen blijven kinderen motiveren. Plezier is van groot belang voor blijvende deelname aan bewegingsactiviteiten. Via een representatieve steekproef zal het effect van de bobbelbaan nagegaan worden op het motorische leerresultaat en de motivatie bij 200 leerlingen uit het eerste leerjaar. Pre-, tussentijdse en postmetingen via een motorische test (KTK-NL) en motivatievragenlijst (BREQ2), zullen deze evolutie in kaart kunnen brengen.

https://www.klascement.net/video/81776/de-bobbelbaan-deel-1/

https://www.klascement.net/kleuter/video/81777/de-bobbelbaan-deel-2/

Anders organiseren van onderwijs: wat en hoe
bobbelbaan, hedendaags bewegingsonderwijs, motorisch leerresultaat motivatie

De ontwikkeling van klassenmanagement competenties van aanstaande leraren op de werkplek

Interactie n.a.v. een poster, animatie of object50Tom Adams, Fontys Lerarenopleiding Tilburg, TILBURG

MK2zaal - hoek 2di 11:00 - 12:30

Abstract

Klassenmanagement wordt gezien als een van de meest basale competenties van een (beginnende) leraar. We weten echter nog weinig over hoe lerarenopleidingen deze competentie het beste kunnen aanleren en met name welke rol de stagepraktijk hierin speelt. Bovendien weten we nog weinig over hoe klassenmanagement tijdens deze stageperiode wordt aangepakt, hoe scholen in dit opzicht van elkaar verschillen en welk effect dit heeft op de ontwikkeling van de klassenmanagementcompetentie van aanstaande leraren. Dit promotieonderzoek richt zich op de vragen hoe en in welke mate klassenmanagement is vastgelegd in het curriculum van het werkplekleren, en hoe dit zich verhoudt tot de competentieontwikkeling van de aanstaande leraren. Dit onderzoek wordt momenteel uitgevoerd binnen de Academische Opleidingsschool Midden-Brabant, dat in samenwerking met de Fontys lerarenopleiding het vierdejaars programma op de werkplek aanbied. In de eerste studie wordt nadrukkelijk gekeken hoe het programma dat wordt aangeboden aan de aanstaande leraren eruit ziet, met name gericht op de inhoud van klassenmanagement. Tevens wordt antwoord gezocht op de vragen wat klassenmanagement is, hoe zich dit verhoud tot de traditionele kijk hierop, de mate waarin dit in het programma dat wordt aangeboden binnen het werkplekleren voorkomt en hoe opleiders zich hiertoe verhouden.

Korte beschrijving

Klassenmanagement wordt gezien als een van de meest basale competenties van een (beginnende) leraar. Dit promotieonderzoek richt zich op het in kaart brengen van de aandacht voor deze competentie binnen het curriculum van het stagedeel van de lerarenopleiding, waarmee factoren onderscheiden kunnen worden die bijdragen aan deze competentieontwikkeling.

Tekst

Het is algemeen bekend dat beginnende leraren problemen ervaren met de kloof tussen lerarenopleiding en de dagelijkse praktijk in de klas, in het bijzonder met betrekking tot klassenmanagement. Aanstaande leraren hebben te maken met verschillende problemen tijdens en kort na hun onderwijspraktijk, veel hiervan zijn gerelateerd aan klassenmanagement en docent - leerlingrelaties. Verschillende onderzoekers pleiten voor meer aandacht voor klassenmanagement in de lerarenopleiding. Hoewel onderzoeksresultaten de rol van klassenmanagement in de lerarenopleiding versterken, wordt het vaak genegeerd in het programma of ingebed in andere cursussen. Bovendien vindt een groot deel van de lerarenopleidingen plaats op de werkplek van de school, en geven aanstaande leraren vaak aan dat deze periode van cruciaal belang is voor de ontwikkeling en beheersing van klassenmanagementcompetenties. Er is echter weinig bekend over hoe klassenmanagement tijdens deze stageperiode wordt aangepakt, hoe scholen in dit opzicht van elkaar verschillen en welk effect dit heeft op de ontwikkeling van de klassenmanagementcompetentie van aanstaande leraren. Hoewel er geen breed geaccepteerde definitie is van klassenmanagement, is dit onderzoek klassenmanagement te beschreven als alle voorzieningen, acties en procedures die door leraren worden genomen om een ​​leeromgeving tot stand te brengen en te onderhouden waarin instructie en leren kan plaatsvinden. Om een ​​hoge kwaliteit van klassenmanagement te bereiken, beargumenteren Evertson en Weinstein (2006) dat leraren op het gebied van klassenmanagement de taak hebben om: (1) een zorgzame, ondersteunende relatie met en tussen de leerlingen te ontwikkelen, (2) een instructie te organiseren en uit te voeren op een manier die het optimaliseren van toegang tot het leren aan de leerlingen geeft, (3) groep-managementmethoden te gebruiken die de betrokkenheid van leerlingen gericht op taken aan te moedigen, (4) de ontwikkeling van de leerling op het gebied van sociale vaardigheden en zelfregulering te bevorderen en (5) passende en helpende interventies te gebruiken bij leerlingengedrag dat ongewenst of problematisch is. We beschouwen deze specifieke doelen als de kern van de klassenmanagementcompetentie, en het vormt daarmee de basis van het analytisch kader in deze studie.

Het doel van dit promotieonderzoek is het vinden van hoe en in welke mate klassenmanagement is vastgelegd in het curriculum, meer in het bijzonder het onderdeel van het werkplekleren, en hoe dit zich verhoudt tot de competentieontwikkeling van de aanstaande leraren. Daarbij bekijken we met name het traject dat wordt aangeboden binnen de Academische Opleidingsschool Midden Brabant, de groepen Tilburg en Den Bosch, waar in nauwe samenwerking met Fontys Lerarenopleiding Tilburg een programma aan wordt geboden aan de vierde jaars aanstaande leraren, die op de werkplek leren, en werken aan hun competentieontwikkeling en aan de opleidingsonderdelen. In de eerste studie wordt nadrukkelijk gekeken hoe het programma dat wordt aangeboden aan de aanstaande leraren eruit ziet, met name gericht op de inhoud van klassenmanagement. Tevens wordt antwoord gezocht op de vragen wat klassenmanagement is, hoe zich dit verhoud tot de traditionele kijk hierop, de mate waarin dit in het programma dat wordt aangeboden binnen het werkplekleren voorkomt en hoe opleiders zich hiertoe verhouden.

Kwaliteit voor en ín de klas
Werkplekleren

Jouw ontwikkeling als toekomstgerichte lerarenopleider in relatie tot de beroepsstandaard

Workshop58Fréderieke van Eersel-van der Linden, Velon / BRLO, RAVENSTEIN

Persruimtedi 11:00 - 12:30

Abstract

Opleiden voor de toekomst vraagt om lerarenopleiders die op de hoogte willen blijven van ontwikkelingen die van invloed zijn op het onderwijs, die inspireren en zich laten inspireren om toekomstgerichte leraren op te kunnen leiden. Opleiden voor de toekomst vraagt om ontwikkelingsbekwame lerarenopleiders die reflecteren op hun ervaringen en daarbij zoeken naar verdiepende perspectieven. Met deze workshop willen we lerarenopleiders ondersteunen in het bespreekbaar maken van hun ontwikkeling als toekomstgerichte lerarenopleider in relatie tot de beroepsstandaard voor lerarenopleiders.

Korte beschrijving

Hoe kun je jouw ontwikkeling als toekomstgerichte lerarenopleider verbinden aan de beroepsstandaard voor lerarenopleiders? Tijdens deze workshop gaan we hier graag met je over in gesprek aan de hand van enkele tools die je kunt gebruiken om jouw ontwikkeling als toekomstgerichte lerarenopleider te relateren aan de beroepsstandaard voor lerarenopleiders.

Tekst

Praktijk van waaruit ingediendVelon-project Doorontwikkeling Beroepsregistratie Lerarenopleiders BRLO

OnderwerpOpleiden voor de toekomst vraagt om toekomstgerichte lerarenopleiders die zelf wendbaar zijn in de zin van ondernemend, onderzoekend en creatief én weerbaar door kritisch denken, (zelf)reflectie, zelfregulering. Lerarenopleiders met een grote maatschappelijke betrokkenheid die zich actief verhouden tot complexe vraagstukken vanuit de samenleving, lerarenopleiders die samenwerken met elkaar en met andere professionals.

Opleiden voor de toekomst vraagt om lerarenopleiders die op de hoogte zijn van ontwikkelingen die van invloed zijn op het onderwijs en die zich laten inspireren om toekomstgerichte leraren op te kunnen leiden. om studenten te kunnen inspireren.

Opleiden voor de toekomst vraagt om ontwikkelingsbekwame lerarenopleiders. Lerarenopleiders die actief zoeken naar mogelijkheden om te blijven leren, die reflecteren op hun ervaringen en daarbij zoeken naar verdiepende perspectieven.

Hoe laten lerarenopleiders blijken dat ze ontwikkelingsbekame toekomstgerichte lerarenopleiders zijn en hoe relateren ze hun ontwikkeling aan de beroepsstandaard voor lerarenopleiders?

ContextDe beroepsstandaard voor lerarenopleiders bestaat uit de grondslag en vier bekwaamheidsgebieden: didactisch bekwaam, agogisch bekwaam, organisatorisch/beleidsmatig bekwaam en ontwikkelingsbekwaam. Hoe ontwikkel je die bekwaamheden als lerarenopleider met het oog op het opleiden van toekomstgerichte leraren?

Welke professionaliseringsactiviteiten onderneem je en heb je ondernomen om leraren voor de toekomst op te leiden? Hoe heb je de inzichten die je tijdens die professionaliseringsactiviteiten hebt opgedaan vertaald naar jouw handelen als lerarenopleider?

Om het bespreekbaar en zichtbaar maken van je ontwikkeling als lerarenopleider in relatie tot de beroepsstandaard te ondersteunen, heeft het Velon projectteam BRLO enkele tools ontwikkeld. Deze tools kunnen gebruikt worden om met collega’s in gesprek te gaan over je ontwikkeling als beginnende of ervaren lerarenopleider, om je ontwikkelingsperspectief/ontwikkelingsplan te relateren aan de beroepsstandaard, om je voor te bereiden op functionerings-/ontwikkelgesprekken of om je voor te bereiden op een registratieaanvraag of op het prolongeren van je registratie. De tools zijn gebaseerd op de beroepsstandaard voor lerarenopleiders.

DoelDeelnemers krijgen zicht op hoe ze hun ontwikkeling als toekomstgerichte lerarenopleider bespreekbaar en zichtbaar kunnen maken in relatie tot de beroepsstandaard voor lerarenopleiders en leveren input om de gebruikte tool(s) te verbeteren.

Activering deelnemers en organisatie workshopNa een korte inleiding gaan deelnemers aan de hand van een of meerdere tools met elkaar in gesprek hun ontwikkeling als toekomstgerichte lerarenopleider. Aan het eind van de workshop leveren de deelnemers input ter verbetering van de tool(s).

Discussiepunt.Hoe maak je je ontwikkeling als toekomstgerichte lerarenopleider bespreekbaar en zichtbaar in relatie tot de beroepsstandaard voor lerarenopleiders? Zijn de tools die tijdens deze workshop gebruikt zijn hierbij ondersteunend? Welke tips/verbetersuggesties heb je?

Leraren van de toekomst: flexibele professionals
beroepsstandaard, lerarenopleider

Aanstaande leraren leren krachtgericht omgaan met hun studie-uitstelgedrag

Workshop144Lennart Visser, Driestar hogeschool, GOUDA

Proosdijzaal (HC)di 11:00 - 12:30

Abstract

Voor aanstaande leraren is het belangrijk dat zij sturing kunnen geven aan hun eigen leren. Helaas lukt dit bij veel studenten in het hoger onderwijs niet en ervaren zij problemen in hun studie. Eén van de oorzaken van problemen tijdens de studie en academisch falen bij studenten is studie-uitstelgedrag (Solomon & Rothblum, 1984; Steel, 2007). In deze workshop ervaren deelnemers hoe krachtgericht leren werkt en worden inzichten gedeeld uit de wetenschappelijke studie waarin een interventie werd ontwikkeld waarin eerstejaars studenten leren omgaan met studie-uitstelgedrag (Visser, Schoonenboom, & Korthagen, 2017). Deze interventie is gebaseerd op principes uit de positieve psychologie en op de uitgangspunten van krachtgericht coachen (Korthagen & Nuijten, 2015). Met deze interventiestudie wilden we onderzoeken of studenten die last hadden van studie-uitstelgedrag, door middel van een krachtgerichte benadering konden leren omgaan met hun studie-uitstelgedrag. De resultaten laten zien dat deze aanpak succesvol is in het studenten leren omgaan met hun studie-uitstelgedrag.

Korte beschrijving

In de workshop maken deelnemers kennis met de S.T.O.P.-aanpak (Strengths-based Training to Overcome Procrastination) en gaan ze met deze principes aan het werk. De aanpak is gebaseerd op de positieve psychologie en Krachtgericht coachen (Korthagen & Nuijten, 2015) en helpt studenten om regie te nemen over hun studiegedrag.

Tekst

Praktijk van waaruit ingediend

Elk jaar zijn er binnen onze pabo veel eerstejaars studenten bij wie de studie niet succesvol verloopt. Zij hebben last van studie-uitstelgedrag waardoor het hen niet lukt om op tijd te beginnen met studeren, opdrachten te maken en hierdoor hun studiepunten te halen. Voor een aantal studenten betekent dit dat zij voortijdig met de studie (moeten) stoppen. Consequenties van uitstelgedrag zijn onder andere suboptimaal presteren, lage cijfers bij tentamens en eindexamens (Steel, Brothen, & Wambach, 2001) en een verhoogd risico op uitval (Wesley, 1994). Ook hebben studenten met academisch uitstelgedrag vaak last van negatieve emoties (Lay & Schouwenburg, 1993).

Onderwerp

Onder studie-uitstelgedrag verstaan we het vrijwillig uitstellen van een voorgenomen en benodigde en/of (persoonlijk) belangrijke studie-activiteit, ondanks dat de te verwachten negatieve gevolgen groter zijn dan de positieve gevolgen van het uitstellen (Steel, 2007; Klingsieck, 2013).

Context

Voor eerstejaars pabostudenten die veel last hadden van studie-uitstelgedrag ontwikkelden wij de training Krachtgericht Omgaan met Studie-uitstelgedrag. De interventie bestond uit vier groepsbijeenkomsten van drie uur waarin de volgende onderdelen aan de orde kwamen: Trainingssessies: Sessie 1: Ontdek je persoonlijke kernkwaliteiten. Sessie 2: Erbij-zijn en de regie nemen. Sessie 3: De kracht van idealen en het verschil tussen belemmerende en helpende gedachten. Sessie 4: Gesprek tussen de uitstel-IK en de regie-IK.

Deelnemers bij wie de werking van deze interventie is onderzocht waren 54 eerstejaars pabostudenten verdeeld over twee interventiegroepen en een controlegroep (groep A: n = 14, 4 mannen, 10 vrouwen, M leeftijd = 18.07. Groep B: n = 17; 4 mannen, 13 vrouwen; M age = 18.18. Controlegroep: n = 23; 1 man, 22 vrouwen; M age = 17,78, SD = 1,09).

Na 11 weken was er een significant verschil tussen studie-uitstelgedrag van de interventiegroepen en de controlegroep. Na 24 weken was de controlegroep op hetzelfde niveau qua uitstelgedrag als interventiegroep.

Doel

Het doel van deze workshop is dat deelnemers inzicht krijgen in het wat en hoe van studie-uitstelgedrag is en welke factoren van invloed zijn op studie-uitstelgedrag. Daarnaast krijgen deelnemers inzicht in de principes van de training en gaan hier zelf mee aan de slag.

Activering deelnemers en organisatie workshop

Tijdens de sessies worden theorie en praktijk afwisselend gebruikt om de deelnemers de principes van de krachtgerichte benadering te leren en ervaren.

Discussiepunt

De significante verschillen op de korte termijn van studie-uitstelgedrag tussen de experimentele groep en de controlegroep laten zien dat de interventie effectief kan zijn in het verminderen van -studie-uitstelgedrag van studenten. De resultaten van deze studie maken duidelijk dat een positieve psychologische benadering gericht op sterke punten werkzaam kan zijn voor het verminderen van studie-uitstelgedrag van studenten. De resultaten laten echter zien dat ook de deelnemers uit de controlegroep na 24 weken met hun studie-uitstelgedrag om kunnen gaan. Belangrijk discussiepunt is dan ook of deze training aangeboden moet worden aan eerstejaars studenten of is dit niet nodig omdat het studenten na verloop van tijd toch wel lukt om hun uitstelgedrag de baas te zijn?

Leraren van de toekomst: flexibele professionals
Krachtgerichte aanpak, Positieve psychologie, Studie-uitstelgedrag

Blended learning als strategie bij reanimatieonderwijs

Onderzoekspresentatie: individueel136Tom Madou, Hogeschool VIVES, TORHOUT

Struktonfoyerdi 11:00 - 12:30

Abstract

Overlevingskansen na hartstilstand door reanimatie van een omstaander zijn afhankelijk van de onderwijseffectiviteit van reanimatievaardigheden. Blended learning, de combinatie van face-to-face en digitaal onderwijs, is een veelbelovende strategie die wordt onderzocht om dit topic te onderwijzen. Onderzoek toont aan dat blended learning effectief kan zijn maar dat het potentieel van deze strategie nog niet ten volle wordt benut. Dit onderzoek integreert blended learning voor reanimatieonderwijs enerzijds in de vorming van leraren en anderzijds in het onderwijs van leerlingen secundair onderwijs. Alle leerprocessen worden in beeld gebracht door een rapportering van online gedrag via een digitale leeromgeving en een rapportering van face-to-face gedrag van leraar en leerlingen tijdens de les via video-observaties. Resultaten op het niveau van lerarenopleiding bieden inzicht in lerarengedrag na het volgen van een blend rond specifieke vakkennis versus algemene vakkennis. Resultaten op het niveau van leerlingen secundair onderwijs tonen aan dat blended leren een effectieve leerstrategie is en dat een ‘test’ in het online gedeelte een verhoogd leerresultaat kan opleveren.

Korte beschrijving

Digitale leermiddelen zijn niet meer weg te denken uit het onderwijslandschap. Onderwijsinstellingen investeren in technologie en verwachten dan ook een ‘return of investment’. Leerprocessen versterken is bij uitstek een voordeel dat worden nagestreefd. Leraren en lerarenopleidingen van de toekomst moeten het potentieel van nieuwe technologieën maximaal kunnen benutten.

Tekst

INLEIDING Overlevingskansen na hartstilstand door reanimatie van een omstaander zijn afhankelijk van de onderwijseffectiviteit van reanimatievaardigheden [1]. In Vlaanderen moet reanimatie verplicht worden onderwezen in het secundair onderwijs. In heel wat gevallen geven leraren aan dat ze over onvoldoende vakkennis beschikken om deze vaardigheid te onderwijzen.

THEORETISCH KADER Door een toenemende vraag naar reanimatieonderwijs worden nieuwe leermodellen onderzocht. De combinatie van face-to-face onderwijs en online-onderwijs, beter bekend als ‘blended learning’ (BL) [2], is een veelbelovende strategie om dit topic te onderwijzen. Het gebruik van BL nam wereldwijd exponentieel toe [3] [4] en kent vele toepassingen waaronder ook lerarenopleiding [5] [6]. Onderzoek rond BL vergelijkt vaak gedigitaliseerde onderwijsvormen met traditionele face-to-face instructie en resultaten tonen weinig verschil in leerresultaten. De conclusie is vaak dat komend onderzoek die variabelen binnen een blend moet trachten te vinden die werkelijk een meerwaarde betekenen. [4]. BL kan op twee manieren worden ingezet om onderwijs te versterken. Een eerste strategie is de implementatie van BL in de lerarenopleiding. Een krachtige blend moet lerarenopleiders in staat stellen om met een minimum aan face-to-face tijd leraren voldoende algemene, specifieke en pedagogische vakkennis bij te brengen om een topic krachtig te kunnen onderwijzen. Een tweede strategie is om BL in te zetten bij het onderwijzen van leerlingen.

ONDERZOEKSVRAAG Deze onderzoekslijn wil een antwoord formuleren op twee vragen: 1) Hoe verandert het gedrag van leraren na het volgen van een blended leertraject rond algemene versus specifieke vakkennis en wat is het effect daarvan op hun eigen gedrag en het gedrag en de leerresultaten van hun leerlingen? 2) Wat is het effect op het gedrag en de leerresultaten van leerlingen in het secundair onderwijs na het volgen van een blended leertraject rond algemene vakkennis?

METHODE Een blended leertraject werd ingezet voor reanimatieonderwijs, enerzijds op het niveau van de lerarenopleiding en vervolgens op het niveau van secundair onderwijs. In beide gevallen werd het volledige leerproces in beeld gebracht door een rapportering van online gedrag via een digitale leeromgeving en een rapportering van face-to-face gedrag van leraar en leerlingen via video-observaties. Het leerproduct werd in kaart gebracht door een onaangekondigde test met een gevalideerd testprotocol op leerlingniveau.

RESULTATEN De integratie van BL in de lerarenopleiding biedt inzicht in lerarengedrag na het volgen van een blend rond specifieke vakkennis versus algemene vakkennis. Resultaten tonen een grote variatie in lesindeling en gerealiseerde leertijden ongeacht de gevolgde blend. De integratie van BL op leerlingniveau toont aan dat BL een effectieve leerstrategie is en dat leerlingen die slaagden in een online test de vaardigheid achteraf significant beter beheersen (81,9% vs. 75,9% p<.05). BETROKKENHEID DEELNEMERS Deelnemers kunnen toegang krijgen tot online leeractiviteiten die werden ingezet in deze studie.

DISCUSSIEPUNT

BL ontstond uit de idee dat een blend het beste van twee werelden kan bevatten door de sterktes van online onderwijs te combineren met de sterktes van face-to face onderwijs. Blended learning moet echter meer zijn dan enkel een verandering van medium en het potentieel wordt momenteel nog niet bereikt.

Anders organiseren van onderwijs: wat en hoe
Blended Learning

Startende leraren zoeken zich een weg binnen het onderwijslandschap: het onderwijsassistentschap

Uitnodigende praktijkvoorbeelden153Veronique Sanctobin, PCVO Het Perspectief, GENT

Struktonfoyerdi 11:00 - 12:30

Abstract

Deze presentatie toont aan hoe het contact met de praktijk in het onderwijsveld toekomstige (taal-)leraren stimuleert om hun eigen leerproces in handen te nemen en ook te sturen.

In onze éénjarige opleiding beschikken onze studenten slechts over één semester om zich voor te bereiden op de stage. Om de praktijkschok wat te beperken laten we onze toekomstige leraars talen vanaf het eerste semester samenwerken met de collega’s van onze taalafdeling, en dit voor een geclusterde opdracht van 80 uur.

Dat is dubbel gewonnen : de taalleraren uit de lagere leerjaren zitten vaak met de handen in het haar omdat ze les moeten geven aan (te) grote klassen (ze kunnen dus best wat ondersteuning gebruiken) en onze studenten zijn maar wàt blij dat ze die ondersteuning kunnen/mogen bieden (ze kunnen best wat ervaring in het veld gebruiken).

Een aangestelde coördinator loopt het rijtje taalleraren af om interessante taken te verzamelen en geeft voorbeelden van activiteiten die de toekomstige leraren kunnen kiezen om ervaringen op te doen. De taalleraar in opleiding kiest voor zichzelf een aantal taken, werkt ze uit, eventueel met medestudenten, en bouwt gestaag aan een eigen portfolio, dat wordt geëvalueerd door de docent en de coördinator.

Korte beschrijving Toekomstige leraren krijgen de kans om praktijkervaring op te doen in het onderwijsveld zelf. Ze kiezen voor 80 uur taken uit die ze uitvoeren bij ervaren collega’s en bijhouden in een portfolio, dat gaandeweg wordt opgebouwd en ten slotte door de docent wordt geëvalueerd. Dat maakt de praktijkschok beheersbaar.

Tekst

Onderwerp

Thema van deze presentatie is een praktijkvoorbeeld, het “Onderwijsassistentschap” : toekomstige (taal-)leraren gaan taken uitvoeren bij taalleraren in het veld om nuttige ervaring op te doen.

Context

We bevinden ons in een Centrum voor volwassenenonderwijs dat bovengemiddeld groot is, met een lerarenopleiding en een grote afdeling talen, waar meer dan 15 talen worden onderwezen en er dus heel wat expertise voorhanden is, zowel qua vakkennis als voor wat betreft de vakdidactiek.

De beschreven opleiding is onze éénjarige lerarenopleiding, die vooral studenten aantrekt met een masterdiploma. In de didactische leerlijn worden de studenten verondersteld een aantal opdrachten in het veld uit te voeren. Om versnippering te vermijden werden die verschillende taken geclusterd tot één grote opdracht.

Doel

De bedoeling is dat de toekomstige leraren in één semester worden klaargestoomd voor de stage in het tweede semester. De praktijkschok wat beperken door de studenten gefaseerd en op eigen tempo kennis te laten maken met de realiteit van het Vlaamse onderwijs is een belangrijk aspect van de beschreven case.

Centrale uitdaging

Via congruent opleiden de toekomstige leraren kennis te laten maken met het werkveld volstond voor ons niet. We wilden hen ook stimuleren om hun eigen leerproces in handen te nemen en zelfgestuurd te leren !

Verloop van de practice

De student ziet zich geplaatst voor een opdracht van 80 uur, gespreid over de verschillende basiscompetenties van het Vlaamse competentieprofiel.

Een aangestelde coördinator loopt het rijtje taalleraren af om interessante taken te verzamelen en geeft via een communicatieplatform voorbeelden door van activiteiten die de toekomstige leraren kunnen kiezen om ervaringen op te doen. De student in opleiding kiest voor zichzelf een aantal taken, werkt ze uit, en bouwt aan een eigen portfolio, dat op het einde van de rit wordt geëvalueerd door de docent-lerarenopleider, nadat de student een korte voorstelling heeft gegeven van het eigen onderwijsassistentschap aan de peers.

Belangrijkste opbrengst

Naast het feit dat er ongetwijfeld een zuiver instrumentele opbrengst is binnen het centrum – de taalleraren, die best wat ondersteuning kunnen gebruiken, zijn vaak maar wàt blij met de ondersteuning – is er uiteraard het feit dat de studenten op een gefaseerde en zelfgestuurde manier in het praktijkbad worden ondergedompeld. Ze maken kennis met collega’s in het veld, moeten praktische problemen oplossen, werken samen, botsen soms eens tegen grenzen aan … en leren ook zichzelf op die manier beter kennen als leraar. De studenten ervaren door de band genomen de opdracht dan ook als heel verrijkend.

Activering van de deelnemers tijdens de presentatie en Discussiepunt

We zouden graag deze case ter evaluatie voorleggen aan onze collega’s de Nederlandse lerarenopleiders : hebben zij ook dergelijke projecten lopen ? Wat is hun ervaring ? Hun opinie zal ongetwijfeld nuttig zijn voor ons !

Verband met het congresthema

(Vlaamse) leraren krijgen zelden de kans om op een dergelijke vergaande manier kennis en ervaring op te doen in het werkveld. Met deze case, die werd voorgesteld op het Velov-congres 2018, hopen we een voorbeeld van goede praktijk te kunnen bieden dat collega’s kan inspireren.

Anders organiseren van onderwijs: wat en hoe
Gepersonaliseerd leren, Werken in onderwijsteams, Werken vanuit het vakdomein

KEY-LOCK: sleutelwoorden van student-paced onderwijs?

Uitnodigende praktijkvoorbeelden9Jan Willems, UC Leuven-Limburg, DIEPENBEEK

Struktonfoyerdi 11:00 - 12:30

Abstract

In het traditionele systeem van hoger onderwijs worden verschillende opleidingsonderdelen afgesloten met een examen. In dit systeem nemen we waar dat studenten vaak pas beginnen te studeren vlak voor het examen met studie-inneficiëntie en een gebrek aan kennistransfer tot gevolg. In het Key-Lock project ontwikkelen we een volledig student-paced curriculum in het reguliere hoger onderwijs. Hierbij nemen we “Professionele Bachelor Secundair Onderwijs Chemie” als testcase. Door leerlijnen van opleidingsonderdelen op te splitsen in gesloten modules die slechts geopend kunnen worden met sleutels die in eerdere modules werden verdiend, leggen we de verantwoordelijkheid van het leren volledig in handen van de studenten. Door een goede niveaubepaling van de toetsen, waarmee studenten sleutels kunnen verdienen op het einde van de modules, en de mogelijkheid tot cumulatief toetsen, kunnen we bovendien inzetten op excellentie. Een belangrijk discussiepunt in dit project is hoe we deze manier van werken kunnen doorzetten naar het leerplichtonderwijs. Wat zijn hiervoor kritische succesfactoren, wat zijn de randvoorwaarden, wat is het juridisch kader,…?

Korte beschrijving

Omwille van het feit dat we in ons project inzetten op een innovatie manier van onderwijs verschaffen en daarbij streven naar excellentie van toekomstige leerkrachten vindt deze bijdrage bij meerdere programmalijnen aansluiting. De meeste aansluiting wordt echter gevonden bij “anders organiseren van onderwijs: wat en hoe?”.

Tekst

Onderwerp

Dit praktijkvoorbeeld verschaft inzicht in de ontwikkeling van een student-paced curriculum in het regulier hoger onderwijs.

Context

In het huidige, traditionele model voor hoger onderwijs worden leerstofinhouden aangeboden in verschillende opleidingsonderdelen (OPO’s) al dan niet met een gedefinieerde leerlijn over de verschillende opleidingsfases. Door het systeem van hoorcolleges en werkcolleges is er vaak weinig plaats voor differentiatie. Sterke studenten moeten wachten, terwijl minder sterke studenten soms niet kunnen volgen. Daarnaast nemen we waar dat veel studenten het studeren uitstellen tot vlak voor de examens, waardoor de opgedane kennis snel verdwijnt en er bijgevolg weinig kennistransfer mogelijk is naar andere OPO’s.

Doel

In dit project leggen we de verantwoordelijkheid van het leren volledig in de handen van de studenten. Dit doen we door een traject te ontwikkelen dat volledig student-paced is, waarbij we bovendien streven naar excellentie. Het student-paced karakter van het curriculum is een ver doorgedreven vorm van differentiatie, terwijl we door het nastreven van excellentie het leerrendement verhogen en de kennistransfer tussen OPO’s faciliteren.

Centrale uitdaging/probleem en verloop van de practice

In dit project gebruiken we als testcase het curriculum van de opleiding “Professionele Bachelor Secundair Onderwijs Chemie” dat we omvormen tot een student-paced curriculum. In het bestaande curriculum leiden we studenten op tot leerkrachten secundair onderwijs met bevoegdheid voor 2 onderwijsvakken. Naast enkele algemene OPO’s zijn er per onderwijsvak grosso modo 3 leerlijnen te definiëren: Vakstudie (theoretische inhouden), Seminarie (werkzittingen, oefeningen, practica) en Praktijk (vakdidactiek). Deze drie leerlijnen splitsen we op in verschillende “gesloten” modules. Elke module dient geopend te worden door één of meer sleutels die de student verdiende in een voorgaande module van dezelfde of een andere leerlijn. Om sleutels te verdienen doorloopt elke student een leerpad met een toets. Om excellentie na te streven kan de docent het niveau van de toets op voorhand vastleggen. Excellentie wordt nog meer versterkt door een systeem van cumulatief toetsen.

Belangrijke opbrengst

Tijdens het uitrollen van de testcase (februari 2019) moet duidelijk worden welke randvoorwaarden er gesteld kunnen worden om een dergelijke vorm van student-paced onderwijs mogelijk te maken in het reguliere hoger onderwijs. Het wordt nu echter al duidelijk dat de contacturen geen hoorcolleges meer zijn, maar oefenuren, vragenuren, toetsuren,… Daarnaast krijgt de docent eerder een coachende en ondersteunde rol in plaats van een lesgevende rol. De leraar wordt meer dan ooit de ontwikkelaar van de leeromgeving.

Activering deelnemers tijdens de presentatie

Tijdens de presentatie worden de deelnemers uitgenodigd om actief mee na te denken over de tussentijdse resultaten en het verdere verloop van het project. Het stellen van vragen is op elk punt van de presentatie mogelijk.

Discussiepunt

Het einddoel is om de bevindingen vanuit dit project te laten indalen naar het leerplichtonderwijs. Hier rijzen echter enkele vragen: motivatie studenten hoger onderwijs vs. motivatie leerlingen secundair onderwijs, juridisch kader, organisatie, …

Anders organiseren van onderwijs: wat en hoe
excellentie, student-paced

Relatiekwali-tijd; onderzoek naar de kwaliteit van de relatie tussen studenten en hun opleiding

Workshop117Ingrid Snijders, HZ University of Applied Sciences, VLISSINGEN

Viskerfoyerdi 11:00 - 12:30

Abstract

Goede relaties tussen studenten en hun opleiding kunnen positief uitwerken op onder meer studieprestaties, studiemotivatie en studentbetrokkenheid. In het onderwijs streven we daarom naar goede relaties met studenten. De vraag is waaruit deze bestaat. Wat vinden studenten van de kwaliteit van de relatie met de contactpersonen van hun opleiding (d.i. relatiekwaliteit)? En komt deze overeen met wat bijvoorbeeld docenten ervaren?

In deze workshop verkennen we het concept relatiekwaliteit gebaseerd op de social exchange theory (SET). SET biedt een conceptueel raamwerk voor het analyseren van sociale relaties. Uitgangspunt is dat (het voortduren van) relaties de resultante is van de opbrengsten min de kosten van die relatie.

Tijdens deze workshop bediscussiëren deelnemers hun ideeën over de relatiekwaliteit van studenten en de opleiding. Het doel van deze workshop is om bewust(er) te worden van deze relatiekwaliteit en hoe daarmee deze te kunnen verbeteren. Nadien krijgen deelnemers een overzicht mee van concrete voorbeelden van relatiekwaliteit en de resultaten van de workshop. Ook wordt voorzien in een hands-on kwaliteitstool voor het meten van relatiekwaliteit.

Korte beschrijving Ondanks dat we in het onderwijs streven naar een goede band met studenten, is nog altijd niet duidelijk hoe we die band kunnen versterken. Deze workshop biedt daartoe inzicht, door een op de social exchange theory gebaseerde kwaliteitstool voor het meten van relaties tussen studenten en hun opleiding (d.i. relatiekwaliteit).

Tekst

Praktijk van waaruit ingediend

Lectoraat HZ-Onderwijsexcellentie

Onderwerp

Kwaliteit van de Relatie Student-Opleiding Vanuit de onderwijskundige literatuur weten we dat binding met studenten van belang is (Pascarella & Terenzini, 2005; Pianta & Hamre, 2012). Goede relaties tussen docenten en studenten kunnen positief uitwerken op onder meer studieprestaties, studiemotivatie en studentbetrokkenheid. Daarom is het aangaan en opbouwen van een goede relatie met studenten waardevol en noodzakelijk voor (de continuïteit van) het instituut en diens werkveld. Echter, tot op is het nog steeds niet helemaal duidelijk waaruit de aard van die relatie bestaat (Snijders et al., 2018). Onderwijsevaluaties en studenttevredenheidenquetes gaan beperkt in op de kwaliteit van de relatie van studenten en hun opleiding. Deze workshop tracht daarin te voorzien met een andere aanpak en invalshoek. Theoretische fundament is de social exchange theory (SET) en ideeën vanuit de services en relatiemanagement. SET voorzag en voorziet nog steeds in een conceptueel raamwerk voor de analyse van sociale relaties (Blau, 2017; Emerson, 1976). Uitgangspunt is dat (het voortduren van) relaties de resultante zijn van opbrengsten min de kosten van die relatie. Hoe vaker en intensiever de interacties zijn, hoe complexer de relatie. Juist in het onderwijs speelt dit een rol. Interessant voor opleidingen alsmede het instituut is om te weten hoe vanuit het perspectief van de student wordt gekeken naar de kwaliteit van de relatie met de opleiding.

Context

De één kan niet zonder de ander. Wat is een opleiding waard zonder studenten? Wat is onderwijs waard zonder docenten? Zowel studenten, opleidingen onderwijsinstellingen en hun werkveld hebben baat bij goede en lange-termijnrelaties met elkaar.

Doel

Doel van de workshop is bewustwording van de band met studenten en hoe daarmee de relatie tussen studenten en hun opleiding te kunnen verbeteren.

Activering deelnemers en organisatie workshop. Middels een interactieve werkvorm bediscussiëren deelnemers in een kleine groep hun ideeën over de relatiekwaliteit tussen studenten en de opleiding. Dit wordt gedaan aan de hand stellingen na een korte toelichting op relatiekwaliteit vanuit de theorie. Het doel van de workshop is dat deelnemers zich bewust worden van de band tussen docenten en studenten en hoe ze deze band kunnen verbeteren. Tijdens de workshop wordt de deelnemers gevraagd via een laptop hun ideeën over relatiekwaliteit te noteren. Van alle groepen wordt informatie gedocumenteerd. Aan het einde van de workshop krijgen de deelnemers een overzicht mee van de concrete voorbeelden waaruit de relatiekwaliteit volgens hen bestaat. Ook wordt voorzien in een hands-on kwaliteitstool voor het meten van relatiekwaliteit. Deze tool bestaat uit stellingen die gebruikt kunnen worden bijvoorbeeld in een kwaliteitskring met studenten, opleidingscommissie, beroepenveldcommissie en met het docententeam. De tool biedt een systematische wijze van kwalitatieve dataverzameling van relatiekwaliteit. Deze informatie kan helpen bij het beter begrijpen van bijvoorbeeld NSE-resultaten, en cursusevaluaties. Ook wordt voorzien in een vragenlijst die specifiek ingaat op relatiekwaliteit.

Discussiepunten

Hoe belangrijk is de relatiekwaliteit voor studenten? Hoe belangrijk is deze voor docenten en andere medewerkers van de opleiding? Hoe verhoudt relatiekwaliteit zich ten opzichte van inhoud van het curriculum, studie-omgeving en persoonlijke factoren?

Kwaliteit voor en ín de klas
Hoger Onderwijs, Kwaliteit relatie student/opleiding, Kwaliteitszorgtool

14:45 - 16:15 Parallelsessie 5

Praktijkgericht onderwijsonderzoek in wisselwerking

Workshop10Peter Lorist, Nationaal Regieorgaan Onderwijsonderzoek, DEN HAAG

Artiestencafédi 14:45 - 16:15

Abstract

Praktijkgericht onderwijsonderzoek in wisselwerking

Lerarenopleiders en leraren uit po, vo en mbo zijn in toenemende mate betrokken bij onderzoek, zoals in Academische Opleidingsscholen en Werkplaatsen Onderwijsonderzoek. Hier worden grenspraktijken tussen leraren, lerarenopleiders, lectoren /onderzoekers en schoolleiders in de praktijk gebracht. Er ontstaat wisselwerking vanuit een gezamenlijke ambitie en verantwoordelijkheid, gebaseerd op ieders expertise en rol. Het NRO en Regieorgaan SIA hebben in 2017 gezamenlijk het Ondersteunend Programma Praktijkgericht Onderwijsonderzoek ingericht en starten, op basis van het uitgebrachte advies, in 2019 met een call voor vier consortia die vorm kunnen geven aan het toekomstbeeld uit dit advies.

Met de deelnemers aan de workshop gaan we hierover in gesprek en werken samen met hen aan een verdere verdieping van het toekomstbeeld.

Korte beschrijving

Praktijkgericht onderwijsonderzoek in wisselwerking

Lerarenopleiders en leraren uit po, vo en mbo zijn betrokken bij onderzoek, zoals in Academische Opleidingsscholen en Werkplaatsen Onderwijsonderzoek. Het NRO en Regieorgaan SIA faciliteren in 2019 vier consortia die vorm kunnen geven aan Werkplaatsen Onderwijsonderzoek ’23. In de workshop bespreken we dit toekomstbeeld.

Tekst

Praktijkgericht onderwijsonderzoek in wisselwerking

Het NRO en Regieorgaan SIA zijn in 2017 het Ondersteunend Programma Praktijkgericht Onderwijsonderzoek (OPPO) gestart dat er op is gericht om een volgende stap te zetten in de ontwikkeling van praktijkgericht onderwijsonderzoek, vanuit de centrale vraag: Wat is nodig om de impact van praktijkgericht onderwijsonderzoek te versterken? Zowel op de professionalisering van lerarenteams en leraren in opleiding als op het versterken van de wetenschappelijke kennisbasis.

Haar verkenning heeft de Stuurgroep OPPO vertaald in missie, visie, doelstellingen en een advies aan NRO en Regieorgaan SIA: ‘Praktijkgericht Onderwijsonderzoek in wisselwerking’. Centraal in het advies staan Werkplaatsen Onderwijsonderzoek ’23, gebaseerd op een brede verkenning onder alle betrokkenen en inhoudelijk aansluitend bij het advies van de Werkgroep Kwaliteit van Praktijkgericht Onderzoek en het Lectoraat (Commissie Pijlman) en het rapport van de ad hoc commissie ‘Meer waarde met hbo’. Het advies is https://www.nro.nl/tijd-voor-volgende-stap-in-praktijkgericht-onderwijsonderzoek-door-hbo-instellingen/ te vinden.

Het NRO en Regieorgaan SIA hebben het advies van de Stuurgroep OPPO overgenomen en implementeren dit in het gezamenlijke Programma SPRONG Educatief. Vanuit dit programma wordt in januari 2019 een call gepubliceerd voor de eerste vier consortia die ondersteund worden in hun ontwikkeling naar Werkplaats ’23. Deze ondersteuning richt zich op versterking van de kennisinfrastructuur door de capaciteitsopbouw van de consortia te faciliteren via een aanvullende financiële ondersteuning. Op basis van een inventarisatie welke ondersteuning wenselijk is, kan hiermee bijvoorbeeld een coördinator worden aangesteld die als een ‘spin in het web’ verbindingen legt, proactief vragen en expertise met elkaar verbindt en daarmee de professionals (lectoren, onderzoekers, leraren, lerarenopleiders, schoolleiders) ontlast ten aanzien van organisatorische en andere werkzaamheden die niet tot hun primaire taak horen.

Tijdens de workshop gaan we met de deelnemers in gesprek over het toekomstbeeld van praktijkgericht onderwijsonderzoek. Op dat moment zijn de eerste gesprekken geweest van en met consortia die willen deelnemen aan SPRONG Educatief, de uitkomsten daarvan zijn input voor de workshop. En de opbrengsten van de workshop zijn op hun beurt weer input voor de verdere ontwikkeling van praktijkgericht onderwijsonderzoek.

Leraren van de toekomst: flexibele professionals
Praktijkgericht onderwijsonderzoek, Wisselwerking

Doeltreffende didactiek bij inspelen op verschillen; klein verschil, groot effect

Workshop114Janneke Eising, NHL Stenden Hogeschool, LEEUWARDEN

Brasseriedi 14:45 - 16:15

Abstract

Anders organiseren van onderwijs, zoals gepersonaliseerd leren, vraagt om keuzes. Ook hierbij begint beter onderwijs bij de kwaliteit van de docent. Als lerarenopleider kun je het verschil maken in de leerprestaties van je studenten, en daarmee in de leeropbrengst voor de leerlingen in het voortgezet of beroepsonderwijs. Maar hoe doe je dat? Doeltreffende Didactiek is hier het sleutelwoord: directe instructie en differentiatie voor de lerende leraar dragen bij tot betere leerresultaten bij leerlingen. In deze workshop staat Didactisch afkijken als methode centraal om zelf te leren. We tonen praktijksituaties van lessen op video om na te denken over directe instructie, werkvormen, differentiatie en de vormgeving van onderwijs van morgen. Deze workshop zet je aan om twee concrete punten te exploreren die je kunt benutten bij het opleiden van leraren. Het betreft hier ‘wat doe ik en waarom?

Bij de vraag, ‘wat doe ik?’, gaat het om de wijze waarop een leraar in opleiding zijn bedoelingen in handelen omzet. Bij de vraag ‘waarom doe ik dat?’, gaat het om de vraag welke bedoelingen op onderwijskundig vlak de leraar in opleiding met zijn handelen heeft. Afhankelijk van het doel valt de beslissing welke handelingen kunnen bijdragen aan het bereiken van het doel.

Korte beschrijving

De workshop maakt het inspelen op verschillen en daarmee anders organiseren van onderwijs concreet aan de hand van de vraag: ‘wat doe ik en waarom?’ Vanwege de relevantie voor docenten in het werkveld is dit een prangende vraag voor lerarenopleiders. Helpt didactisch afkijken lerarenopleiders in het vormgeven van hun curriculum?

Tekst

- Praktijk van waaruit ingediend

Het is de vraag op welke manier de lerarenopleiding kan bijdragen aan het opleiden van leraren die het onderwijs van morgen moeten gaan vormgeven en soms wel en soms niet al in de praktijk in aanraking komen met gepersonaliseerd leren. De complexe, holistische en diffuse werkelijkheid van videobeelden kan behulpzaam zijn bij het identificeren van een doeltreffende didactiek.

- Onderwerp

Doeltreffende didactiek bij inspelen op verschillen; klein verschil, groot effect.

- Context

De didactiek is gericht op het opleiden van leraren voor het onderwijs van morgen.

- Doel

Lerarenopleiders handvatten te geven op welke manier doeltreffende didactiek kan bijdragen aan het vormgeven van het onderwijs van morgen.

- Activering deelnemers en organisatie workshop

Na een korte inleiding over didactisch afkijken gaan we aan de slag met videobeelden. Aan de hand van kijkkaders komt men tot een eigen onderwerpkeuze. Uitdieping van het onderwerp geschied in tweetallen en subgroepen. Afronding en evaluatie aan de hand van het eerder gepresenteerde kijkkader waarbij de vraag wat en waarom centraal staat.

Anders organiseren van onderwijs vraagt om keuzes rondom gepersonaliseerd leren (Van Rijk, Volman, De Haan & Van Oers, 2016). Het vormgeven daarvan ontstaat veelal door vanuit een klassikale situatie steeds meer n te spelen op verschillen. Maar ook hierbij begint beter onderwijs bij de kwaliteit van de docent. Als lerarenopleider kun je het verschil maken in de leerprestaties van je studenten, en daarmee ook in de leeropbrengst voor de leerlingen in het voortgezet of beroepsonderwijs. Maar hoe doe je dat? Doeltreffende Didactiek is hier een sleutelwoord: directe instructie en differentiatie voor de lerende leraar dragen volgens Hattie bij tot betere leerresultaten bij leerlingen (2003). In deze workshop staat Didactisch afkijken als methode centraal om zelf te leren (Geerts & Dijk, 2018). We tonen praktijksituaties van lessen op video om na te denken over directe instructie, werkvormen, differentiatie en de vormgeving van onderwijs van morgen. Tijdens deze workshop heb je de gelegenheid om twee concrete punten te exploreren die je kunt benutten bij het opleiden van leraren. Het betreft hier ‘wat doe ik en waarom?

Bij de vraag, ‘wat doe ik?’, gaat het om de wijze waarop een leraar in opleiding zijn bedoelingen in handelen omzet. Een bepaalde set van handelingen om met vaker voorkomende problemen om te gaan wordt ook wel een design pattern genoemd. Een design pattern is een oplossingspatroon voor een terugkomend probleem dat door de docent in de praktijk kan worden gebracht (Alexander et al., 1977; Goodyear et al., 2004).

Bij de vraag ‘waarom doe ik dat?’, gaat het om de vraag welke bedoelingen op onderwijskundig vlak de leraar in opleiding met zijn handelen heeft. Onderwijskundige bedoelingen zijn leidend voor de keuze van de handelingen die de docent gaat inzetten. Afhankelijk van het doel valt immers de beslissing welke handelingen kunnen bijdragen aan het bereiken van het doel (Copeland en D’Emidio-Caston, 1998).

- Discussiepunt

Hoe kun je als lerarenopleider voorbeeldmatig handelen in je eigen onderwijs om studenten handvatten te geven voor het onderwijs van morgen?

Anders organiseren van onderwijs: wat en hoe
didactisch afkijken, ontwerppatronen

Netwerkleren: samenscholing vanuit een professionele leergemeenschap Wetenschap & Technologie

Uitnodigende praktijkvoorbeelden125Anika Embrechts, Saxion, ENSCHEDE

Cinema 1di 14:45 - 16:15

Abstract

In dit praktijkvoorbeeld laten we zien wat een stichtingoverstijgende professionele leergemeenschap Wetenschap & Technologie (PLG W&T) kan betekenen voor het leren van leraren. Het unieke aan dit praktijkvoorbeeld is dat deze stichtingoverstijgende PLG is ontstaan nadat alle deelnemende partners in de regio Twente Wetenschap & Technologie gezamenlijk als duurzaam thema hebben geadopteerd binnen het Kennisnetwerk Twente – Lerende leraren. Inmiddels gaat het om een partnerschap van zeventien schoolbesturen PO, ROC van Twente, mobiliteitscentrum Twente (ObT) en Saxion Pabo Enschede.

In de PLG W&T staat het netwerkleren (Brown & Poortman 2018) en de verbinding tussen theorie en praktijk centraal. Leerkrachten van verschillende scholen en stichtingen, pabodocenten, onderzoekers en (externe) experts werken daarbij samen aan gemeenschappelijk geformuleerde doelstellingen. Zo ontsluiten ze essentiële kennis en inzichten voor de volledige beroepsgroep via het Kennisnetwerk Twente – Lerende leraren. Dit wordt o.a. bereikt door gezamenlijk aanvullende materialen en didactische scenario’s te ontwikkelen op reeds bestaand lesmateriaal (Open Education Resources, OERS). Dit bevordert de integratie van W&T in de betrokken scholen. Leerkrachten leren daarnaast het netwerk te benutten ter bevordering van hun eigen leren en dat in hun school/stichting. Ook geven leerkrachten aan dat hun currriculumbewustzijn toeneemt door deelname aan deze professionele leergemeenschap.

Korte beschrijving

Een toekomstbestendig leraar weet zijn kennisnetwerk steeds beter te benutten voor zijn eigen leren en het leren van zijn collega’s binnen en buiten de school. Het verkennen, observeren en analyseren van zowel het formele als het informele leren in zo’n netwerk biedt nieuwe kansen voor het leren van leraren.

Tekst

Onderwerp

Netwerkleren: samenscholing vanuit een professionele leergemeenschap Wetenschap & technologie.

Context

Onderwijsorganisaties in Twente zien het als een gezamenlijke verantwoordelijkheid kinderen goed voor te bereiden op de toekomst. Daarbij is vastgesteld dat dit steeds meer vraagt van betrokken professionals en dat samenwerking in de regio daarbij onontbeerlijk is. Deze samenwerking biedt unieke kansen, zoals binnen dit praktijkvoorbeeld gedemonstreerd wordt. Nadat alle deelnemende partners in de regio Twente binnen het Kennisnetwerk Twente – Lerende leraren Wetenschap & Technologie (W&T) gezamenlijk als duurzaam thema hebben geadopteerd, is een stichtingoverstijgende professionele leergemeenschap W&T (PLG W&T) opgericht. Inmiddels gaat het hierbij om een partnerschap van zeventien schoolbesturen PO, ROC van Twente, mobiliteitscentrum Twente (ObT) en Saxion Pabo Enschede, die allemaal profiteren van de kennisdeling, kennisontwikkeling en kennisontsluiting binnen deze PLG W&T

Doel

Leerkrachten van verschillende scholen en stichtingen, pabodocenten, onderzoekers en (externe) experts werken samen aan gemeenschappelijk geformuleerde doelstellingen. Zo ontsluiten ze essentiële kennis en inzichten voor de volledige beroepsgroep via het Kennisnetwerk Twente – Lerende leraren. De kern van de samenwerking is de professionele kennis van, voor en in het beroep.

Centrale uitdaging/probleem en verloop van de practice

Wat vraagt netwerkleren van deelnemers en partners en hoe kom je tot effectieve kennisdeling, kennisontwikkeling en kennisontsluiting in de diversiteit aan beroepscontexten. Hoe leren leraren in en netwerk (formeel en informeel)? En wat is de rol van experts binnen het netwerk?

Belangrijkste opbrengst

De belangrijkste opbrengsten binnen dit professionele netwerk zijn:

kennisdeling, kennisontwikkeling en kennisontsluiting rondom de integratie van W&T in het basisschoolcurriculum

leerkrachten ondersteunen bij de integratie van W&T in het basisschoolcurriculum

ontwikkelen van curriculumbewustzijn bij leerkrachten op het gebied van W&T

beginnend inzicht in de bijdrage van netwerkleren voor het leren van leerkrachten, leerkrachtopleiders en onderzoekers

Activering deelnemers tijdens de presentatie

Met de aanwezigen wordt verkend hoe de ervaring met het werken in deze stichtingsoverstijgende PLG W&T benut kan worden voor het leren van leraren binnen de eigen beroepscontext. Zodoende kan beter ingespeeld worden op verschillende behoeftes van de deelnemers en worden deze actief betrokken.

N.B. We zien dit uitnodigende praktijkvoorbeeld in samenhang met twee andere uitgewerkte praktijkvoorbeelden van werken in PLG’s binnen kennisnetwerk Twente.

Discussiepunt

De rol van netwerkleren in het creëren van curriculumbewustzijn en duurzame kennisborging.

Leraren van de toekomst: flexibele professionals
Professioneel netwerk, Wetenschap&Technologie

Leren in een teammaster

Uitnodigende praktijkvoorbeelden54Robert Viëtor, Roos van der Voort, Hogeschool Leiden, LEIDEN

Cinema 1di 14:45 - 16:15

Abstract

Hogeschool Leiden en Lucas Onderwijs verzorgen vanaf 2017 de teammaster ‘Transitie in Onderwijs met Technologie’ (3TO), een masteropleiding voor onderwijsprofessionals die samen met collega’s een duurzame verandering in hun school willen realiseren. Studenten behalen een individuele mastergraad, maar de naam ‘teammaster’ zegt het al; er neemt een team deel. Tenminste twee leraren én de school-/teamleider doen mee. Met elkaar leren zij in de teammaster om een transitieproces vorm te geven rondom een eigen vraagstuk.

Tijdens deze presentatie laten we zien hoe de teammaster is opgezet en wat de eerste ervaringen zijn.

Korte beschrijving

We ontwikkelen een nieuw dna voor (master)programma’s, waar echt behoefte aan is bij scholen. Dit dna is ook voor ons als opleiders niet vanzelfsprekend; als wij iets anders willen realiseren, zullen we zelf iets anders moeten doen. Hoe doe je dit als opleider, hoe doe je dit samen met studenten?

Tekst

- Praktijk van waaruit ingediend;

Hogeschool Leiden en Lucas Onderwijs verzorgen vanaf 2017 de teammaster ‘Transitie in Onderwijs met Technologie’ (3TO), een masteropleiding voor onderwijsprofessionals die samen met collega’s een duurzame verandering in hun school willen realiseren.

- Onderwerp;

Een teammaster voor onderwijsprofessionals is een nieuw concept van opleiden, niet alleen in Nederland maar ook in de wereld. Het deelnemen aan een masterprogramma met een team heeft grote belangstelling, maar brengt ook nieuwe vragen met zich mee. Zowel voor studenten als voor opleiders. Tijdens deze presentatie staat dit centraal.

- Context;

Binnen het onderwijs is behoefte aan duurzame veranderingen. Maar hoe doe je dit? De praktijk en ook onderzoek (o.a. Snoek, 2014) wijst uit dat individuele professionalisering onvoldoende leidt tot schoolontwikkeling. In 2016 hebben Hogeschool Leiden en Lucas Onderwijs - aangemoedigd door OCW, besturen, Kennisnet en PO-raad - de handen ineen geslagen om een masteropleiding vanuit een nieuw dna vorm te geven, een master die gericht is op duurzame schoolontwikkeling. Dit heeft geresulteerd in een masterprogramma voor schoolteams, de teammaster 3TO, uit verschillende educatieve sectoren (po, vo, mbo, hbo).

- Doel;

Met het praktijkvoorbeeld van de teammaster 3TO willen we graag laten zien en ervaren hoe je ander onderwijs kunt creëren. Niet door vooraf een opleiding uit te ontwerpen, maar door sterke uitgangspunten te formuleren, daar passende inhoud en vormen bij te zoeken en vooral door steeds af te wegen en af te stemmen op wat nodig en gewenst is voor de volgende stap in het proces.

We werken met een half-open curriculum, waarbij de docenten een leerproces faciliteren en waarbij de docenten meer coaching dan instructie bieden.

- Centrale uitdaging/ probleem en verloop van de practice

In de afgelopen 1,5 jaar hebben we verschillende ervaringen opgedaan in het ontwerpen en uitvoeren van de teammaster. In eerste instantie met een team van 8 docenten, vanaf september 2018 met een team van 16 docenten. Een vraagstuk dat hierin speelt is “Hoe zorgen we ervoor dat nieuwe docenten in de teammaster vanuit het nieuwe dna kunnen werken?”

Vraagstukken die spelen rondom studenten, zijn bijvoorbeeld gericht op het vinden en ontwerpen van passende producten, die zowel zinvol zijn voor de opleiding als voor de school (en het eigen proces), zodat synergie kan ontstaan tussen opleiding en praktijk.

- Belangrijkste opbrengst;

Inspiratie en ideeën om vanuit een nieuwe kijk op leren van professionals de eigen onderwijspraktijk verder te ontwikkelen.

- Activering studenten tijdens presentatie;

We willen het dna van de teammaster graag aan den lijve laten ervaren door deelnemers van de presentatie. We starten met een ervaring gericht op leren in een team, waar vanuit we het verhaal van de teammaster vertellen. Dit is ook hoe we binnen de teammaster werken.

- Discussiepunt

In onze teammaster is veel diversiteit (in kennis, vaardigheden, ervaringen, bewustzijn, interesses, etc.) en zien dit als grote toegevoegde waarden t.a.v. individueel traject. Hoe kun je in een teammaster verschillen optimaal benutten voor persoonlijke ontwikkeling en een schooltransitie?

Bron:

* Snoek, M. (2014). Developing teacher leadership and its impact in schools

Leraren van de toekomst: flexibele professionals
teamleren, teammaster

Niet kijken in andermans keuken, maar samen koken: professionals als ontwerper in een kennisnetwerk

Uitnodigende praktijkvoorbeelden99Christine Kemmeren, Saxion, ENSCHEDE

Cinema 1di 14:45 - 16:15

Abstract

Voor toekomstige leraren is het essentieel dat zij hun onderwijs theory-informed vormgeven en onderbouwde keuzes maken in een specifieke context: er is behoefte aan cognitief flexibele professionals (Spiro & DeSchrijver, 2009). Een centraal issue in de lerarenopleiding is dan ook de betekenisvolle verbinding theorie-praktijk. Om studenten hierin inhoudelijk beter te kunnen begeleiden is binnen het Kennisnetwerk Twente-Lerende Leraren in diverse ontwikkel- en onderzoeksprojecten gezocht naar een effectieve didactiek. Het 'ontwerpatelier' is ervaren als een veelbelovende didactische vorm.

In dit praktijkvoorbeeld wordt getoond hoe ontwerpateliers in een inspirerend samenwerkingsproces zijn ontworpen door twee teams van onderwijsprofessionals: leerkrachten van diverse scholen, vakdocenten, procesbegeleiders en studenten. Dus geen kijkje in andermans keuken nemen, maar samen koken! Ontwerpateliers zijn bijeenkomten op een basisschool waar gewerkt wordt aan praktijkvraagstukken die relevant zijn voor student en basisschool. Vernieuwend is dat theoretische concepten uit het opleidingscurriculum consequent worden gehanteerd waardoor een betekenisvolle wisselwerking ontstaat tussen praktijk en theorie. Onderzocht is hoe het gezamenlijke ontwerpproces is verlopen en welke ervaringen zijn opgedaan. Graag delen wij de succesfactoren van dit gezamenlijke proces. De ontwikkeling van ontwerpateliers in heterogene ontwerpteams is een concreet voorbeeld van netwerkleren in Kennisnetwerk Twente, draagt bij aan cognitief flexibele professionals en een lerende schoolcultuur.

Korte beschrijving

Dit project toont hoe schoolopleiders, vakdocenten, procesbegeleiders en studenten in een intensief samenwerkingsproces onderwijs ontwerpen en uitvoeren waarin theorie betekenisvol wordt toegepast op praktijksituaties. Daarmee wordt een bijdrage geleverd aan een lerende schoolcultuur van cognitief flexibele professionals. Bediscussieerd worden pro's en contra's van ontwerpen in zo'n kennisnetwerk.

Tekst

Onderwerp

Een centraal issue in de lerarenopleiding is de verbinding van theorie en praktijk. Voor toekomstige leraren is het essentieel dat zij hun onderwijs theory-informed vormgeven en onderbouwde keuzes maken voor een specifieke context: er is behoefte aan cognitief flexibele professionals. Om studenten hierin inhoudelijk te begeleiden is nauwe samenwerking tussen lerarenopleiding en stagescholen noodzakelijk. Binnen het concept 'samen opleiden' hadden school- en instituutsopleiders behoefte het opleiden in de beroepscontext inhoudelijk te verdiepen. Daarom is in een aantal ontwikkel- en onderzoeksprojecten gezocht naar een effectieve didactiek hiervoor.

Het 'ontwerpatelier' is ervaren als een veelbelovende didactische aanpak. Ontwerpateliers zijn bijeenkomsten op een basisschool waarin studenten, schoolopleiders en leerkrachten werken aan praktijkvraagstukken die relevant zijn voor de ontwikkeling van de student en de basisschool. Vernieuwend is dat daarbij consequent gebruik wordt gemaakt van theoretische concepten uit het opleidingscurriculum waardoor een betekenisvolle wisselwerking ontstaat tussen praktijk en theorie. De centrale vragen voor nu zijn: Hoe verloopt het ontwerpproces van ontwerpateliers waaraan verscheidene onderwijsprofessionals deelnemen? en Wat zijn succesfactoren voor het verbinden van theorie en praktijk in het ontwerpatelier?

Context

Dit project is uitgevoerd door schoolopleiders, vakdocenten Digitale Didactiek en Drama, procesbegeleiders, studnten en onderzoekers binnen het Kennisnetwerk Twente, gericht op primair onderwijs. Twee teams hebben ontwerpateliers ontworpen en uitgevoerd met studenten. Daarnaast is onderzoek gedaan naar het gezamenlijke ontwerpproces en de uitvoering van het onderwijs.

Doel

Het doel van dit project is het ontwikkelen van ontwerpateliers in een netwerk van onderwijsprofessionals. Ook is gezocht naar succesfactoren voor het verbinden van theorie en praktijk door zowel het ontwerpproces als de uitvoering van het onderwijs te evalueren.

Centrale uitdaging

In dit project is geëxperimenteerd met het gezamenlijk ontwerpen (en uitvoeren) van ontwerpateliers door diverse onderwijsprofessionals uit de praktijk en de lerarenopleiding. Opleidingstrajecten zijn gebaat bij het daadwerkelijk integreren van praktijkkennis en conceptuele kennis en dit vraagt in de toekomst een actieve, nieuwe rol van diverse stakeholders: geen afstand houden maar juist kennis nemen van elkaars deskundigheid om een optimaal eindresultaat te behalen. Hoe brengen we netwerkleren duurzaam tot stand en (hoe) merken studenten het?

Opbrengsten

Het project heeft concrete beschrijvingen van ontwerpateliers opgeleverd op het gebied van digitale didactiek en drama met daarin doelen, rolbeschrijving van schoolopleider, bronnen en mogelijke leeractiviteiten. Daarnaast is inzicht verworven in het ontwerpproces en de ervaring van studenten en schoolopleiders met de uitvoering van het onderwijs. Daaruit zijn succesfactoren voor beide onderdelen afgeleid. De belangrijkste succesfactoren m.b.t. het ontwerpproces: ? Samenwerking is deskundigheidsbevorderend ? Procesbegeleiding is noodzakelijk ? Inbreng studenten is verrijkend. De belangrijkste succesfactoren m.b.t. het onderwijs: ? Schoolopleiders voelen zich deskundiger. Zij modelen contextspecifieke toepassing van theorie en sluiten beter aan bij de beginsituatie van studenten. ? Studente herkennen en waarderen relatie tussen theorie en stageschool. ? Studenten en schoolopleiders brengen vernieuwing laagdrempelig in de school. ? Vakdocenten ervaren erkenning van vak in beroepspraktijk.

Activering deelnemers

In subgroepen worden schoolopleider, vakdocent en procesbegeleider bevraagd op hun ervaringen in het project.

Discussiepunt

Gezamenlijk onderwijs ontwerpen is noodzakelijk voor het creëren van een betekenisvol en toekomstgericht curriculum in de lerarenopleiding.

Leraren van de toekomst: flexibele professionals
kennisnetwerk, leraar-ontwerper, professionele ontwikkeling

Onderzoeksmatig werken door universitair opgeleide basisschool leerkrachten (VOR-divisie L&L)

Interactie n.a.v. een poster, animatie of object113Jan Baan, Universiteit van Amsterdam / Stichting Bijzonderwijs, AMSTERDAM

Cinema 3di 14:45 - 16:15

Abstract

Vanaf 2008 zijn er in Nederland universitaire pabo’s opgericht op zes verschillende universiteiten in samenwerking met hogescholen. In dit onderzoek is gekeken of er een verschil is tussen afgestudeerden van reguliere en universitaire pabo’s in de mate waarin ze onderzoeksmatig werken in hun klas of school en welke factoren hierop van invloed zijn. Om dit te kunnen onderzoeken hebben 202 beginnende leerkrachten (maximaal 5 jaar voor de klas) een vragenlijst ingevuld, van wie er 89 waren afgestudeerd aan een universitaire pabo. Resultaten wijzen uit dat leerkrachten van universitaire pabo’s zich meer competent voelen in alle vormen van onderzoeksmatig werken (reflectie, onderzoek gebruiken en onderzoek doen). Maar in de praktijk bleken ze echter alleen meer onderzoek te gebruiken in de eigen klas. Regressie analyses laten zien dat de factoren motivatie en tijd van invloed zijn op de mate waarin zowel regulier als universitair opgeleide leerkrachten onderzoeksmatig werken. Ook bleken leerkrachten meer betrokken te zijn bij de verschillende vormen van onderzoeksmatig werken in de school als zij een speciale onderzoeksfunctie hadden (bijvoorbeeld een rol in een leerteam). De discussie zal zich richten op het voorbereiden van (universitair opgeleide) leerkrachten op een positie in het team waarbij ze kunnen bijdragen aan schoolontwikkeling.

Korte beschrijving

Deze bijdrage is onderdeel van de sessie van de VOR divisie leraar & lerarenopleiding. Tijdens deze sessie zullen verschillende onderzoeken gepresenteerd worden die te maken hebben met de rol van de leraar in het stimuleren van onderzoek en ontwikkeling binnen de schoolorganisatie. Dit onderzoek richt zich op basisschoolleerkrachten.

Tekst

Praktijk

Dit onderzoek is onderdeel van een onderzoeksproject vanuit de promotiebeurs voor leraren.

Onderwerp

Wat kun je als opleiding doen om leerkrachten voor te bereiden voor het onderzoeksmatig werken binnen de schoolorganisatie.

Context

Universitaire pabo’s in Nederland zijn opgericht met als doel het opleiden van leerkrachten die zich onderscheiden door theoretische kennis en door vaardigheden met betrekking tot onderzoek (Snoek, Bekebrede, Hanna, Creton, & Edzes, 2017; Van der Wal, Beijaard, Schellings, & Geldens, 2018). In de afgelopen jaren zijn ruim 1000 leerkrachten afgestudeerd aan universitaire pabo’s en een groot deel van deze leerkrachten staat nu voor de klas. Het is echter de vraag in hoeverre deze leerkrachten hun vaardigheden inzetten binnen hun werk als leerkracht.

Doel

Het huidige onderzoek is uitgevoerd om inzicht te bieden in de manier waarop en mate waarin leerkrachten van reguliere en van universitaire pabo’s onderzoeksmatig werken. Daarnaast is gekeken welke factoren voor beide groepen leerkrachten hierbij een rol spelen.

Relevantie onderwijspraktijk

Leerkrachten kunnen door onderzoeksmatig te werken bijdragen aan de professionele ontwikkeling en aan het verbeteren van het onderwijs in scholen (Cochran-Smith, 2009; Darling-Hammond, 2017; Mitchell, Reilly, & Logue, 2009). Universitair opgeleide leerkrachten zouden binnen hun schoolorganisatie een rol kunnen krijgen in het onderzoeksmatig werken. Op deze manier zouden deze leerkrachten kunnen bijdragen aan het reflecteren en het innoveren van het onderwijs (Munthe & Rogne, 2015; Niemi & Nevgi, 2014).

Methode

Voor deze studie is een vragenlijst ontwikkeld die gericht is op het onderzoeksmatig werken van leerkrachten. Hierbij is gebruik gemaakt van verschillende vormen van onderzoeksmatig werken (reflectie, onderzoek gebruiken en onderzoek doen) die vanuit de theorie en de praktijk naar voren zijn gekomen (Baan, Gaikhorst & Volman, 2018; Uiterwijk-Luijk, Krüger, Zijlstra, & Volman, 2016; Zwart, Smit, & Admiraal, 2015). Daarnaast is gekeken naar verschillende factoren die van invloed zijn op het onderzoeksmatig werken (Baan, et al. 2018, Uiterwijk-Luijk et al., 2016; Zwart et al., 2015). Deze vragenlijst is ingevuld door 202 beginnende leraren (niet meer dan 5 jaar voor de klas) waarvan 89 alumni van universitaire pabo’s.

Activering deelnemers en organisatie van de bijdrage

Tijdens deze sessie van VOR divisie L&L zal ik mijn poster 5 minuten toelichten en eerst aan de deelnemers vragen door middel van een digitale tool of zij denken dat er een verschil is in het onderzoeksmatig werken van alumni van reguliere en universitaire pabo’s. Daarna zal ik ingaan op de resultaten die laten zien dat leerkrachten van universitaire pabo’s zich meer competent voelen in het onderzoeksmatig werken dan regulier opgeleide leerkrachten maar dat ze in de praktijk alleen verschillen in het gebruik maken van onderzoek in de eigen klas.

Discussiepunt

De discussie zal zich richten op het voorbereiden van (universitair opgeleide) leerkrachten op een positie in het team waarbij ze kunnen bijdragen aan schoolontwikkeling.

Achtergrond hierbij is dat bij de universitair opgeleide leerkrachten naar voren kwam dat een positie binnen een leerteam een positieve invloed heeft op het onderzoeksmatig werken zowel in de klas als in de schoolorganisatie.

Leraren van de toekomst: flexibele professionals
Academische vaardigheden, Onderzoeksmatig werken, Universitair opgeleide leerkrachten

(Universitair) docenten van de toekomst: ontwikkelingsmogelijkheden in verschillende taken (VOR-divisie L&L)

Interactie n.a.v. een poster, animatie of object116Esther van Dijk, Universiteit Utrecht, UTRECHT

Cinema 3di 14:45 - 16:15

Abstract

Gezien de groeiende belangstelling voor onderwijskwaliteit van universiteiten, is het belangrijk om meer inzicht te krijgen in de expertise en expertiseontwikkeling van universitair docenten op het gebied van onderwijs. Het doel van ons onderzoek was daarom om expertise en expertiseontwikkeling van universitair docenten te duiden vanuit een taakgericht perspectief. Als methode hebben wij een systematische review gebruikt, waarin wij 44 raamwerken voor docentexpertise hebben geanalyseerd. De review leverde een overzicht op van zeven taakdomeinen: onderwijs geven, assessment van studenten, onderwijs ontwerpen, reflectie en zelfontwikkeling, leiderschap, onderwijskundig onderzoek en coaching. Daarnaast vonden we drie manieren waarop expertiseontwikkeling beschreven werd in de raamwerken, namelijk: als beter worden in een taak, als het kunnen uitvoeren van meerdere taken en het uitvoeren van taken met een grotere impact. Hoewel dit onderzoek focust op docenten aan de universiteit, is het ook relevant voor lerarenopleiders van leraren in het primair en voortgezet onderwijs, aangezien lerarenopleiders zich bezig houden met de expertiseontwikkeling van beginnende leraren in deze sectoren. Daarnaast sluit het onderzoek aan bij recente discussies over de verschillende taken van leraren in het primair en voortgezet onderwijs gedurende hun carrière, evenals de vraag hoe lerarenopleiders leraren tijdens hun opleiding kunnen voorbereiden op deze taken.

Korte beschrijving

Deze posterpresentatie past binnen het thema van het congres, omdat het input geeft aan lerarenopleiders over hoe zij de toekomstige leraren in het primair en voortgezet onderwijs kunnen begeleiden in het ontwikkelen van hun expertise in verschillende taken.

Tekst

Praktijk van waaruit ingediend

Promotieonderzoek aan de Universiteit Utrecht over expertiseontwikkeling van docenten die lesgeven op de verschillende faculteiten van universiteiten.

Onderwerp

In de posterpresentatie ga ik in op de voorlopige resultaten van de eerste studie binnen mijn promotieonderzoek, die de onderwijstaken beschrijft van universitair docenten, evenals hoe zij zich kunnen ontwikkelen met betrekking tot deze onderwijstaken.

Context

Binnen universiteiten is er de afgelopen jaren meer aandacht gekomen voor onderwijs. Echter, universiteiten zijn nog zoekende naar hoe zij onderwijsprestaties kunnen belonen en professionele ontwikkeling van docenten kunnen bevorderen, en hebben daarom behoefte aan een conceptualisering van docentexpertise. Vanuit de verschillende stromingen in de literatuur wordt expertise tegenwoordig beschreven in termen van prestaties op professionele taken (Grossman, Hammerness & McDonald, 2009; Ten Cate, 2013; Ericsson, 2009). Vanuit dit taakgerichte perspectief is een overzicht van onderwijstaken van universitair docenten nodig om hun expertise te kunnen evalueren en bevorderen.

Doel

In lijn met het taakgerichte perspectief op expertise, was het doel van ons eerste onderzoek om een overzicht van taakdomeinen (ofwel groepen van onderwijstaken) te geven, evenals een overzicht van manieren waarop universitair docenten zich kunnen ontwikkelen met betrekking tot deze taakdomeinen.

Methode

Als methode voor ons eerste onderzoek hebben wij een systematische review gebruikt, waarin we 44 raamwerken voor docentexpertise uit onderzoeken en beleidsstukken hebben geanalyseerd. Er kwamen zeven taakdomeinen uit onze analyse naar voren: onderwijs geven, assessment van studenten, onderwijs ontwerpen, reflectie en zelfontwikkeling, leiderschap, onderwijskundig onderzoek en coaching. We hebben ook drie beschrijvingen van expertiseontwikkeling gevonden, namelijk als: beter worden in een taak, het kunnen uitvoeren van meerdere taken en het uitvoeren van taken met een grotere impact.

Relevantie onderwijspraktijk

Hoewel dit onderzoek gericht is op universitair docenten, zijn het onderzoeksperspectief en de voorlopige resultaten ook interessant voor leraren en lerarenopleiders in andere onderwijssectoren. Het taakgerichte perspectief op expertise zou bijvoorbeeld toegepast kunnen worden bij het beoordelen van leraren in opleiding, door meer te focussen op hoe goed zij bepaalde taken uitvoeren (zoals instructie geven of oudergesprekken voeren) dan op hun kennis of competenties. Daarnaast is het ook interessant voor lerarenopleiders om na te denken over welke verschillende taken leraren kunnen of zouden moeten vervullen (naast onderwijs geven, bijvoorbeeld ook leiding geven, collega’s opleiden of onderzoek doen) en hoe zij leraren op deze verschillende taken kunnen voorbereiden. Dit sluit aan recente discussies over de ontwikkelmogelijkheden en carrièreperspectieven van leraren (zie o.a. ‘Een beroepsbeeld van de leraar’ (2017) door Snoek, de Wit, Dengerink, van der Wolk, van Eldik en Wirtz).

Activering deelnemers en organisatie van de bijdrage

Tijdens deze sessie van VOR divisie L&L zal ik mijn poster 5 minuten toelichten en eindigen met een discussiepunt, waarin ik mijn onderzoeksresultaten- en perspectief relateer aan de praktijk van lerarenopleiders. In gesprek met de deelnemers gaan we in op het discussiepunt en daarna kunnen de deelnemers rondlopen en verder in discussie treden met alle posterpresentatoren van deze sessie.

Discussiepunt Welke verschillende onderwijstaken hebben leraren of zouden zij moeten hebben, en hoe kunnen lerarenopleiders leraren voorbereiden op deze verschillende taken?

Leraren van de toekomst: flexibele professionals
Expertise- en expertiseontwikkeling, Universitair docenten, Verschillende taken van de leraar

Geïntegreerd schoolleiderschap voor duurzame onderwijsverbetering door PLG’s (VOR-divisie L&L)

Interactie n.a.v. een poster, animatie of object71Elske Muilenburg, Universiteit Twente, ENSCHEDE

Cinema 3di 14:45 - 16:15

Abstract

Hoewel professionele leergemeenschappen (PLG’s), zoals datateams, een veelbelovende manier zijn om onderwijsverbetering te realiseren (Poortman & Schildkamp, 2016), blijkt het een uitdaging te zijn voor scholen om onderwijsverbetering door PLG’s te verduurzamen (Hubers et al., 2017). Na een initieel enthousiasme voor het samenwerken in een PLG, lijkt de hectiek van alledag de samenwerking te ondermijnen en de bereikte resultaten naar de achtergrond te laten verdwijnen (cf. Van Veen, 2008).

Duurzaamheid wordt bereikt wanneer continue onderwijsverbetering door het werken met de PLG(‘s) zichtbaar is in de routines van een school (Feldman & Pentland, 2003). Geïntegreerd schoolleiderschap (GSL) speelt hier een belangrijke rol bij (Harris & Jones, 2010). Bij GSL gaathet niet om één formele leider, maar om het geheel aan leidinggevende activiteiten, competenties en organisatiestructuren binnen de school (Hendriks & Scheerens, 2013).

Tot op heden is weinig onderzoek gedaan naar hoe GSL er in de praktijk uit ziet (Harris & DeFleminis, 2016), evenmin in relatie tot het realiseren van duurzame onderwijsverbetering (Poortman et al., 2018). Het onderzoek heeft een beschrijvende functie en alsdoel diepgaande kennis te verkrijgen over hoe GSL eruitziet in scholen waar datateams duurzaam zijn. Daarvoor werden drie scholen voor een periode van zes weken geschaduwd.

Korte beschrijving

Van scholen wordt verwacht dat ze continu bezig zijn met onderwijsverbetering. Het laten beklijven van deze verbeteringen is een uitdaging, waarbij onderwijskwaliteit op het spel staat. Door toekomstige leraren bewust te maken van hun rol in het verduurzamingsproces, kan grote winst behaald worden. We leiden dan op voor de Toekomst.

Tekst

Praktijk van waaruit ingediend Dit onderzoek wordt uitgevoerd door de Universiteit Twente en de Rijksuniversiteit Groningen.

Onderwerp Het onderwerp van het onderzoek is geïntegreerd leiderschap voor duurzame onderwijsverbetering door professionele leergemeenschappen.

Context Dit onderzoek vond plaats in drie scholen voor het voortgezet onderwijs. Daarbij is dit onderzoek een deelstudie van promotieonderzoek.

Doel Het onderzoek heeft een beschrijvende functie. Het verduurzamen van onderwijsverbetering door PLG’s, zoals datateams, is een uitdaging (Hubers et al., 2017).Geïntegreerd schoolleiderschap (GSL) speelt hier een belangrijke rol bij (e.g., Harris & Jones, 2010). Bij GSL gaathet niet om één formele leider, maar om het geheel aan leidinggevende activiteiten, competenties en organisatiestructuren binnen de school (Hendriks & Scheerens, 2013). Tabel 1 toont de kernfuncties van schoolleiderschap (e.g., Robinson et al., 2008). Aangezien nog niet duidelijk is hoe GSL er in de praktijk uit ziet (Harris & DeFleminis, 2016), evenmin in relatie tot het realiseren van duurzame onderwijsverbetering (Poortman et al., 2018), heeft dit onderzoek als doel diepgaande kennis te verkrijgen over hoe GSL eruitziet in scholen waar datateams duurzaam zijn.

Duidelijkheid omtrent hoe GSL eruitziet in scholen waar datateams nog duurzaam zijn (i.e., welke activiteiten, competenties en organisatiestructuren daaraan ten grondslag liggen), kan uiteindelijk leiden tot specifieke aanbevelingen eisen en verwachtingen aan (professionalisering van) schoolleiderschap.

Relevantie onderwijspraktijk Van scholen wordt verwacht dat ze continu bezig zijn met onderwijsverbetering. Een goede manier om dit te doen is via PLG’s, zoals datateams. Echter, het blijkt een uitdaging voor datateams om duurzame onderwijsverbetering te realiseren (Hubers et al., 2017). We weten dat GSL hierbij cruciaal (Harris & Jones, 2010; Muijs & Harris, 2003), maar hoe dit precies vormgegeven moet worden is onduidelijk. Met behulp van dit onderzoek wordt duidelijk hoe geïntegreerd schoolleiderschap eruitziet op scholen waar duurzame onderwijsverbetering door datateams gerealiseerd is. Diepgaande kennis over leiderschap zal bijdragen aan het verduurzamen van onderwijsverbetering door professionele leergemeenschappen.

Methode (ontwerp of aanpak, voorlopige of mogelijke opbrengsten) Om diepgaand inzicht te verkrijgen te verkrijgen in hoe GSL eruitziet in scholen waar datateams verduurzaamd zijn, werden drie scholen voor een periode van zes weken geschaduwd (cf. Louws, 2016; McDonald, 2005). Een onderzoeker observeerde lessen, vergadering en in de docentenkamer, maar volgde ook docenten, klassen of schoolleiders een dag.

Activering deelnemers en organisatie van de bijdrage Deze poster hoort bij de sessie vanuit VOR, divisie L&L. Het onderzoek wordt vijf minuten toegelicht, met afsluitend een discussiepunt. Hier wordt vijf minuten over gediscussieerd met de deelnemers. De deelnemers krijgen vervolgens de gelegenheid nader in discussie te gaan over het onderzoek.

Discussiepunt Kan tijdens de lerarenopleiding al gestart worden met het ontwikkelen van de leidinggevende activiteiten en competenties, die zichtbaar waren op scholen waar nog steeds met datateams gewerkt wordt? Op welke manier? Hoe gebeurt dat op dit moment? Hoe kunnen leraren toekomstbestendig opgeleid worden, zodat ze bij kunnen dragen aan het verduurzamen van vernieuwingsinitiatieven binnen de school?

Leraren van de toekomst: flexibele professionals
duurzame onderwijsverbetering, geïntegreerd schoolleiderschap, professionele leergemeenschap (PLG)

Wanted: flexibele professionals voor succesvolle implementatie van onderwijsvernieuwingsprogramma’s (VOR-divisie L&L)

Interactie n.a.v. een poster, animatie of object84Angela de Jong, Oberon / Universiteit Utrecht, UTRECHT

Cinema 3di 14:45 - 16:15

Abstract

Leraren die van de opleiding komen maken kans om in aanraking te komen met een onderwijsvernieuwingsprogramma op hun school. Vernieuwing en onderwijsverbetering staan volop in de belangstelling op scholen. Wij onderzoeken de effecten van het onderwijsprogramma van Stichting leerKRACHT dat gebruikt wordt door 750 scholen in Nederland. Dit programma richt zich op het opbouwen van een lerende cultuur waarin leraren samenwerken en leren van elkaar.

Deze studie biedt inzichten – voor het opleiden van leraren van de toekomst - in rol en verantwoordelijkheid die voor leraren is weggelegd bij de implementatie van een onderwijsvernieuwing in scholen en welke belemmeringen leraren en schoolleiders tegenkomen in het invoeren van dergelijke vernieuwingen.

De poster richt zich op het leren van leraren tijdens de implementatie van een onderwijsvernieuwingsprogramma. Uit ons onderzoek blijkt onder meer dat sommige leraren (nog) geen lerende houding hebben en dat de groei in samenwerking en het delen van verantwoordelijkheden verschilt per sector, school en lerarenteam. Het veranderen van de cultuur vraagt flexibiliteit van leraren en schoolleiders en daarmee worden zij meer neergezet als een professional.

Ter discussie wordt aan het publiek gevraagd wie de verantwoordelijkheid draagt om te zorgen dat leraren flexibele professionals kunnen zijn in een voortdurend veranderende (school)omgeving.

Korte beschrijving

Deze presentatie past goed bij het congresthema, omdat wij focussen op het leren van leraren en hun verantwoordelijkheden in school. Onze poster richt zich op inzichten uit ons onderzoek over het delen van verantwoordelijkheden tussen leraren en wat dit vraagt van de houding van leraren tijdens implementatie van een onderwijsvernieuwingsprogramma.

Tekst

Praktijk van waaruit ingediend

Onderzoekers van Oberon en Universiteit Utrecht voeren een praktijkonderzoek uit in opdracht van NRO. Hieraan is ook een promotietraject gekoppeld.

Onderwerp

Het onderzoek betreft een vierjarige studie naar de effecten van het onderwijsprogramma van Stichting leerKRACHT dat gebruikt wordt door zo’n 750 Nederlandse scholen. Dit programma richt zich op het opbouwen van een lerende cultuur waarin leraren samenwerken, leren van elkaar en verantwoordelijkheid delen in plaats van zich alleen verantwoordelijk te voelen voor hun eigen klas. Het programma wil op deze manier leraren en schoolleiders stimuleren om het onderwijs te verbeteren.

Context

Het onderzoek vindt plaats in drie sectoren (po,vo,mbo) van scholen die werken met leerKRACHT.

Doel

De poster richt zich op het leren van leraren tijdens de implementatie van een onderwijsvernieuwingsprogramma. In het effectonderzoek houden we rekening met de uitvoer van het programma. Wij verwachten dat als een school het programma niet uitvoert zoals beoogd er ook geen verandering te verwachten is in enthousiasme voor het programma, cultuur, pedagogisch-didactisch handelen van leraren en leerling-resultaten (Guskey, 2002; Kirkpatrick, 1994).

Relevantie onderwijspraktijk

Veel studenten die van de lerarenopleiding komen, zullen in aanraking komen met onderwijsvernieuwingen. Vernieuwing en onderwijsverbetering staan volop in de belangstelling op scholen. Vaak doen zij dit met behulp van een programma (Rijksoverheid, 2013). Al veel scholen in Nederland werken met het onderwijsprogramma van Stichting leerKRACHT. Deze studie biedt inzichten – voor het opleiden van de leraar van de toekomst – in de rol en verantwoordelijkheid die voor leraren is weggelegd bij de implementatie van een onderwijsvernieuwing in scholen en welke belemmeringen zij tegenkomen bij het invoeren van dergelijke vernieuwingen.

Methode

Ons vierjarig onderzoek in de periode 2017-2020 bestaat uit kwantitatief onderzoek (vragenlijsten onder leraren, schoolleiders en de coaches vanuit leerKRACHT bij N = 250 scholen) en kwalitatief verdiepend onderzoek (interviews met leraren en schoolleiders en observaties in de klas en bij bijeenkomsten bij N = 30 scholen). Uit ons onderzoek blijkt onder meer dat sommige leraren (nog) geen lerende houding hebben en het idee hebben dat er getwijfeld wordt aan hun kunnen. Er wordt gevraagd: ‘deed ik het dan niet goed?’. De groei in samenwerking en het delen van verantwoordelijkheden verschilt per sector, school en lerarenteam. Het wordt veelal als spannend ervaren om bijvoorbeeld bij elkaar in de les te gaan kijken en feedback te geven. Daarnaast zien leraren niet altijd in dat ze van elkaar kunnen leren. Het vraagt een flexibele en open houding van leraren om een cultuurverandering in te gaan en de onderwijsvernieuwing tot een succes te maken.

Activering deelnemers en organisatie van de bijdrage

Tijdens deze sessie van VOR divisie L&L zal ik mijn poster 5 minuten toelichten en eindigen met mijn prikkelende discussiepunt. De discussie richt zich op de praktische implicaties van de studie. Daarna kunnen de deelnemers verder in discussie treden met alle posterpresentatoren van deze sessie.

Discussiepunt

Is het de verantwoordelijkheid van een lerarenopleider, van een school of de leraar zelf om leraren een flexibele professional te laten zijn die kan werken in een voortdurend veranderende (school)omgeving?

Leraren van de toekomst: flexibele professionals
Lerende houding, Onderwijsvernieuwing

Welke uitdagingen komen leraren tegen bij het implementeren van een doorlopende onderzoeksleerlijn? (VOR-divisie L&L)

Interactie n.a.v. een poster, animatie of object89Christel Verberg, ICLON - Universiteit Leiden, LEIDEN

Cinema 3di 14:45 - 16:15

Abstract In dit onderzoek zijn docent-onderzoekers in zes scholen gevolgd die een doorlopende onderzoeksleerlijn wilden invoeren van brugklas tot eindexamenklas havo en vwo en gericht op alle domeinen. De docent-onderzoekers ontwierpen interventies en deden onderzoek naar de opbrengsten van deze interventies. Er is in het huidige onderzoek bekeken welke uitdagingen de docent-onderzoekers tegenkwamen bij het uitvoeren van interventies in het kader van deze schoolinnovatie. De resultaten laten zien dat niet alleen de acties van de docent-onderzoeker van belang zijn, bijvoorbeeld bij het creëren van draagvlak binnen de school, maar dat ook de schoolcontext van groot belang is, bijvoorbeeld hoe de schoolleiding veranderingen ondersteunt. De docent-onderzoekers in het huidige onderzoek ondervonden bij het innoveren belemmeringen op het gebied van facilitering, steun vanuit de schoolleiding en collega’s en het onder de aandacht brengen en houden van het project. Het huidige onderzoek leverde aanbevelingen op over hoe docent-onderzoekers dergelijke belemmeringen bij innoveren op school kunnen voorkomen. Een discussiepunt om tijdens deze sessie op in te gaan is hoe lerarenopleiders studenten zo kunnen opleiden, dat ze – ondanks de “waan van de alledaagse schoolpraktijk” – kunnen zorgen dat ze (in hun toekomstige rol van docent-onderzoeker) optimaal gefaciliteerd worden bij het invoeren van schoolinnovaties.

Korte beschrijving

Deze presentatie past goed binnen het congresthema, omdat leraren in opleiding in de toekomst het onderwijs kunnen verbeteren door te innoveren. Deze presentatie bereidt hen voor op deze toekomst door het aankaarten van te verwachten belemmeringen en het geven van tips om zulke belemmeringen te voorkomen.

Tekst

Praktijk van waaruit ingediend

Dit project was een samenwerking tussen onderzoekers van het ICLON en docent-onderzoeker-teams van zes vo-scholen.

Onderwerp

Het project richtte zich op interventies in het kader van schoolinnovaties, verricht door docent-onderzoekers, over curriculum voor het aanleren van onderzoeksvaardigheden aan leerlingen (alfa-, bèta- en gamma-domeinen).

Context

De scholen waar de docent-onderzoekers werken willen een doorlopende leerlijn onderzoek invoeren, zodat leerlingen geleidelijk aan leren om, in toenemende mate van zelfstandigheid, onderzoek te doen (Metz, 2004; Van der Rijst, 2009). Hiertoe hebben de docent-onderzoekers interventies ontwikkeld en uitgevoerd (looptijd van drie jaar).

Doel

Het doel van dit onderzoek is om in kaart te brengen welke belemmeringen docent-onderzoekers ondervonden bij het invoeren van schoolinnovaties met betrekking tot een doorlopende onderzoeksleerlijn (Aarsen & Van der Valk, 2008; Van der Klink, 2012; Waslander, 2007). Vervolgens worden aanbevelingen geformuleerd om curriculuminnovaties zo gemakkelijk mogelijk in te kunnen voeren.

Relevantie onderwijspraktijk

Studenten die van de lerarenopleiding komen zouden – in principe – ‘de leraar van de toekomst’ moeten zijn en dus opgeleid om onderwijsontwikkelingen (binnen hun vakgebied) te bedenken en uit te voeren. Deze studie biedt inzicht in welke belemmeringen toekomstige docenten kunnen tegenkomen bij het invoeren van dergelijke innovaties.

Methode

Data voor deze meervoudige case studie is door de onderzoekers verzameld via: gesprekken tijdens schoolbezoeken, gezamenlijke bijeenkomsten met de docent-onderzoekers en door de docent-onderzoekers aangeleverde documenten. Per school is een narratief geschreven waaruit de aanbevelingen voor de praktijk zijn opgemaakt.

De resultaten laten zien dat docent-onderzoekers tegen de volgende uitdagingen aanliepen: (1) zicht krijgen op doel van het project waarbinnen de interventies plaatsvinden; (2) het project zichtbaar krijgen binnen de school; (3) collega’s (inclusief schoolleiding) enthousiasmeren en meekrijgen; en (4) een blijvende focus op het project houden binnen de school.

1. Op basis van het onderzoek worden de volgende aanbevelingen gedaan voor de praktijk:

2. Maak van tevoren goede afspraken over facilitering in termen van geld en tijd.

3. Ga pas van start als je voldoende steun ervaart vanuit de schoolleiding.

4. Probeer steun te vinden bij andere collega’s, (door persoonlijk contact en gebruikmaken van reguliere overlegstructuren binnen de school).

Breng en houd het project breed onder de aandacht.

Activering deelnemers en organisatie van de bijdrage

De korte presentatie eindigt met een prikkelende teaser (discussiepunt), waarover direct daarna een plenaire discussie zal plaatsvinden. Na afloop van alle bijdragen in de sessie, is er gelegenheid om nader in discussie te gaan over deze presentatie.

Discussiepunt

Hoe kunnen lerarenopleiders studenten zo opleiden, dat ze – ondanks de “waan van de alledaagse schoolpraktijk” – kunnen zorgen dat ze optimaal gefaciliteerd worden bij het invoeren van schoolinnovaties?

Uit dit project blijkt faciliteren in taakuren niet afdoende. Er is behoefte aan gezamenlijke overlegmomenten en gelegenheid om de tijd te nemen om over de innovatie na te denken. Dit werd door docent-onderzoekers als zeer gewenst maar niet haalbaar ervaren. Het zou waardevol zijn als hier tijdens de lerarenopleiding aandacht voor is, zodat leraren later niet voor verrassingen komen te staan en ze handvatten hebben om een gewenste innovatie-omgeving te creëren.

Leraren van de toekomst: flexibele professionals
Docent-onderzoekers, Schoolinnovaties, Uitdagingen

Psychologisch flexibel, een must voor de lerarenopleider?

Workshop19Monique Bekker, BOC-Onderwijsadvies, BADHOEVEDORP

Dansstudiodi 14:45 - 16:15

Abstract

In deze workshop maak je kennis met 6 verschillende kernprocessen van ACT. Dit doe je door zelf te ervaren door middel van oefeningen, verhalen, metaforen en paradoxen.De kernprocessen zijn Acceptatie, Defusie, Hier en Nu, Zelf als context, Waarden en Toegewijd handelen. De interventies vanuit de kernprocessen zijn gericht op het vergroten van iemands psychologische flexibiliteit. Deelnemers worden aangemoedigd op zoek te gaan naar nieuwe ervaringen, die iets buiten de eigen comfort-zone liggen. Dit is belangrijk omdat ACT niet zozeer in eerste instantie een beroep doet op ‘begrijpen’ en ‘technische begeleiders vaardigheden’, maar meer op een andere manier van in het leven staan, die nieuwe perspectieven opent. Aansluitend wordt het belang voor lerarenopleiders besproken vanuit het ‘agogisch bekwaam’ zijn.

Korte beschrijving Maak kennis met ACT, en vergroot je psychologische flexibiliteit, door onder ogen te zien wat je liever niet wil denken, voelen en zijn. De weg hier naar toe voert via zes zuilen: Acceptatie en bereidheid, Defusie, Contact in het ‘hier en nu’, Zelf als context, Waarden en Toegewijde actie. Tekst

Praktijk:

‘Nee niet doen, die workshop over ACT en psychologische flexibiliteit, op het congres voor lerarenopleiders. Dat lukt je niet, er is niemand in geïnteresseerd, sterker nog… de selectiecommissie vind jouw abstract vast waardeloos’….

Wie herkent dit niet…, ratelende gedachten, die je vooral afraden te doen waar je plezier in hebt. Een van de meest aansprekende oefeningen uit de ACT benadering is daarom ‘geef je verstand een naam'. De mijne heet Loes, en ze heeft me nu al bijna zo ver dat ik af zie van mijn missie om lerarenopleiders kennis te laten maken met Acceptance en Commitment Therapy, ACT genaamd. ACT

Waarom zouden lerarenopleiders kennis nemen van ACT. Het suggereert een therapie te zijn, en dit lijkt voorbehouden te zijn aan psychologen. Helaas spelen veel processen, die persoonlijke ontwikkeling (en daarmee professionele ontwikkeling) belemmeren, zich voor onze ogen af. Soms zijn wij als opleider de enige waarbij de student, of startende leraar, zijn verhaal kwijt kan. Uit recent onderzoek van Schaufeli (2018) blijkt dat de kans op overbelasting en burnout helaas meer bij leraren voorkomt dan bij andere doelgroepen. Ook zijn degene waar tussen wij opleiden meestal jong, zowel de leerlingen, de studenten en onze startende collega’s. Daarom hoopt één van de Nederlandse grondleggers van de ACT, Gijs Jansen, dat zo veel mogelijk opleiders bekend raken met de ACT, zodat vooral jonge mensen in het VO en het MBO bekend raken met de technieken en uitgangspunten. In België wordt momenteel een loopbaantool ontwikkeld, waarin ACT een belangrijke rol speelt (https://act-in-lob.eu/MEDIA/doc/informatie%20over%20het%20onderzoek.pdf).

De focus van ACT ligt op het vergroten van de psychologische flexibiliteit; het opgeven van de strijd tegen alles wat je liever niet wil denken, voelen en zijn (Jansen, 2018). De weg hier naar toe voert via zes zuilen:het ACT-hexaflex. Deze illustreert mooi hoe alle ACT-processen met elkaar in verband staan en samen psychologische flexibiliteit vormen.

Betekenis van deze zuilen in het kort:

- Acceptatie: Het actief uitnodigen van vervelende gedachten, gevoelens, omstandigheden. - Defusie: Loskomen van je gedachten, zodat deze je minder snel zullen raken. - Hier en nu: Contact maken met het hier en nu.

- Zelf als Context: Een andere, meer flexibele relatie met jezelf creëren. - Waarden: Ontdekken wat werkelijk belangrijk is in het leven. - Toegewijd Handelen: op basis van je waarden. Context en Doel: Lerarenopleiders zijn agogisch bekwaam. Veel agogische 'tools' komen uit de psychologie. Een (relatief) nieuwe vorm van begeleiden komt voort uit ACT en is voor lerarenopleiders de moeite waard om kennis mee te maken. Activering en Organisatie: We starten met bereidheid door het doen van een confronterende oefening. Vervolgens experimenteren we met defusie: gedachten ontkoppelen we daarmee van gevoel en gedrag. Het ‘zelf’ verkennen we , wie ben ik dan als ik niet mijn gedachten en gevoelens ben? . Tot slot vullen we de ‘waardenlijst’ in, ontdekken we hoe psychologisch flexibel we zijn en op welke wijze we de uitgangspunten van ACT kunnen inzetten bij het begeleiden van (aanstaande) leraren. Discussiepunt: 'Welke spiegel houden wij aanstaande en startende leraren voor?'

Leraren van de toekomst: flexibele professionals
ACT, Gijs Jansen, psychologisch flexibel

Verbindend leven en leren in de stad

Uitnodigende praktijkvoorbeelden158Leene Leyssen, UC Leuven-Limburg, LEUVEN

De Verdiepingdi 14:45 - 16:15

Abstract

‘Community Service Learning, ook wel 'leren door maatschappelijk engagement' genoemd is een ervaringsgerichte onderwijsvorm waarin dienen, reflecteren en leren centraal staan. Studenten dienen de maatschappij door zich in een concrete gemeenschap te engageren. Ze reflecteren daarbij op een gestructureerde wijze over hun ervaringen, en aldus leren ze op maatschappelijk en persoonlijk vlak. CSL kan plaatsvinden in het werkveld waartoe studenten worden opgeleid, maar evenzeer in aanpalende werkvelden. Community-service-learning draagt bij tot een brede persoonsontwikkeling: zowel inhoudelijke, sociale en persoonlijke kennis en vaardigheden worden aangesproken. Ze groeien in verantwoordelijkheids- en kritische zin.’#_ftn1

‘Een brede school is een samenwerkingsverband tussen verschillende sectoren die samenwerken aan een brede leer- en leefomgeving in de vrije tijd en op school met als doel maximale ontwikkelingskansen voor alle jongeren.’ #_ftn2

Aan de hand van een descriptief case studie-onderzoek willen we nagaan hoe lerarenopleidingen uitgebouwd kunnen worden tot een ‘brede lerarenopleiding’ via Community Service Learning (CSL). We starten met een onderzoeksdefiniëring via bronnenonderzoek. Door studenten case studies te laten uitvoeren genereren we narratieve gegevens over samenwerkingsverbanden, -mogelijkheden en de mogelijke winst bij de verschillende stakeholders.

Ons onderzoek resulteert in aanbevelingen om brede lerarenopleidingen uit te bouwen via Community Service Learing.

#_ftnref1 https://www.kuleuven.be/onderwijs/sl

#_ftnref2 https://www.bredeschool.org

Korte beschrijving

De methodiek van CSL stimuleert het vergroten van de maatschappelijke betrokkenheid van studenten lerarenopleiding door reflectie. Voor de lerarenopleiding biedt het kansen om brede partnerschappen aan te gaan met buitenschoolse organisaties die een win-win opleveren voor alle betrokkenen. De inhoud past dus bij thema 4.

Tekst - Onderwerp; Verbindend leven en leren in de stad - Context; Community Service Learning is momenteel erg actueel in Vlaanderen. Zowel de universiteiten (KULeuven, RUGent, VUB,…) als verschillende hogescholen (Odisee, Artevelde, Thomas More,…) integreerden CSL al in hun curriculum en maken het tot onderwerp van onderzoek. Ook het basis- en secundair onderwijs springt op de kar. Op 19 september 2018 werd het ‘Charter Community Service Learning’ tussen de overheid (de minister van Volksgezondheid, welzijn en gezin), het werkveld, de solidariteitsorganisaties en Katholiek onderwijs Vlaanderen ondertekend. Op internationaal vlak beweegt er ook allerlei. Zo heb je o.a. het International Association for Research on Service-Learning & Community Engagement, de Canadian Alliance for Community Service –Learning,... Vanuit het departement onderwijs wordt CSL als een must voor de lerarenopleiding naar voren geschoven . Om het belang van dit alles voor de leraren te benadrukken hebben Vlaams minister van Onderwijs Hilde Crevits en de lerarenopleidingen van de Vlaamse hogescholen, verenigd in de Vlaamse Hogescholenraad (VLHORA), op 9 september 2015 een platformtekst ‘Leren door Maatschappelijk Engagement’ ondertekend. Hiermee onderschrijven ze de doelstellingen van deze vorm van leren, en wijzen ze op het belang ervan voor student, leraar en maatschappij. Bovendien onderstrepen de minister en de lerarenopleidingen op die manier expliciet de sociale en maatschappelijke betrokkenheid van de lerarenopleidingen en van de toekomstige leraar. De inzet is breed: taalpromotie of –ondersteuning, leer-, opvoedings- en huiswerkbegeleiding, begeleiding bij het studiekeuzeproces, gezondheidspromotie, culturele vorming, sociale en emotionele ondersteuning en schoolopbouwwerk. In ons vooronderzoek botsten we op volgende opportuniteit: de link tussen CSL en het concept ‘brede school’. We onderzoeken welke relatie er bestaat tussen de 2 concepten. Ook rond ‘brede school’ is er heel wat informatie en good practice voorhanden, dit echter vooral voor basis- en secundair onderwijs. Ook voor een lerarenopleiding kan het kansen inhouden om brede partnerschappen aan te gaan die een win-win opleveren voor alle betrokkenen: opleiding, externe partners en studenten. We onderzoeken hoe we via CSL een brede lerarenopleiding kunnen opbouwen. Aan dit onderzoek is het opleidingsonderdeel ‘zoom out’ verbonden waarin studenten aan CSL doen in een aantal welzijnsorganisaties. Via reflectie werken ze aan persoonlijke-, maatschappelijke- en academische competenties. Aan de hand van de contacten die de studenten opbouwen onderzoeken wij hoe we de expertise van de betrokken organisaties kunnen inzetten om aan een brede lerarenopleiding te bouwen. - Doel; We willen in onze sessie lerarenopleiders inspireren met onze ervaringen over hoe studenten via CSL mee aan een brede lerarenopleiding kunnen bouwen. - Centrale uitdaging/probleem en verloop van de practice; Voorstelling en situering van het onderzoek en het opleidingsonderdeel en expertisedeling over persoonlijke- en maatschappelijke competenties van leraren en studenten lerarenopleiding. - Belangrijkste opbrengst; We willen zelf meer inzicht krijgen in het ontwikkelen van persoonlijke- en maatschappelijke competenties bij studenten. - Activering deelnemers tijdens presentatie; Via uitwisseling van expertise - Discussiepunt. Definiëren van persoonlijke en maatschappelijke competenties. Wat zijn deze? Hoe versterk je ze? Welke ervaringen hebben andere deelnemers op dit vlak?

Maatschappij van morgen: diversiteit en urban education
Brede school, Community Service Learning (CSL)

Inclusieve seksuele vorming

Onderzoekspresentatie: individueel26Mathieu Heemelaar, Haagse Hogeschool, DEN HAAG

De Verdiepingdi 14:45 - 16:15

Abstract

Inclusieve seksuele vorming

Het onderwijs over seksuele vorming en seksuele diversiteit is in beweging. Sociale veiligheid met inbegrip van seksuele diversiteit is al aangevuld in de kennisbasis voor de Tweedegraads. De kerndoelen van het PO en VO over seksuele en genderdiversiteit (SGD) worden voor eind 2019 aangescherpt (van Engelshoven 2018). Daarin dient de sociale acceptatie en veiligheid van lesbische vrouwen, homoseksuele mannen, biseksuele en transgenderpersonen en mensen met een intersekse conditie (LHBTI) op school, door directie (beleid), docenten en leerlingen bevorderd te worden. Inclusiviteit in beleid en curriculum is een voorwaarde voor gezonde seksuele ontwikkeling van LHBTI-leerlingen. Deze groep loopt nu een onevenredig groot risico op psychische problemen, zoals een hoog suïcide-risico.

In deze presentatie komen de volgende thema’s aan bod.

De maatschappelijke acceptatie van SGDHet onderwijs aan de tweedegraads lerarenopleidingen en de Pabo over SGDDe ontwikkeling van het nieuwe kerndoelEen voorstel voor een nieuwe formulering van de kerndoelen PO, SO en VOEen voorstel voor een nieuw curriculum LHBTI-inclusieve seksuele vorming voor de lerarenopleidingen

Engelshoven, I. van (2018). Emancipatienota 2018-2021. Principes in de praktijk. Den Haag: Ministerie OC&W. Geraadpleegd van www.rijksoverheid.nl op 25-10-18

Korte beschrijving zie de abstract Tekst zie de abstract

Maatschappij van morgen: diversiteit en urban education
burgerschapsvorming, seksuele diversiteit, seksuele en relationele vorming

Meertaligheid als troef voor krachtig onderwijs in de grootstad

Onderzoekspresentatie: individueel69Anouk Vanherf, Erasmushogeschool Brussel, BRUSSEL

De Verdiepingdi 14:45 - 16:15

Abstract

Het driejarige project ‘Meertaligheid als troef voor krachtig onderwijs in de grootstad’ is één van de onderzoekslijnen van het Kenniscentrum Urban Coaching & Education (departement Onderwijs & Pedagogie, EhB). De opleiding Leerkracht Lager Onderwijs zet met dit onderzoek in op het valoriseren van thuistalen, zowel in de eigen onderwijspraktijk, als in het werkveld. Het onderzoek beoogt de inventarisatie van de randvoorwaarden om een krachtige meertalige leeromgeving te realiseren in het Nederlandstalig onderwijs in Brussel. Deelnemers aan het onderzoek zijn Brusselse partnerscholen van de lerarenopleiding Lager Onderwijs. Studenten worden ingeschakeld om data te verzamelen via semigestructureerde interviews en enquêtes bij leerkrachten, leerlingen en ouders. Ook worden focusgesprekken gehouden met de leerkrachtenteams over kennis, ervaring en omgang met talige diversiteit op school. Verder introduceerden studenten meertalige pedagogieën als talensensibilisering en translanguaging in de scholen. In functie van de betrouwbaarheid werden studenten opgeleid en begeleid in de aanpak om deze meertalige pedagogieën in te zetten in de klaspraktijk. In deze presentatie worden de inventarisatie en analyse van de leerkrachthouding ten opzichte van talige diversiteit in de Brusselse onderwijscontext toegelicht. We gaan ook in op de effecten van inspirerende ‘goede praktijken’ van meertalige pedagogieën op leerlingen, student-leerkrachten en het leerkrachtenteam van de deelnemende scholen.

Korte beschrijving

Gelegen in de grootstedelijke, meertalige context wil het departement Onderwijs & Pedagogie (EhB) voortrekker zijn in het debat over het omgaan met meertaligheid in het onderwijs. De presentatie belicht het actieonderzoek over het valoriseren van thuistalen van leerlingen. De focus ligt op de samenwerking tussen lerarenopleiding, studenten en het werkveld.

Tekst

Het project ‘Meertaligheid als troef voor krachtig onderwijs in de grootstad’ is één van de vijf onderzoekslijnen van het Kenniscentrum Urban Coaching & Education (departement Onderwijs & Pedagogie, EhB). De opleiding Leerkracht Lager Onderwijs zet met dit onderzoeksproject in op het valoriseren van meertaligheid, zowel in de eigen onderwijspraktijk, als in het werkveld. Als Brusselse hogeschool beschouwt EhB het als haar kernopdracht om competente studenten af te leveren voor de grootstedelijke, meertalige onderwijsrealiteit. Het actieonderzoek wil de wetenschappelijke inzichten over het valoriseren van meertalige achtergronden van kinderen vertalen naar de concrete klascontext. Ook in de eigen onderwijspraktijk, wil de lerarenopleiding de meertalige repertoires van de eigen studenten waarderen en inzetten in het didactische handelen. De instroom in de lerarenopleiding is immers steeds meer een afspiegeling van de grootstedelijke realiteit. Het project slaat daarom de handen in elkaar met studenten van de lerarenopleiding Lager Onderwijs en Nederlandstalige basisscholen in Brussel. Wetenschappelijk onderzoek heeft de meerwaarde aangetoond van het valoriseren van thuistalen voor het welbevinden en het leerproces van meertalige kinderen (Cummins, 2002; Hélot, 2006). Het eentalige denken domineert echter nog steeds, ook bij leerkrachten in grootstedelijke onderwijscontexten (Van Avermaet, 2016). Lerarenopleidingen zijn de motor voor innovaties in het meertalige denken en voor het klaarstomen van leerkrachten die fungeren als 'change agents' (Garcia & Wei, 2014). Theoretische inzichten en goede praktijken over talensensibilisering en translanguaging (Chumak-Horbatsch, 2012; Garcia & Wei, 2014) bieden inspiratie voor de praktische uitwerking van het onderzoek. Het project inventariseert de voorwaarden die noodzakelijk zijn om in de concrete onderwijspraktijk een krachtige meertalige leeromgeving te creëren. Enerzijds ligt de focus op het bewustwordingsproces bij educatieve professionals, anderzijds wordt onderzocht hoe meertalige pedagogieën succesvol geïntroduceerd kunnen worden in de onderwijspraktijk. In het eerste projectjaar 17-18 brachten studenten en onderzoekers de beginsituatie in kaart aan de hand van enquêtes en semigestructureerde interviews met leerkrachten (n=17), leerlingen en ouders. Verder integreerden studenten gedurende langere stageperiodes activiteiten rond talensensibilisering in hun klaspraktijk en introduceerden zij de meertalige didactiek translanguaging of ‘functioneel veeltalig leren’. In het tweede projectjaar 18-19 wordt in focusgesprekken met de leerkrachtenteams verder gepeild naar kennis, ervaring en omgang met meertalige pedagogieën en meertalige taalverwerving. In co-creatie met een aantal leerkrachten – de mentoren van de studenten – worden de meertalige pedagogieën verder uitgediept en geïntegreerd in de praktijk. Hierbij ligt de nadruk op het effectief inzetten van thuistalen om het leerproces en de taalvaardigheid Nederlands van de kinderen te versterken (translanguaging). In de sessie worden de data uit de kwalitatieve inventarisatie gepresenteerd en wordt de analyse toegelicht van de voorwaarden die een krachtige meertalige leeromgeving mogelijk maken. Ook wordt een overzicht gegeven van goede praktijken van meertalige pedagogieën. Op het moment van het congres is het onderzoek halfweg. De resultaten zijn dus een tussentijdse stand van zaken. Tijdens en na de presentatie is er ruimte voor feedback en ervaringen van deelnemers. Discussiepunt: Hoe creëren we een goed evenwicht tussen het integreren van de thuistalen van meertalige leerlingen en het garanderen van voldoende input en spreekruimte voor het Nederlands.

Maatschappij van morgen: diversiteit en urban education
meertaligheid, thuistalen

Onderzoeksvaardigheden voor docenten – de weg naar een beter profielwerkstuk?

Ronde en hoekige tafelgesprekken103Janneke van der Loo, Tilburg University, TILBURG

Emma de Jongzaal - tafel 1di 14:45 - 16:15

Abstract

Het profielwerkstuk (PWS) is een meesterproef waarin leerlingen kunnen laten zien wat ze in huis hebben, en potentieel een goede voorbereiding op een vervolgstudie in het hoger onderwijs. Toch heeft het PWS op veel scholen nog een ondergesneeuwde positie: leerlingen ervaren het als iets wat nog afgevinkt moet worden en docenten klagen steen en been over de kwaliteit van de profielwerkstukken (Huijgens, 2014). Om een goed PWS te kunnen maken, moeten leerlingen én docenten met verschillende onderzoeksprocessen vertrouwd zijn. Uit netwerkbijeenkomsten met docenten uit het voortgezet onderwijs merken we dat er veel docenten zijn die zich onzeker voelen in hun rol als begeleider bij het PWS. Om docenten beter voor te bereiden op hun taak als PWS-begeleider zijn we bij de Universitaire Lerarenopleiding Tilburg bezig met het opzetten van een cursus Onderzoeksvaardigheden voor Docenten. Tijdens onze sessie leggen wij een eerste versie van onze cursus Onderzoeksvaardigheden voor aan de deelnemers. Wij willen hierbij graag feedback van de deelnemers op de inhoud en opzet van de cursus. Hiermee hopen wij onze cursus te kunnen verbeteren. Daarnaast hopen wij dat de sessie ook inspiratie biedt voor opleiders van andere instellingen die overwegen hiermee aan het werk te gaan.

Korte beschrijving

Uit netwerkbijeenkomsten met VO-docenten merken we dat veel docenten zich onzeker voelen in hun rol als PWS-begeleider, vooral op het gebied van onderzoeksvaardigheden. Daarom is de Universitaire Lerarenopleiding Tilburg bezig met het ontwikkelen van een cursus Onderzoeksvaardigheden voor vo-docenten. Tijdens onze sessie presenteren wij een eerste versie van onze cursus.

Tekst

Praktijk van waaruit ingediend;

Universitaire Lerarenopleiding Tilburg

Onderwerp;

Het trainen van onderzoeksvaardigheden bij docenten: de weg naar een beter profielwerkstuk?

Context;

Het profielwerkstuk (PWS) is een meesterproef waarin leerlingen kunnen laten zien wat ze in huis hebben, en potentieel een goede voorbereiding op een vervolgstudie in het hoger onderwijs. Toch heeft het PWS op veel scholen nog een ondergesneeuwde positie: leerlingen ervaren het als iets wat nog afgevinkt moet worden en docenten klagen steen en been over de kwaliteit van de profielwerkstukken (Huijgens, 2014). Om een goed PWS te kunnen maken, moeten leerlingen én docenten moeten met verschillende onderzoeksprocessen vertrouwd zijn. Uit netwerkbijeenkomsten met docenten uit het voortgezet onderwijs merken we dat er veel docenten zijn die zich onzeker voelen in hun rol als begeleider bij het PWS. Om docenten beter voor te bereiden op hun taak als PWS-begeleider zijn we bij de Universitaire Lerarenopleiding Tilburg bezig met het opzetten van een cursus Onderzoeksvaardigheden voor Docenten. Tijdens onze sessie leggen wij een eerste versie van onze cursus Onderzoeksvaardigheden voor aan de deelnemers. Wij willen hierbij graag feedback van de deelnemers op de inhoud en opzet van de cursus. Hiermee hopen wij onze cursus te kunnen verbeteren. Daarnaast hopen wij dat de sessie ook inspiratie biedt voor opleiders van andere instellingen die overwegen hiermee aan het werk te gaan.

Praktische en/of beleidsmatige relevantie;

Met de cursus Onderzoeksvaardigheden willen wij, via de expertise die er is binnen de universiteit, docenten beter voorbereiden op hun rol als PWS-begeleider, zodat zij hun kennis en vaardigheden kunnen overbrengen op de leerlingen die zij begeleiden, zodat die leerlingen een kwalitatief sterk PWS kunnen maken. Hierdoor hopen we de aansluiting voortgezet onderwijs-hoger onderwijs iets te verbeteren.

Activering deelnemers;

De deelnemers kunnen enkele onderdelen van de cursus Onderzoeksvaardigheden zelf ervaren en hen wordt gevraagd om inhoudelijke feedback te geven op bijv. de onderwerpen die onderwerpen die aan bod komen tijdens de cursus (wat moet er wel/niet in?) en de werkvormen die gebruikt worden.

Discussiepunt;

In hoeverre is samenwerking gewenst tussen lerarenopleidingen als het gaat om (na)scholing van docenten op het gebied van onderzoeksvaardigheden?

Referenties;

Huijgen, T. (2014). Profielwerkstuk als brug naar de uni. Didactief Online. Geraadpleegd op https://didactiefonline.nl/artikel/profielwerkstuk-als-brug-naar-de-uni

SLO (2012). Van profielwerkstuk naar meesterproef. Lessen uit vijf SLO-profielmeesterstukwedstrijden 2008-2012. Geraadpleegd op http://downloads.slo.nl/Repository/van-profielwerkstuk-naar-meesterproef.pdf

Leraren van de toekomst: flexibele professionals
onderzoeksvaardigheden, profielwerkstuk

Curriculum.nu: welk onderwijsaanbod vragen leerlingen en wat kan dit voor leraren betekenen?

Ronde en hoekige tafelgesprekken128Nienke van Langeveld, Curriculum.nu, DEN HAAG

Emma de Jongzaal - tafel 1di 14:45 - 16:15

Abstract

Onder de noemer Curriculum.nu zijn leraren en schoolleiders vanuit het primair en voortgezet onderwijs gezamenlijk aan de slag met het maken van bouwstenen voor een toekomstgericht onderwijsaanbod voor leerlingen. Als we uitgaan van wat verschillende leerlingen nodig hebben, wat vraagt dit dan van de flexibiliteit en professionaliteit van leraren? Wat vraagt dit van lerarenopleidingen? Op dit moment geven lerarenopleidingen – naast andere belanghebbenden – feedback aan de leraren die bezig zijn om bouwstenen te maken voor nieuwe kerndoelen en eindtermen.

Er zal een medewerker vanuit het programmabureau vertellen over de stand van zaken. Iemand een ontwikkelteam of ontwikkelschool zal aanwezig zijn om te vertellen over hun eigen praktijkervaringen. Daarbij zullen zij ook ingaan wat dit traject doet met de beleving van hun eigen professionele groei. Op 18 april 2019 worden de opbrengsten van de ontwikkelteams en ontwikkelscholen aan de minister van OCW voorgelegd worden. Daarbij wordt ook een advies gegeven voor het vervolgtraject. In dat advies zal ook ingegaan worden op de verhouding met de lerarenopleidingen.

Korte beschrijving

Er zal een medewerker vanuit het programmabureau vertellen over de stand van zaken rond de curriculumherziening. Iemand een ontwikkelteam of ontwikkelschool zal aanwezig zijn om te vertellen over hun eigen praktijkervaringen. Daarbij zullen zij ook ingaan wat dit traject doet met de beleving van hun eigen professionele groei.

Tekst

Wat hebben onze leerlingen nodig om uit te groeien tot volwassenen die hun steentje bijdragen aan de samenleving, economisch zelfstandig zijn én met zelfvertrouwen in het leven staan? Hoe zorg je ervoor dat je als school een kind de juiste kennis en vaardigheden meegeeft? Deze vraag wordt onder docenten, schoolleiders en bestuurders regelmatig gesteld. Het is inmiddels 11 jaar geleden dat we in Nederland deze vraag hebben beantwoord voor het primair onderwijs en de onderbouw van het voortgezet onderwijs. In de tussentijd is het landelijk curriculum op punten wel aangepast, nu is het tijd om dit landelijk en in samenhang te doen. Wat willen we behouden, wat moeten we toevoegen en wat laten we los? Hoe houden we ruimte voor scholen om zelf het programma in te vullen, aansluitend op hun visie, leerlingen en omgeving? Onder de noemer Curriculum.nu zijn leraren en schoolleiders vanuit het primair en voortgezet onderwijs gezamenlijk aan de slag met het maken van bouwstenen voor een toekomstgericht onderwijsaanbod voor leerlingen. Als we uitgaan van wat verschillende leerlingen nodig hebben, wat vraagt dit dan van de flexibiliteit en professionaliteit van leraren? Wat vraagt dit van lerarenopleidingen? Op dit moment geven lerarenopleidingen – naast andere belanghebbenden – feedback aan de leraren die bezig zijn om bouwstenen te maken voor nieuwe kerndoelen en eindtermen. In vier ontwikkelsessies zijn de leraren en schoolleiders in 2018 met elkaar aan de slag gegaan om vanuit een breed gedragen visie te formuleren wat een kind moet kennen en kunnen. De tussenproducten worden in consultatiefases getoetst aan de gehele sector. In 2019 staat een laatste ontwikkelsessie op de agenda waarna de producten zullen worden aangeboden aan de minister van OCW. Daarbij wordt ook een advies gegeven voor het vervolgtraject. In dat advies zal ook ingegaan worden op de verhouding met de lerarenopleidingen. Wil je op de hoogte zijn van de recente ontwikkelingen binnen curriculum.nu? Ben je benieuwd wat dit voor jou als opleider en/of docent betekent? Kom dan naar onze rondetafelgesprekken. Er zal een medewerker vanuit het programmabureau vertellen over de stand van zaken. Iemand een ontwikkelteam of ontwikkelschool zal aanwezig zijn om te vertellen over hun eigen praktijkervaringen. Daarbij zullen zij ook ingaan wat dit traject doet met de beleving van hun eigen professionele groei.

Leraren van de toekomst: flexibele professionals
Curriculum.nu

Het curriculum rekenen-wiskunde voor het basisonderwijs; zijn we klaar voor de toekomst?

Ronde en hoekige tafelgesprekken146Anneke Wösten, Katholieke Pabo Zwolle, ZWOLLE

Emma de Jongzaal - tafel 1di 14:45 - 16:15

Abstract

Zowel wetenschappers als beleidsmakers roepen op tot een aanpassing van het curriculum, opdat het meer recht doet aan het wiskundig denken gebaseerd op de conceptuele basis van de wiskunde.

In de huidige lerarenopleiding primair onderwijs worden leraren opgeleid tot generalisten met een brede basis in pedagogische- en vakinhoudelijke kennis. Om in het onderwijs van de toekomst tegemoet te komen aan de onderwijsbehoefte van leerlingen, zijn leraren nodig die doelen en werkvormen flexibel kunnen inzetten. Voor het vak rekenen betekent dit het zien van (wiskundige) kansen en het zien van relaties binnen de leerstof en tussen de vakgebieden. Dit vraagt veel vakkennis van leraren.

Het lijkt dan ook relevant te zijn in het opleidingsonderwijs expliciete aandacht te besteden aan meer geavanceerde conceptuele wiskundige doelen en hoe deze te integreren in de rekenlessen op de basisschool.

Na een korte presentatie zullen we gezamenlijk mogelijkheden en perspectieven verkennen betreffende de vraag op welke wijze binnen het bachelor curriculum rekenen-wiskunde voor de basisschool geborgd kan worden, zodat de leraar van de toekomst voldoende vakkennis in huis heeft om flexibel af te stemmen op de onderwijsbehoefte van zijn leerlingen.

Korte beschrijving

Om in het onderwijs van de toekomst tegemoet te komen aan de onderwijsbehoefte van leerlingen, zijn leraren nodig die doelen en werkvormen flexibel kunnen inzetten. Deze ronde tafel wil inzoomen op de mogelijkheden en perspectieven met betrekking tot de vraag met welke inhouden het reken-wiskunde curriculum toekomstbestendig zal zijn. Tekst

Praktijk van waaruit ingediend

Op de lerarenopleiding primair onderwijs worden leraren opgeleid tot generalisten met een brede basis in pedagogische- en vakinhoudelijke kennis. Hoewel specialisaties met vakinhoudelijke verdieping mogelijk zijn, is het niet mogelijk tot eenzelfde vakinhoudelijke verdieping te komen, zoals bij de lerarenopleiding voorgezet onderwijs plaatsvindt.

Onderwerp

Om in het onderwijs van de toekomst tegemoet te komen aan de onderwijsbehoefte van leerlingen, zijn leraren nodig die doelen en werkvormen flexibel kunnen inzetten. Het zien van (wiskundige) kansen en het zien van relaties binnen de leerstof en tussen de vakgebieden vraagt veel vakkennis van leraren.

Context

Gravemeijer, Bruin-Muurling, Kraemer en van Stiphout (2016) spreken hun zorgen uit over de taakgeneigdheid in het Nederlandse reken-wiskunde onderwijs welke zich uit in het gebrek aan aandacht voor geavanceerde conceptuele wiskundige doelen in het Nederlandse curriculum en het gericht werken aan procedurele doelen. Ook beleidsmakers onderkennen deze zorg. Men waarschuwt voor een te eenzijdige nadruk op procedurele kennis ten koste van conceptuele kennis. Zij geven aan dat er in het nieuw te ontwikkelen curriculum aandacht moet komen voor het wiskundig denken gebaseerd op de conceptuele basis van de wiskunde. (SLO, 2018). Het lijkt dan ook relevant te zijn binnen het reken-wiskundeonderwijs op de lerarenopleiding basisonderwijs expliciete aandacht te besteden aan meer geavanceerde conceptuele wiskundige doelen en de wijze van integratie in het bestaande onderwijsaanbod.

Doel

Deze ronde tafel wil gezamenlijk de mogelijkheden en de perspectieven verkennen met betrekking tot de vraag of het huidige reken-wiskunde curriculum voor de pabo toekomstbestendig is en op welke wijze conceptueel wiskundig begrip in de opleiding vorm kan krijgen.

Praktische en/of beleidsmatige relevantie

Het aandeel Nederlandse leerlingen dat op hoog of geavanceerd niveau rekent loopt terug (Inspectie van Onderwijs, 2018). De huidige reken-wiskunde methoden bieden zowel voor midden als hoog presterende leerlingen onvoldoende uitdaging. (Inter)nationaal klinkt de oproep tot een aangepast curriculum waarbij aandacht is voor conceptueel begrip en hogere denkvaardigheden, die, mits goed aangestuurd door de leraar, mogelijk een hoger aandeel leerlingen de kans biedt op 1S niveau te presteren.

Daarnaast is er onder leraren een sterke afhankelijkheid van rekenmethoden (Folmer, Koopmans-Van Noorel, & Kuiper,2017). Deze methoden bieden in het huidige aanbod over het algemeen een vast pakket in differentiatiemogelijkheden. Bij het invoeren van een vernieuwd curriculum komen ook kansen voor het opleiden tot nieuwe en meer flexibele vormen van differentiatie.

Activering deelnemers

Na een korte presentatie over de problemen die zowel in beleidsstukken als in de opleidingspraktijk worden ervaren met betrekking tot de wijzigingen in de vormgeving van het reken/wiskundeonderwijs, zullen deelnemers uitgenodigd worden om gezamenlijk mogelijkheden en perspectieven te verkennen.

Discussiepunt

Op welke wijze kan in het bachelor curriculum rekenen-wiskunde voor de basisschool geborgd worden dat de leraar van de toekomst voldoende vakkennis in huis heeft om flexibel af te stemmen op de onderwijsbehoefte van zijn leerlingen

Leraren van de toekomst: flexibele professionals
Conceptueel wiskundig begrip, Curriculum rekenen-wiskunde pabo, Vakinhoudelijke kennis

Klassengesprekken over controversiële onderwerpen

Ronde en hoekige tafelgesprekken124Dubravka Knežic, Hogeschool van Amsterdam, AMSTERDAM

Emma de Jongzaal - tafel 2di 14:45 - 16:15

Abstract

Klassengesprekken over controversiële onderwerpen is een lopend ontwikkel-en-onderzoeksproject. Vanuit literatuur over klassikale discussie rondom burgerschapsvorming en de pilot op een aantal Amsterdamse VO en mbo-scholen, hebben we een vijftal principes van een geslaagd klassengesprek gedestilleerd. Daarbij hebben we vier rollen kunnen identificeren die een docent kan vervullen tijdens het leiden van zo een gesprek. Uit het vooronderzoek leek dat het klassengesprek vaak doodslaat en oppervlakkig blijft, dat er weinig perspectieven aan de orde komen en dat de leraren weinig doorvragen en beperkt ingaan op wat leerlingen zeggen. Welke lessen kunnen we hieruit trekken voor lerarenopleidingen?

Korte beschrijving Het ronde tafelgesprek past binnen het thema van het congres vanwege de inhoud en steeds grotere urgentie daarvan .

Tekst

Het project Controversiële onderwerpen in de klas richt zich op sociale en culturele aspecten van burgerschap die naar vaardigheden, attitudes en kennis verwijst die mensen nodig hebben om op gelijkwaardige wijze deel te kunnen nemen aan de samenleving die zij gemeenschappelijk en in vrijheid vormgeven. Daarmee is burgerschap nauw verbonden met Nederlandse democratie en hebben waarden als vrijheid, gelijkheid, gemeenschapszin, solidariteit en rechtvaardigheid een centrale plek.

Burgerschapsvorming is er op gericht leerlingen te betrekken bij de samenleving en te leren omgaan met verschillen en conflicten die spelen in de samenleving. Hierbij speelt het ontwikkelen van een identiteit een belangrijke rol. Leerlingen doen dat in interactie met sociale groepen in sociale contexten. Het project richt zich op de interactie tijdens het behandelen van controversiële onderwerpen in de klas.

Met controversiële onderwerpen bedoelen we maatschappelijke onderwerpen

waarover stevige meningsverschillen bestaan;

die raken aan belangrijke maatschappelijke waarden;

die verbonden zijn met identiteit van mensen.

Binnen het project worden strategieën en enkele voorbeelden van uitgewerkte lessen ontwikkeld waarin controversiële onderwerpen behandeld worden rondom doelen van burgerschapsvorming.

Aan een les over controversiële onderwerpen liggen bepaalde waarden ten grondslag die niet ter discussie worden gesteld. Een klassikaal gesprek kan gezien worden als een democratische praktijk gebaseerd op de grondslagen van een democratische samenleving (Hess & Avery, 2008; Schuitema et al, 2017) en is open voor alle deelnemers om hun mening in te brengen. Veel doelen die gesteld kunnen worden bij het lesgeven over controversiële onderwerpen vereisen competentie bij leerlingen die hun in staat stelt om op een democratische wijze met elkaar in gesprek te gaan. De competentie noemen we kritisch denken in de dialoog over controversiële onderwerpen, zie Tabel 1. Het gaat om specifieke kennis, vaardigheden en houding die in een dialoog samenhangend gerealiseerd worden.

De context van het project is lerarenopleiding, VO en het mbo.

Het doel van het gesprek is van gedachten wisselen met de collega’s lerarenopleiders en VO en mbo leraren

Na een korte presentatie van maximaal vijf minuten is de bedoeling dat een gesprek ontstaat rondom het volgende discussiepunt: Wat kunnen we in de lerarenopleiding doen aan het vergroten van de vaardigheden van de leraren in het voeren van klassengesprekken en dan in het bijzonder over controversiële onderwerpen?

Maatschappij van morgen: diversiteit en urban education
Burgerschap, Controversiële onderwerpen, Klassengesprekken

Let's go urban

Ronde en hoekige tafelgesprekken63Gytha Burman, Universiteit Antwerpen, ANTWERPEN

Emma de Jongzaal - tafel 2di 14:45 - 16:15

Abstract

Het onderwijs heeft nood aan leraren die buiten hun klas of school kunnen kijken naar de wereld waarin jongeren leven. Zo kunnen ze de jongeren in hun klas beter begrijpen en zullen ze er beter in slagen verbindingen te creëren. In de gepolariseerde wereld waarin we vandaag leven is er meer dan ooit nood aan leraren die verbindend kunnen werken.

Let’s Go Urban (LGU) is een jongerenorganisatie voor kinderen en jongeren tussen de 6 en 30 jaar. Meer dan alleen een aanbieder van vrijetijdsactiviteiten, profileert LGU zich als een urban family die jongeren met verschillende etnisch-culturele, sociaal-economische en religieuze achtergronden samenbrengt. Vanuit de vraag van de jongeren is er een aanbod in de 4 E’s ontstaan: Education, Empowerment, Entrepeneurship en Employment. LGU wil graag samenwerken met scholen en leraren die zich mee achter de visie van de 4 E’s scharen. Zo kunnen complementaire samenwerkingsverbanden ontstaan.

De vraag die we samen met LGU op dit tafelgesprek willen voorleggen, is: “Hoe zorgen we dat leraren professionals zijn die in contact staan met partners buiten de schoolcontext opdat jongeren zich as a being kunnen ontwikkelen, en niet alleen binnen een bepaald vak? Wat voor leraren hebben we daarvoor nodig? In wat voor scholen?”

Korte beschrijving

Let’s go urban Academy (Urban Center Antwerp) vertrekt vanuit de visie Education, Empowerment, Entrepeneurship en Employment. Samen met vertegenwoordigers van de LGU Academy onderzoeken we hoe zij kunnen samenwerken met leraren en scholen.

Tekst

Het onderwijs bereidt kinderen en jongeren voor op het volwassen leven, waar zij een plek zullen innemen, als burger en als professional. Onze samenleving evolueert naar een plaats waarin superdiversiteit de norm wordt. Waar de woorden “superdiversiteit” en “grootstedelijkheid” eerder een connotatie van moeizaam verschil in zich dragen (“zo veel verschillen tussen de mensen” en “grootstedelijke problematieken”), verwijst de term “urban” naar een moderne, hippe manier van leven. Urban people zijn mensen die in grote steden wonen, de verschillen tussen de mensen als vanzelfsprekend zien, daar respect voor tonen en respect voor hun eigen manier van leven afdwingen door hun hip-zijn. Ze trekken zich niet veel aan van wat anderen van hen denken, want ze weten wat ze waard zijn. Ze zien taal maar als één mogelijk middel om te communiceren, want zijn vertrouwd met beeldcultuur op de social media. Ze gebruiken te pas en te onpas Engelse woorden in hun vocabulair, want Engels verbindt meer dan de Nederlandse taal.

Let’s Go Urban (LGU) is een jongerenorganisatie die inspeelt op die urban lifestyle, en ze ook versterkt. De organisatie werd in 2009 opgericht door Sihame El Kaouakibi, zelf een oud-danser. LGU biedt een naschools programma aan voor kinderen en jongeren tussen de 6 en 30 jaar. Ze volgen er lessen dans, muziek, sport of media. En ze worden er deel van de urban family. Meer dan alleen een aanbieder van vrijetijdsactiviteiten, profileert LGU zich immers als een grote familie die jongeren met verschillende etnisch-culturele, sociaal-economische en religieuze achtergronden samenbrengt. Vanuit de vraag van de jongeren is er een aanbod in de 4 E’s ontstaan: Education, Empowerment, Entrepeneurship en Employment. LGU wil graag samenwerken met scholen en leraren die zich mee achter de visie van de 4 E’s scharen. Zo kunnen complementaire samenwerkingsverbanden ontstaan. Samen kunnen we het verschil maken en staan we veel sterker.

Het onderwijs heeft nood aan leraren die buiten hun klas of school kunnen kijken naar de wereld waarin jongeren leven. Zo kunnen ze de jongeren in hun klas beter begrijpen en zullen ze er beter in slagen verbindingen te creëren. In de gepolariseerde wereld waarin we vandaag leven is er meer dan ooit nood aan leraren die verbindend kunnen werken: verbindingen faciliteren tussen de leerlingen, maar ook verbindingen creëren tussen “de lerarenwereld” (van kennis, wijsheden, taligheid en leerplannen) en die van de leerlingen (van social media, beeldcultuur, en vele vluchtige contacten). De vraag die we samen met LGU op dit tafelgesprek willen voorleggen, is: “Hoe zorgen we dat leraren professionals zijn die in contact staan met partners buiten de schoolcontext opdat jongeren zich as a being kunnen ontwikkelen, en niet alleen binnen een bepaald vak? Wat voor leraren hebben we daarvoor nodig? In wat voor scholen?”

LGU start in het voorjaar 2019 met een training voor leraren, nl. om hen te ondersteunen in hun opdracht om les te geven in an urban world.

Leraren van de toekomst: flexibele professionals
Verbindingen creëren

De ‘burger’ meester. Burgerschapsonderwijs en de complexe rol van de leerkracht

Ronde en hoekige tafelgesprekken68Jeroen van Waveren, Hogeschool iPabo, AMSTERDAM

Emma de Jongzaal - tafel 2di 14:45 - 16:15

Abstract

Sinds de invoering van burgerschapsonderwijs als verplicht onderdeel van het curriculum in het Nederlandse primair onderwijs, is er veel aandacht besteed aan deze ‘nieuwe’ opdracht voor het onderwijs. De leerkracht zou in het proces van vorming van de burger een dragende en centrale rol innemen (Onderwijsraad, 2011; Inspectie van het Onderwijs, 2017). Uit verschillende rapporten blijkt echter dat leerkrachten worstelen met de wijze waarop ze vorm en inhoud kunnen geven aan burgerschapsonderwijs (Onderwijsraad, 2012; Inspectie van het Onderwijs, 2017). Uit de eerste bevindingen van een kwalitatieve studie naar de opvattingen en ervaringen van leerkrachten met betrekking tot burgerschapsonderwijs, komt naar voren dat leerkrachten verschillende dilemma’s over hun eigen rol ervaren met betrekking tot burgerschapsonderwijs. Vooral de spanning tussen de autonomie van de leerling en daarmee de diversiteit enerzijds en het beeld dat de leerkracht heeft van de ‘goede’ burger anderzijds maken de rol van de leerkracht binnen burgerschapsonderwijs complex. In dit hoekige tafelgesprek zullen we met elkaar in gesprek gaan over deze dilemma’s en over de wijze waarop lerarenopleidingen in hun onderwijs aandacht kunnen besteden aan deze dilemma's.

Korte beschrijving

In dit hoekige tafelgesprek worden dilemma’s van leerkrachten over hun eigen rol besproken die zij ervaren binnen burgerschapsonderwijs. Als lerarenopleiders is het belangrijk om bewust te zijn van deze dilemma’s en gezamenlijk na te denken over de wijze waarop toekomstige leraren hierop voorbereid kunnen worden.

Tekst

- Praktijk van waaruit ingediend;

Burgerschapsonderwijs is sinds 2006 in Nederland een verplicht onderdeel van het curriculum in het Nederlandse primair onderwijs. Volgens de omschrijving in de Wet op Primair Onderwijs zouden scholen gericht moeten zijn op het bevorderen van actief burgerschap en sociale integratie bij de leerlingen (art. 8 lid 3 WPO). De leerkracht zou in het proces van vorming een dragende en centrale rol innemen (Onderwijsraad, 2011; Inspectie van het Onderwijs, 2017). Uit verschillende rapporten blijkt echter dat leerkrachten worstelen met de wijze waarop ze vorm en inhoud kunnen geven aan burgerschapsonderwijs (Onderwijsraad, 2012; Inspectie van het Onderwijs, 2017).

- Onderwerp;

In een kwalitatieve studie zijn verschillende leerkrachten bevraagd naar hun opvattingen en ervaringen met betrekking tot burgerschapsonderwijs. Uit de eerste bevindingen komt naar voren dat de leerkrachten tegen verschillende dilemma's en obstakels aanlopen. Zo ervaren leerkrachten dat er weinig tijd is om stil te staan bij burgerschapsthema's door de nadruk op vakken die getoetst worden. Daarnaast worstelen ze met de eigen rol binnen burgerschapsonderwijs. De leerkrachten benadrukken dat ze een voorbeeldrol hebben wanneer het gaat om burgerschapsonderwijs. Hierbij willen de leerkrachten enerzijds de leerling vormen naar een bepaald beeld dat ze hebben van de 'goede' burger en anderzijds benadrukken ze het belang van de autonomie van elke leerling. Deze autonomie maakt, volgens de leerkrachten, een belangrijk onderdeel uit van de diversiteit van de samenleving. Maar welke grenzen zitten er hieraan en wie bepaalt deze grenzen? Hier lijkt een spanning naar voren te komen tussen twee doeldomeinen van het onderwijs die door Biesta (2012) worden onderscheiden. Enerzijds het domein van de socialisatie, waarbij de leerling wordt gesocialiseerd binnen een bepaalde traditie met specifieke waarden en normen. Anderzijds wijst het domein van de subjectificatie waarbinnen de autonomie van de mens als een van de centrale thema's wordt gesteld.

- Context; We zullen ons in dit gesprek richten op de praktijk van het primair onderwijs en de lerarenopleidingen (Pabo's).

- Doel;

In dit hoekige tafelgesprek zullen we ingaan op dilemma’s van leerkrachten met betrekking tot burgerschapsthema’s. Welke dilemma’s komen leerkrachten tegen in hun onderwijspraktijk en wat betekent dit voor het onderwijs aan toekomstig leraren op de Pabo?

- Praktische en/of beleidsmatige relevantie;

Het bevorderen van actief burgerschap en sociale integratie wordt de laatste decennia gezien als een belangrijke taak van het onderwijs. Uit de opvattingen en ervaringen van leerkrachten blijken er echter verschillende dilemma's en obstakels binnen het domein van burgerschapsonderwijs. Het is daarom van belang dat lerarenopleidingen hier aandacht aan besteden en studenten hierop worden voorbereid.

- Activering deelnemers;

Vanuit verschillende praktijksituaties en dilemma’s van leerkrachten zullen de deelnemers gevraagd worden zich te verplaatsen in de perspectieven van de leerkrachten. Wat vraagt dit van leerkrachten en op welke wijze kunnen lerarenopleiders hier aandacht aan besteden in hun onderwijs?

- Discussiepunt.

Hoe kan er binnen een lerarenopleiding aandacht worden besteed aan de dilemma's die de leerkrachten ervaren met betrekking tot burgerschapsonderwijs?

Maatschappij van morgen: diversiteit en urban education
Burgerschapsonderwijs, Dilemma's, Leerkrachten

Picturebooks in primary English teacher education: Let the story begin

Workshop4Tatia Gruenbaum, Avans Hogeschool / UCL Institute of Education, BREDA

Frontdi 14:45 - 16:15

Abstract

This workshop will tell the story of a study centred on the use of English picturebooks as a tool in primary teacher education in the Netherlands. A newly-designed picturebook-based syllabus challenges the existing separate approach to teaching English proficiency and English Language Teaching (ELT) skills to primary student teachers. The course and its syllabus aim to facilitate the development of language and language teaching in a creative, practical and innovative way. Furthermore, it confronts the idea that picturebooks might be considered a teaching tool destined only for the young rather than a learning-to-teach tool for a group of 22 primary student teachers at Avans University of Applied Sciences (NL).

Korte beschrijving

The use of English picturebooks in Dutch primary teacher education confronts the idea that picturebooks might be considered a teaching tool destined only for the young rather than a learning-to-teach tool for a group of 22 primary student teachers at Avans University of Applied Sciences (NL).

Tekst

Like other European countries, the Netherlands is experiencing the global rise in teaching English in primary education. The growing number of schools now offering English at an ever earlier age highlights the need for primary teacher education to keep pace with the changing provision of English as a Foreign Language (EFL) in Dutch primary schools. Current weaknesses such as the EFL proficiency and ELT skills of many primary teachers in the Netherlands provide compelling arguments for teacher education institutions to assess current provisions within their programmes in order to ensure that English is to be delivered effectively to young learners.

This workshop will share the experiences of 2nd year primary student teachers at Avans University of Applied Sciences taking part in an 11-week English picturebook-based syllabus. This English taught course, rests on the story-based methodology Plan-Do-Review model by Ellis (2006) and its syllabus content derives from key-skills established for the teaching of EFL by means of picturebooks (Larssen 2015; Narancic Kovac, 2016). The designed syllabus aims to achieve a balance of theory and practice thus facilitating the link between learning and actual practice in a creative and innovative way.

The benefits of using children’s literature in the young EFL classroom, in particular the picturebook, have been widely discussed (Bland, 2014; Ghosn, 2002). Picturebooks can support specific aspects of foreign language learning such as learning vocabulary, new sentence structures, pronunciation and the dual modality provides possibilities for taking children’s varying English language skills into account (Ellis and Brewster, 2014; Mourão, 2014). However, key for this study is the fact that the use of picturebooks for language learning purposes stretches beyond the primary EFL classroom. There are numerous studies illustrating the benefits of using picturebooks with the teenage, young adult and adult language learner (Appelt, 1985; Hadaway and Mundy, 1999; Sun, 2015; Lee, 2015) which are important since the participating student teacher is a young-adult language learner.

This session invites members of the audience to not only follow the student teachers’ progression but also to become actively engaged. The session will take the same path as the study and will therefore begin pre-course when the audience will be asked to complete a draw-and-write task in order to conceptualised a successful primary EFL lesson. Once visual examples of the audience and student teachers have been shared, the story will move on to explaining core-aspects of the syllabus. Participants will be encouraged to predict key findings from student teachers’ observations while completing picturebook-based EFL lessons at their placement schools during the course. The story concludes with envisaging possible developments of student teachers’ proficiency, ELT skills and post-course conceptualisations of a successful primary EFL lesson.

In conclusion, this study challenges current approaches and tools for educating student teachers for their future English teaching demands and therefore sits within the conference’s theme of rethinking education. Participants will be seated in a star-shaped group, conducive to dialogue and idea sharing and thus might find ‘up-side-down’ inspiration for their own courses and research.

Anders organiseren van onderwijs: wat en hoe
Picturebooks, Primary Education, Primary English Language Teaching

Op welke wijze kan een coach (startende) leraren ondersteunen met behulp van digitale video?

WorkshopVelon Themagroep ICT en de lerarenopleiding 132Sara van der Linden, Universiteit Twente, ENSCHEDE

Hofkens HIG Foyerdi 14:45 - 16:15

Abstract

De Velon themagroep ICT en de lerarenopleider brengt Velon-leden samen die een speciale interesse hebben in ICT voor leren en lesgeven en zich bezighouden met de inzet van ICT om het opleiden van leraren te ondersteunen en te versterken. De themagroep organiseert hiervoor activiteiten in het kader van professionele ontwikkeling. Tijdens dit Velon congres organiseert de themagroep een workshop gericht op het begeleiden en coachen van (beginnende) leraren ondersteund door de inzet van digitale video verzorgd door UT-promovenda Sara van der Linden. Op basis van de opbrengsten van een uitgebreide literatuurstudie heeft Sara een workshop ontwikkeld die inzicht geeft in de praktijk en wensen voor video coaching van (startende) leraren. Tijdens de workshop prioriteren de deelnemers aan de hand van stellingen de door hen gewenste coaching en verzorgt Sara een korte presentatie van de resultaten uit haar literatuuronderzoek waarin ze met de conjecture map methodede opbrengsten van onderzoek naar video-coaching in kaart heeft gebracht.

Korte beschrijving

Om een goede leraar te worden en blijven is het essentieel om blijvend te professionaliseren. Professionalisering op de werkplek met behulp van video-coaching is daarvoor een krachtig instrument. In de workshop worden onderzoeksresultaten gepresenteerd en denken de deelnemers samen na over effectieve coaching methoden.

Tekst

Praktijk van waaruit ingediend

De Velon themagroep ICT en de lerarenopleider brengt Velon-leden samen die een speciale interesse hebben in ICT voor leren en lesgeven en zich bezighouden met de inzet van ICT om het opleiden van leraren te ondersteunen en te versterken. De themagroep organiseert hiervoor activiteiten in het kader van professionele ontwikkeling. Tijdens dit Velon congres organiseert de themagroep een workshop gericht op het begeleiden en coachen van (beginnende) leraren ondersteund door de inzet van digitale video verzorgd door UT-promovenda Sara van der Linden.

Onderwerp

Op basis van de opbrengsten van een uitgebreide literatuurstudie heeft Sara een workshop ontwikkeld die inzicht geeft in de praktijk en wensen voor video-coaching van (startende) leraren en waarin ze de bevindingen van een uitgebreide literatuurstudie presenteert. Tijdens het Velon congres zal Sara een deel van deze workshop gaan verzorgen.

Context

Reflectie wordt beschouwd als een belangrijke stimulans voor verandering van leraarsgedrag op de werkplek. Het analyseren van opgenomen lespraktijken kan helpen de praktijk van leraren te verbinden met professionele ontwikkeling (Borko, 2004). Bovendien bleek het coachen van leraren, waarbij leraren en coaches in cycli deelnamen aan observaties en nabesprekingen, zowel het leraarsgedrag als de prestaties van leerlingen te verbeteren (Kraft, Blazar, & Hogan, 2018). In het onderzoek van Sara wordt video-coaching gedefinieerd als een professionele ontwikkelingsactiviteit waarbij coaches en leraren cyclisch deelnemen aan het opnemen van lespraktijken en op video gebaseerde discussies. Sara richt zich daarbij op het coachen van startende docenten in het voortgezet onderwijs.

Doel

Doel van de workshop is op interactieve wijze inzicht te geven in een aanpak om met behulp van digitale video (beginnende) leraren te ondersteunen in hun professionele ontwikkeling. In haar onderzoek staat het ontwerpen van video coaching routines om de professionele ontwikkeling van startende vo-docenten te bevorderen en het ontwikkelen van theorie over de wijze waarop video coaching kan bijdragen aan de ontwikkeling van startende leraren centraal.

Activering deelnemers en organisatie workshop

Tijdens de workshop verzorgt Sara een korte presentatie van de resultaten uit haar literatuuronderzoek waarin ze met de conjecture map methode (Sandoval, 2014) de opbrengsten van onderzoek naar video-coaching in kaart heeft gebracht. Vervolgens zullen de deelnemers door middel van een sorteeropdracht in kaart brengen hoe hun gewenste video-coaching praktijk voor (startende) leraren eruitziet. De stellingen die gebruikt worden bij de sorteeropdracht zijn gebaseerd op resultaten uit de literatuurstudie. Na de sorteeropdracht zullen de deelnemers in kleine groepen met elkaar in gesprek gaan over de resultaten. Daarbij is het doel niet enkel de gewenste situatie uit te wisselen en verschillen en overeenkomsten te bespreken, maar ook om ideeën uit te wisselen hoe de gewenste situatie bereikt kan worden. De belangrijkste opbrengsten uit de groepsdiscussie zullen vervolgens plenair besproken worden.

Discussiepunt

Tijdens de workshop wordt gediscussieerd over de vraag op welke wijze de coach de (startende) docent effectief kan ondersteunen met digitale video.

Leraren van de toekomst: flexibele professionals
themagroep, video-coaching

Proeven van professionaliseren van ervaren lerarenopleiders

Workshop107Bruno Oldeboom, Windesheim, ZWOLLE

Jupilerzaal PODIUMdi 14:45 - 16:15

Abstract

In deze workshop staat het professionaliseren van lerarenopleiders aan de hand van cases waarin sprake was van ‘discomfort’ centraal. Deelnemers maken kennis met het #RiCH4TED-model dat bedoeld is om lerarenopleiders systematisch met elkaar in gesprek te brengen over een ‘rijke professionele casus’. Een rijke casus wordt gekenmerkt door ‘a feeling of discomfort’ en ‘unzippedness’. Dat wil zeggen dat de lerarenopleider een (diep) gevoeld ongemak ervaart en daarbij zoekende is om een spanningsveld of dilemma te ontrafelen. De reflectie op de casus is daarbij niet alleen rationeel, maar ook gemengd met emotie, beelden en verlangens. Het model beoogt een gesprek op gang te brengen dat leidt tot passende oplossingen. Collega-lerarenopleiders kunnen daarbij o.a. als klankbord dienen.

Korte beschrijving

Deze workshop houdt zich bezig met de vraag hoe lerarenopleiders zichzelf blijvend kunnen professionaliseren als zij in deze snel veranderende en diverse samenleving, leraren dienen op te leiden in het licht van ’urban education’.

Tekst

Praktijk van waaruit ingediend wordt

Deze workshop komt voort uit een ‘Summer Academy’ waarin ervaren lerarenopleiders uit Europa een week lang bij elkaar kwamen met als doel om van en met elkaar te leren over hun opleidingspraktijk en vooral om te leren over de professionalisering van (collega) lerarenopleiders (Vanassche et al., 2015). Tijdens deze S.A., georganiseerd door een Europees netwerk voor de professionalisering van lerarenopleiders (InFo-TED), werkten lerarenopleiders aan verschillende mogelijkheden om professionalisering vorm te geven binnen hun eigen context. Tijdens deze workshop laten we jullie proeven van de bevindingen van een van deze groepen waarin nagedacht is over een vorm van professionalisering gericht op de professionele identiteit van lerarenopleiders.

Onderwerp

Lerarenopleiders leren veel van elkaar door uit te wisselen en te reflecteren op hun eigen praktijk. In de workshop laten we een manier zien waarop lerarenopleiders hun ervaring kunnen bespreken. We noemden dat #Rich4Ted: Reflection in Collaboration is Heuristic for Teacher Educator Development.

Context

Lerarenopleiders kunnen systematisch van elkaar leren als zij hun ervaringen samen bespreken. In termen van #Rich4TED, start dit door een casus in te brengen. Lerarenopleiders beschrijven een verhaal uit de praktijk dat een bepaalde spanning bij hen opriep en/of hen een gevoel van ‘discomfort’ gaf (Berry, 2009). Een casus waardoor zij na moesten denken over hun eigen positie en/of rol en daarmee raakt aan hun professionele identiteit als lerarenopleider. De reflectie van de lerarenopleider wordt op allerlei manieren geprikkeld en dat is bedoeld om vanuit verschillende perspectieven naar de casus te kijken. Vervolgens kunnen er afhankelijk van deze casus verschillende ‘heuristieken’ worden gebruikt om de casus ‘uit te pakken’ zodat de lerarenopleider zelf nieuwe inzichten kan verwerven met betrekking tot zijn/haar rol als lerarenopleider. Het #Rich4Ted model beoogt een diepgaand gesprek op gang te brengen dat leidt tot oplossingen die zowel passen bij de lerarenopleider als bij de situatie waarin die opleider functioneert. Collega-lerarenopleiders kunnen daarbij dienen als klankbord, sparringspartners en critical friends.

Doel

Het doel van de workshop is om lerarenopleiders te laten ervaren wat #Rich4Ted voor hen kan betekenen. Activering deelnemers en organisatie workshop De deelnemers worden tijdens de workshop in het kort bekend gemaakt met de #Rich4Ted-uitgangspunten. Vervolgens krijgt iedereen individueel de tijd om een casus te bedenken en voor zichzelf te noteren, aan de hand van een aantal criteria. De workshopgevers bieden de deelnemers vervolgens verschillende mogelijkheden om de casus te bespreken (bijv. door op zoek te gaan naar een krachtig beeld/metafoor (foto of afbeelding) op internet, dat verwijzingen heeft naar de ervaren ‘discomfort’) in kleine groepjes. De opbrengsten van de bespreking worden plenair gedeeld evenals inzichten over wat de sessie de deelnemers heeft opgeleverd.

Discussiepunt

Reflectie is binnen lerarenopleidingen door de jaren heen een beladen term geworden; er moest te pas en te onpas gereflecteerd worden. En dat terwijl de toegevoegde waarde ervan ook is aangetoond. Een aandachtspunt is dan hoe ook voor lerarenopleiders een goede balans gevonden kan worden, waarbij de voordelen van reflectie benut kunnen worden (professionaliseren) en de nadelen (zoals bureaucratische procedures, verplichtingen e.d.) vermeden kunnen worden.

Maatschappij van morgen: diversiteit en urban education
Pedagogy of Discomfort, Professionalisering lerarenopleiders, Professionele identiteit

Hybride opleiden voor hybride loopbanen

Workshop143Marian Thunnissen, Fontys Hogeschool HRM en Psychologie, EINDHOVEN

Jupilerzaal ZAALdi 14:45 - 16:15

Abstract

Beroepsloopbanen veranderen: 40 jaar werken voor dezelfde werkgever en in dezelfde functie is niet meer van deze tijd. Werkenden veranderen steeds vaker van functie, werkgever of sector. Ook zien we steeds meer dat mensen in meerdere gebieden tegelijkertijd werkzaam zijn en bijvoorbeeld twee functies combineren. Dit laatste noemen we ook wel hybride loopbaan.

Van oudsher is de mobiliteit in het onderwijs, met name in het PO en VO, niet groot. Toch kan een hybride loopbaan voor leraren en werkgevers aantrekkelijk zijn. Een hybride loopbaan biedt het individu de kans meerdere talenten te ontwikkelen, en zorgt voor cross-overs tussen verschillende werkkringen. Voor werkgevers zijn medewerkers met hybride loopbanen interessant omdat het flexibiliteit kan opleveren, bij schaarste als bij overschot

Voor HBO-(leraren)opleidingen is deze ontwikkeling van groot belang, want hoe kunnen zij de studenten opleiden voor een hybride loopbaan? Moeten zij hybride opleiden, en zo ja, hoe ziet dat eruit? Deze vraag staat centraal in een recent gestart Fontys-onderzoeksproject. Op basis van een literatuurverkenning van de begrippen 'hybride loopbaan' en 'hybride opleiden' en bijbehorende leer-/werkomgevingen ontwikkelen we een 'kijkwijzer'. Deze dient als input voor een praktijkdeel gericht op het verzamelen van praktijkervaringen met hybride opleiden van bestaande HBO- en universitaire opleidingen.

Korte beschrijving

In de workshop vertellen we over de vorderingen in ons onderzoek, en wordt in kleine groepjes gediscussieerd over de vraag: hoe zou een HBO-opleiding die voorbereidt op een hybride loopbaan eruit kunnen zien? Dit laatste doen we a.d.h.v. een aantal hulpvragen en stellingen. Afgesloten wordt met een plenaire discussie.

Tekst

Titel: Hybride opleiden voor hybride loopbanen

Focus: hybride loopbanen voor leraren in het voortgezet onderwijs

Doelstelling: met experts en ervaringsdeskundigen brainstormen over de (on)mogelijkheden om leraren in een hybride opleiding voor te bereiden op een hybride loopbaan. Opzet:

(1) Inleiding: neerzetten thematiek hybride loopbaan en de vraag hybride opleiden, daarbij aandacht voor onze drie denklijnen: (1) professie of professional?; (2) harde en zachte beroepen; (3) hoe breed of smal moet je opleiden?

(2) Discussie in groepjes (3-4 personen) over de vraag: hoe zou een HBO-opleiding die voorbereidt op een hybride loopbaan eruit kunnen zien? Aandacht wordt besteed aan o.a. de volgende onderdelen:

Wat moet er in zo'n opleiding aan bod komen

Hoe moet de opleiding eruit zien

in termen van opleidingsdidactiek (hoorcollege, online inhoud, werkcollege, projecten, werkervaring opdoen, etc.)

in opbouw (wat doe je in jaar 1, 2, etc)

Wat vraagt dit van de hybride leraar in ontwikkeling?

Wat zijn belangrijke randvoorwaarden voor het ontwikkelen van een goede opleiding

We vragen zoveel mogelijk om dingen op te schrijven op post-its of flipover vellen, zodat we een verslag kunnen maken van de bijeenkomst.

(3) Plenaire terugkoppeling vanuit de groepjes en discussie. Uitvoering: de workshop wordt gefaciliteerd door de onderzoekers vanuit Fontys: Petra Poelman (FLOT), Quinta Kools (FLOT) en Marian Thunnissen (FH HRM & P)

Leraren van de toekomst: flexibele professionals
Hybride loopbaan, Hybride opleiden

Living labs voor duurzame ontwikkeling; nieuw onderwijs onderzoekend ontwerpen

Interactie n.a.v. een poster, animatie of object120Marlies van der Wee-Bedeker, Ellen Klatter, Hogeschool Rotterdam, ROTTERDAM

MK2zaaldi 14:45 - 16:15

Abstract

Docenten van het Instituut voor de Gebouwde Omgeving (IGO) van Hogeschool Rotterdam willen studenten opleiden tot professionals die kunnen bijdragen aan duurzame ontwikkeling. In proeftuinen – living labs in de stad – werken docenten, studenten en professionals samen aan opgaven zoals energietransitie, klimaatadaptatie en circulaire economie. Daarbij komen studenten in aanraking met andere vakgebieden, andere belangen en andere opvattingen. Dit vraagt/vereist van hen om ‘over de grenzen van vakgebieden, rollen en structuren heen te leren’ en samen met anderen tot nieuwe aanpakken te komen: aanpakken die zonder integratie van verschillende perspectieven niet zouden ontstaan.

Onduidelijk is welke pedagogisch-didactische aanpakken dat ‘leren over grenzen’ ondersteunt. Om studenten te ondersteunen in die grensverleggende oriëntatie met het oog opduurzame ontwikkeling, willen docenten via onderwijs in proeftuinen pedagogisch-didactische handvatten ontwikkelen. Onderwijskundig ontwerponderzoek ondersteunt dit ontwikkelproces: de handvatten worden op een wetenschappelijk onderbouwde manier ontwikkeld en moeten kennis opleveren die ook voor anderen – met vergelijkbare onderwijsvragen – bruikbaar is.

Tijdens deze postersessie worden deelnemers uitgenodigd te reageren op de eerste pedagogisch-didactische handvatten, advies uit te brengen voor aanscherping ervan en aanbevelingen te doen voor vervolgstappen in het onderzoek.

Korte beschrijving

Deze postersessie nodigt onderwijsprofessionals uit om mee te denken in een startend onderwijskundig onderzoek naar pedagogische en didactische handvatten, met het doel ontwerpprincipes te destilleren die helpen bij het vormgeven van onderwijs in Living Labs. Deze nieuwe doelstelling daagt uit tot nieuwe denkwijzen gericht op duurzame (onderwijs)ontwikkeling voor de toekomst.

Tekst

Om studenten op te leiden totprofessionals die kunnen bijdragen aan duurzame ontwikkeling, werken de opleidingen van het Instituut voor de Gebouwde Omgeving (IGO) van Hogeschool Rotterdam samen met partners uit Rotterdam aan duurzaamheidsopgaven zoals de omschakeling naar een circulaire economie, energietransitie in stad & haven en verbetering van de leefomgeving op Rotterdam Zuid. Via living labs in de stad, waar studenten, docenten en professionals samen werken aan actuele duurzaamheidsvraagstukken, kunnen studenten praktische ervaring opdoen met deze opgaven en leren er nieuwe aanpakken voor te ontwikkelen.

In de literatuur (1) (2) (3) worden leeromgevingen zoals proeftuinen omschreven als ‘sociale praktijken waarin studenten, docenten, professionals en andere betrokkenen in een real-life setting gezamenlijk toepasbare oplossingen ontwikkelen voor complexe maatschappelijke vraagstukken’. Steeds meer onderwijsinstellingen ontwikkelen zulke leeromgevingen om studenten voor te bereiden op duurzaamheidsvraagstukken als klimaatverandering, schaarste aan water, energie en voedsel en maatschappelijke uitsluiting. De ervaring is dat studenten er hun vakkennis kunnen verdiepen en kunnen leren om problemen op te lossen door onderzoek te doen en met anderen samen te werken.

Toch zorgen echte opgaven, een real-life setting en samenwerking met anderen er niet vanzelf voor dat studenten leren om met oplossingen bij te dragen aan duurzame ontwikkeling (4) (5) (6). Derhalve gaan we op zoek naar pedagogische en didactische aanpakken die studenten aanmoedigen om vanzelfsprekende niet-duurzame aanpakken te doorbreken en oplossingen te ontwikkelen waarbij behoud van het ecosysteem, het welzijn van mensen en economische welvaart met elkaar in evenwicht zijn.

Wetenschappelijk onderzoek en ervaring in de onderwijspraktijk wijzen op de mogelijkheden van ‘leren over de grenzen van vakgebieden, rollen en structuren(7) (8). In de kern gaat het erom dat, wanneer betrokkenen samen aan een complex vraagstuk werken, zij tegen grenzen aanlopen die worden veroorzaakt door verschillen tussen bijvoorbeeld vakgebieden, belangen of opvattingen. Dit kan aanleiding zijn om begrip te krijgen voor elkaars perspectieven, te leren van overeenkomsten en verschillen en diverse benaderingen te integreren. Door over grenzen te leren kunnen studenten een breder perspectief op een vraagstuk ontwikkelen waardoor zij beter in staat zijn om samen met anderen een nieuwe oplossing te ontwikkelen: één die zonder samenwerking en integratie niet tot stand zou komen (9) (10) (11).

Hoewel onderwijs gebaseerd op ‘leren over grenzen’ de potentie heeft om studenten te ondersteunen in hun ontwikkeling tot professional met een oriëntatie op duurzame ontwikkeling, is onvoldoende bekend met welke pedagogische en didactische aanpakken docenten deze potentie kunnen benutten (8). Docenten die betrokken zijn bij de Rotterdamse proeftuinen, willen hun kennis hierover vergroten en pedagogisch-didactische handvatten ontwikkelen voor onderwijs in proeftuinen. Bestaande theorie en ervaringskennis van docenten, studenten en professionals uit de beroepspraktijk worden benut om deze handvatten te ontwerpen, toe te passen in de praktijk, systematisch te evalueren en aan te scherpen (12) (13). Tijdens expertmeetings reflecteren andere onderwijsprofessionals op de ontwikkelde handvatten en brengen advies uit voor aanscherping ervan. Deze postersessie is zo’n expertmeeting en daarmee de uitnodiging om aanbevelingen te doen over de eerste opbrengsten van en volgende stappen in het onderzoek.

Leraren van de toekomst: flexibele professionals
Duurzame ontwikkeling, Living Labs, Onderwijskundig ontwerponderzoek

Sociaal ondernemerschap in het curriculum!

Interactie n.a.v. een poster, animatie of object64Stella van der Wal-Maris, Jolanda de Putter, Kevin Mol, Charlotte de Jong, Marnix Academie, UTRECHT

MK2zaaldi 14:45 - 16:15

Abstract

In het Europese Ukids project worden door lerarenopleiders, basisschoolleerkrachten en studenten gezamenlijk programmaonderdelen ontwikkeld voor het implementeren van sociaal ondernemerschap in het curriculum van lerarenopleidingen en basisscholen. Sociaal ondernemen wordt hierbij hier gedefinieerd als het innoveren in het belang van de maatschappij. Het doel van het project is het ontwikkelen van competenties op het gebied van sociaal ondernemen bij zowel studenten als leerlingen. In de programmaonderdelen staan maatschappelijke vraagstukken die gerelateerd zijn aan de duurzame ontwikkelingsdoelstellingen van de UN en het samen leren ondernemen centraal. In het Ukids project worden de didactische principes van EntrepreneurialChallenge-Based Learning gehanteerd. Challenges dagen leerlingen uit om de wereld waarin ze leven mee vorm te geven. In de programmaonderdelen voor de lerarenopleiding staat het opleiden van wendbare en weerbare leraren die a) maatschappelijke betrokkenheid weten om te zetten in sociaal ondernemen en b) sociaal ondernemen bij hun leerlingen stimuleren centraal. Het Ukids project kent een ontwerp- en een onderzoekscomponent. In deze sessie willen we de dialoog aangaan over het opnemen van sociaal ondernemerschap in het curriculum.

Korte beschrijving

Vanuit een gedeelde visie op opleiden en onderwijzen voor de toekomst werken lerarenopleidingen basisonderwijs en basisscholen uit zes Europese landen samen aan de ontwikkeling van programma’s die zich richten op sociaal ondernemerschap. In deze programma’s staan de SDGs (duurzame ontwikkelingsdoelstellingen van de UN) en ondernemerschapcompetenties centraal.

Tekst

Praktijk van waaruit ingediend

In het Europese Ukids project worden door lerarenopleiders, basisschoolleerkrachten en studenten gezamenlijk programma’s ontwikkeld voor het implementeren van sociaal ondernemerschap in het curriculum van lerarenopleidingen en basisscholen. Tijdens het VELON-congres staat de ontwikkeling van programmaonderdelen voor lerarenopleidingen basisonderwijs centraal.

Onderwerp

Sociaal ondernemen gaat over innoveren in het belang van de maatschappij (Swab Foundation, z.d.). In de in het project participerende lerarenopleidingen ontwerpen studenten games voor het basisonderwijs. Daarnaast dragen ze bij aan het ontwerpen en uitproberen van projecten (Challenges) voor het basisonderwijs. Maatschappelijke vraagstukken die gerelateerd zijn aan de SDGs (duurzame ontwikkelingsdoelstellingen van de UN) en het leren ondernemen staan centraal; doel is het ontwikkelen van competenties op het gebied van sociaal ondernemen, zowel van studenten als leerlingen. In het Ukids project worden de didactische principes van EntrepreneurialChallenge-BasedLearning gehanteerd (Lindner, 2016). Deze didactiek is gebaseerd op de leercyclus ‘uitdaging- feedback- reflectie’. Het leren van ervaringen, debatteren en het verrichten van maatschappelijke diensten vormen de kern.

Context

Het Ukids project is een project van lerarenopleidingen en basisscholen uit Oostenrijk, Finland, Denemarken, Portugal, Hongarije en Nederland. Het project wordt gefinancierd vanuit het Erasmus+ programma van de Europese Unie.

Doel en relevantie voor de onderwijspraktijk

Het UKids project heeft als doel bij te dragen aan de verankering van onderwijs in sociaal ondernemerschap in de lerarenopleiding en het basisonderwijs. Het is de intentie om een cultuur van solidariteit te bevorderen (Lindner, 2016).?Challenges dagen leerlingen uit om de wereld waarin ze leven mee vorm te geven, zichzelf te zien als onderdeel van de maatschappij en tot het samen verantwoordelijkheid nemen voor sociale uitdagingen.

In de programmaonderdelen voor de lerarenopleiding staat het opleiden van wendbare en weerbare leraren die a) maatschappelijke betrokkenheid weten om te zetten in sociaal ondernemen en b) sociaal ondernemen bij hun leerlingen stimuleren centraal.

In 2006 heeft de Europese Commissie ‘initiatief en ondernemerschap’ als een van de 8 kerncompetenties voor een kennismaatschappij geïdentificeerd. Onderwijs in ondernemen staat in Nederland nog in de kinderschoenen (European Commission/EACEA/Eurydice 2016). Het Ukids project sluit aan bij de doelstelling om ondernemerschapcompetenties op alle niveaus van het onderwijs aan de orde te stellen (European Council, 2014). Daarnaast zijn ook de aanbevelingen voor sociaal ondernemerschap (OECD/European Commission, 2013) en de aanbevelingen voor lerarenopleidingen zoals geformuleerd door de Thematic Working Group for Entrepreneurship Education (2014) in het in het project verwerkt.

Een belangrijke doelstelling van het Ukids project is het vergelijken van de diverse benaderingen die in de verschillende landen worden gehanteerd.

Methode

Het Ukids project kent een ontwerp- en een onderzoekscomponent.

Ontwerp

(Re)designing Challenges voor het basisonderwijs; Ontwerpen van games door (aanstaande) leraren.

Onderzoek

Instrument om competentieontwikkeling te meten;Logboeken leraren;Case studies zes landen.

Activering deelnemers en organisatie van de bijdrage

Deelnemers gaan met elkaar in gesprek, waarbij onder meer ingegaan wordt op de hieronder beschreven discussiepunten.

Discussiepunten

De maatschappij vraagt om sociaal ondernemerschap en daarom hoort het thuis bij de lerarenopleidingen. Welke mogelijkheden ziet u om sociaal ondernemerschap in het curriculum op te nemen?

Leraren van de toekomst: flexibele professionals
curriculum lerarenopleiding basisonderwijs, sociaal ondernemerschap

Evidence-informed werken in de lerarenopleiding: de Kennisrotonde zet je op het goede spoor

Interactie n.a.v. een poster, animatie of object90Veronique van der Perk, Nationaal Regieorgaan Onderwijsonderzoek, DEN HAAG

MK2zaaldi 14:45 - 16:15

Abstract

Begin 2016 heeft het Nationaal Regieorgaan Onderwijsonderzoek (NRO) de Kennisrotonde gelanceerd. De Kennisrotonde is een online loket voor beantwoording van vragen uit het onderwijs met kennis uit onderzoek. Met de beantwoording beoogt de Kennisrotonde onderwijsprofessionals in staat te stellen om wetenschappelijk gefundeerde keuzes te maken in hun eigen onderwijspraktijk. Zo draagt de Kennisrotonde bij aan kennisbenutting en uiteindelijk aan verbetering en vernieuwing van het onderwijs. Lerarenopleiders en hun studenten kunnen profiteren van de reeds beschikbare antwoorden. Vanaf 2019 kunnen medewerkers van lerarenopleidingen bovendien hun eigen vragen indienen. In deze bijdrage bespreken we samen met de deelnemers de potentiële mogelijkheden van de Kennisrotonde voor deze doelgroepen.

Korte beschrijving

Leraren van de toekomst zijn onderzoekende en kritische onderwijsprofessionals. De Kennisrotonde moedigt lerarenopleiders aan om kritisch na te denken over hun eigen onderwijs. Ook de vorm van de bijdrage van de Kennisrotonde sluit uitstekend aan bij de vorm die het congres beoogt: interactie staat in de bijdrage centraal.

Tekst

Praktijk van waaruit ingediend; Begin 2016 heeft het Nationaal Regieorgaan Onderwijsonderzoek (NRO) de Kennisrotonde gelanceerd, een initiatief van het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, de PO-Raad, VO-raad, MBO Raad en de Onderwijscoöperatie (zie www.nro.nl/kennisrotonde).Het is een online loket voor beantwoording van vragen uit het onderwijs met kennis uit onderzoek. Ervaren onderzoekers, o.a. afkomstig van lerarenopleidingen, verzorgen de vraagarticulatie en zijn al dan niet in samenwerking met antwoordspecialisten verantwoordelijk voor een wetenschappelijk onderbouwd antwoord op de praktijkvraag.

Onderwerp; In de bijeenkomst zullen we naar aanleiding van een korte animatie (filmpje) de werkwijze van de Kennisrotonde presenteren. De kennisrotonde beoogt een optimale benutting van kennis in verschillende onderwijssectoren, waaronder de lerarenopleiding. Kennisbenutting is een actueel en relevant onderwerp, maar we weten nog relatief weinig over werkzame mechanismen van kennisbenutting in het onderwijs (zie o.a. Castelijns & Vermeulen, 2017).

Context; Iedereen die werkt in of nabij de onderwijspraktijk van het primair onderwijs, voortgezet onderwijs, middelbaar beroepsonderwijs of de lerarenopleiding kan vragen stellen aan de Kennisrotonde. Deze vragen beantwoordt de Kennisrotonde met wetenschappelijk gefundeerde inzichten over wat wel en wat niet werkt. De Kennisrotonde is volop in ontwikkeling en zoekt naar betekenisvolle verbindingen met andere partners en andere initiatieven.

Doel;Het doel van de discussie is om samen met de deelnemers de mogelijkheden en onmogelijkheden van de Kennisrotonde voor de lerarenopleidingen te verkennen. We gaan op zoek naar toepassingsmogelijkheden en inventariseren welke kansende deelnemers zien voor henzelf en voor de Kennisrotonde.

Relevantie onderwijspraktijk; De Kennisrotonde kan op verschillende manieren en op verschillende niveaus positief bijdragen aan de onderwijspraktijk. Er kunnen effecten bewerkstelligd worden op de onderzoekende houding van opleiders (Kennisrotonde stimuleert een onderzoekende houding en indienen van kennisvragen) en de vakinhoudelijke en vakdidactische kennis van de lerarenopleiders (d.m.v. kennisnemen van het antwoord). Ook op het niveau van de eigen lespraktijk van lerarenopleiders en het curriculum van lerarenopleidingen kunnen positieve effecten gegenereerd worden, doordat de vraagstellers op basis van het antwoord verantwoorde keuzes kunnen maken die leiden tot verbetering of vernieuwing van het onderwijs. Gezien de potentiële positieve effecten van de Kennisronde is een discussie over de toepassing erg relevant voor de doelgroep.

Methode (ontwerp of aanpak, voorlopige of mogelijke opbrengsten); Er worden inspirerende voorbeelden van vragen van lerarenopleiding gepubliceerd die uitnodigen tot het indienen van eigen vragen vanuit lerarenopleidingen. Naast beantwoording van de vragen zullen we op basis van groepsgesprekken onderzoeken op welke aanvullende wijze de antwoorden kunnen worden opgeleverd om tot maximale kennisbenutting te kunnen komen.

Activering deelnemers en organisatie van de bijdrage; We laten een korte animatie zien over de ervaring van een lerarenopleider met de Kennisrotonde. Deze animatie vertoont de VELON tevens tijdens het plenaire congresgedeelte. In de sessie gaan we aan de hand van stellingen met de deelnemers in gesprek over de toepassingsmogelijkheden van de Kennisrotonde voor hun beroepsgroep.

Discussiepunt; We bediscussiëren hoe de Kennisrotonde van maximale betekenis kan zijn voor lerarenopleidingen.

Leraren van de toekomst: flexibele professionals
evidence-informed, Kennisrotonde, lerarenopleiding

iXpeditie Maatwerk. De inzet van een spelsimulatie als opleidingstool

Workshop75Anne-Marieke van Loon, Hogeschool van Arnhem en Nijmegen, NIJMEGEN

Proosdijzaal (HC)di 14:45 - 16:15

Abstract

In deze sessie staat de organisatie van maatwerk met ict centraal. U maakt kennis met een innovatief curriculumonderdeel voor de lerarenopleiding en het werkveld: het spel iXpeditie Maatwerk. In dit spel gaan studenten en lerarenteams met elkaar in gesprek over maatwerkoplossingen met behulp van ict die recht doen aan hulpvragen van leerlingen en over de consequenties daarvan voor de schoolorganisatie. De eerste ervaringen zijn positief. Het spel faciliteert leraren (in opleiding) om uit hun eigen rol te stappen en in het spel het gesprek aan te gaan. Uit de onderzoeksresultaten blijkt dat het spel de deelnemers meer bewust maakt van hun waarden, overtuigingen en verwachtingen met betrekking tot het organiseren van maatwerk met ict. En dat zij zicht krijgen op de actoren en factoren die hier een rol bij spelen. In deze sessie krijgt u informatie over het spel, spelen we de eerste spelronde, delen we praktijkervaringen en presenteren we de eerste onderzoeksresultaten. Het spel is ontwikkeld door het iXperium/ Centre of Expertise Leren met ict van de Hogeschool van Arnhem en Nijmegen, samen met lerarenopleiders, Pabo-studenten en leerkrachten uit het werkveld.

Korte beschrijving

Deze workshop belicht een innovatief curriculumonderdeel voor de lerarenopleiding en het werkveld. Dankzij een hybride (combinatie van digitaal en fysieke) spelsimulatie krijgen leraren (in opleiding) zicht op de vormgeving van maatwerk met ict in het primaire proces en de daarvoor benodigde condities in de schoolorganisatie, waardoor hun perspectief wordt vergroot.

Tekst

- Praktijk van waaruit ingediend

De diversiteit in het onderwijs neemt toe en scholen staan voor de uitdaging om maatwerk te realiseren in flexibele onderwijstrajecten. Veel scholen kiezen ervoor het onderwijs anders te organiseren: meer differentiatie en meer zelfregie van de leerling (Van Loon et al., 2016). Het leren wordt meer gepersonaliseerd (Bray & McClaskey, 2013) en de inzet van technologie lijkt daarbij onmisbaar (Kennisnet, 2015). Het ´anders organiseren van onderwijs´, is complex en vraagt specifieke competenties van de leraar. Tevens vraagt dit van de lerarenopleiding dat hier in het curriculum voldoende aandacht aan wordt besteed.

- Onderwerp

Het realiseren van maatwerk of gepersonaliseerd leren met ict heeft consequenties voor verschillende factoren en actoren binnen een schoolorganisatie o.a. de leraar, de leerling, inzet van ict, wijze van toetsen, groeperen van leerlingen etc.. Het RAAK project iXpeditie Maatwerk heeft hiervoor een hybride (digitaal en face to face) spelsimulatie ontwikkeld. Het spel wordt zowel gebruikt door Pabo-studenten als door schoolteams in het werkveld. Tijdens het spel gaan de deelnemers met elkaar in gesprek over de vormgeving van maatwerk met ict en de gevolgen daarvan voor de schoolorganisatie.

- Context

Afstemmen van het onderwijs op verschillen tussen leerlingen is moeilijk voor veel leraren (Deunk, Doolaard, Smale-Jacobse & Bosker, 2015). De lerarenopleiding heeft hier vaak onvoldoende aandacht voor. Dit geldt in het bijzonder voor de organisatie-aspecten die hierbij een rol spelen. In het kader van het RAAK project iXpeditie Maatwerk, heeft het Centre of Expertise Leren met ict (HAN) een spelsimulatie ontwikkeld, samen met lerarenopleiders, Pabo-studenten en leerkrachten. Tevens zijn de lerarenopleiding van Windesheim, Inholland en de Hogeschool van Amsterdam betrokken geweest in de klankbordgroep. Door het spel krijgen (aankomend) leraren zicht op de vormgeving van maatwerk met ict in het primaire proces en de daarvoor benodigde condities in de schoolorganisatie, wat hun systeemperspectief vergroot.

- Doel

In de workshop worden de eerste opbrengsten van het spel besproken. Aan het spel is promotieonderzoek verbonden waarbij gekeken wordt naar de ontwikkeling van het systeemperspectief van de deelnemers. De eerste onderzoeksresultaten laten zien dat het spel bijdraagt aan de bewustwording tav waarden, overtuigingen en verwachtingen mbt het organiseren van maatwerk met ict en wat hierbij van belang is voor de schoolorganisatie. Deze resultaten willen we graag delen zodat andere lerarenopleiders dit ook zouden kunnen gebruiken in hun onderwijs en in het werkveld.

- Activering deelnemers en organisatie workshop

De deelnemers spelen de eerste ronde van de spelsimulatie en gaan met elkaar in gesprek over hoe maatwerk met ict georganiseerd kan worden. Daarna reflecteren ze hierop om te achterhalen welke leerervaringen zijn opgedaan.

- Discussiepunt

We bespreken met de deelnemers hoe je de spelsimulatie in de opleiding en in het werkveld kunt inzetten en welke mogelijkheden zij zien om hier met hun studenten mee aan de slag te gaan. Ook komt de verspreiding en benutting van het spel binnen de lerarenopleidingen en werkveld aan bod.

Anders organiseren van onderwijs: wat en hoe
Gepersonaliseerd leren, Lerarenopleiding PO, Maatwerk

Botsende waarden in de begeleidingspraktijk van werkplekbegeleiders

Uitnodigende praktijkvoorbeelden115Arie Goijaarts, Fontys Lerarenopleiding Tilburg, TILBURG

Struktonfoyerdi 14:45 - 16:15

Abstract

Binnen de cursus voor werkplekbegeleiders van de Academische Opleidingsschool Midden Brabant (AOS MB) worden werkplekbegeleiders uitgenodigd in een eindopdracht morele kwesties te benoemen, te beschrijven en deze te verkennen op de botsende waarden die binnen de kwestie voor hen een rol spelen.

Deze eindopdrachten zijn geanalyseerd en op grond daarvan ontstaat een verrassend beeld met welke botsende waarden werkplekbegeleiders geconfronteerd worden bij de begeleiding van studenten. Ook geven ze aan wat ze hiervan hebben geleerd en de leeropbrengst blijkt groot te zijn. Aandacht voor morele kwesties komt over het algemeen in de cursussen die voor werkplekbegeleiders gegeven worden (te) weinig aan bod.

Korte beschrijving

In het begeleiden van een nieuwe collega doen zich allerlei morele kwesties voor. Dit praktijkvoorbeeld toont het leerpotentieel van deze morele kwesties voor werkplekbegeleiders. In de school van de toekomst zal de focus meer en meer komen te liggen op aandacht voor morele kwesties (Kelchtermans en Hamilton (2004, p. 785).

Tekst

Praktijk van waaruit ontworpen:

Dit praktijkvoorbeeld, een methodiek met een aantal stappen die werkplekbegeleiders helpt om hun morele kwesties te beschrijven en te analyseren, is ontworpen binnen een cursus voor werkplekbegeleiders.

Onderwerp:

Dit praktijkvoorbeeld gaat over “morele kwesties waar werkplekbegeleiders tegenaan lopen bij de begeleiding van aanstaande leraren ”.

Werkplekbegeleiders krijgen te maken met belangenafwegingen in de begeleiding van studenten. Deze worsteling, het verkennen van de waarden hierbij en het delen van de afwegingen zijn een bron om als werkplekbegeleider te leren en meer grip te krijgen op de begeleidingspraktijk.

Context:

De cursus werkplekbegeleiding wordt verzorgd door Fontys Lerarenopleidingen Tilburg binnen de Academische Opleidingsschool Midden Brabant. Werkplekbegeleiders volgen deze cursus om thuis te raken in de inhouden, processen en instrumenten van het begeleiden en opleiden van collega’s in opleiding binnen de AOS MB. Als onderdeel van de cursus werken een aantal deelnemers de opdracht ‘morele kwesties’ uit.

Doel:

Het doel van de presentatie is het delen van de ontwikkelde methodiek en het aangeven van wat de uitwerking van de methodiek van een aantal werkplekbegeleiders ons leert over de botsende waarden die bij het begeleiden van studenten een rol spelen en daarnaast wat werkplekbegeleiders ervan leren.

Centrale uitdaging / probleem en verloop van dit praktijkvoorbeeld:

Het benoemen en beschrijven van morele kwesties gaat werkplekbegeleiders relatief makkelijk af. Het is daarbij een uitdaging om scherp te krijgen welke waarden en normen hierbij een rol spelen, welke keuzes in handelen worden gemaakt, welke handelingsalternatieven er dan zijn en welke leeropbrengst dit tot gevolg heeft voor de werkplekbegeleider. De methodiek voorziet hierin.

Belangrijkste opbrengst:

De deelnemers krijgen zicht op de (niet) werkzame onderdelen van dit praktijkvoorbeeld; de aard van morele kwesties van werkplekbegeleiders, de botsende waarden die hierbij spelen en wat werkplekbegeleiders hier van leren. Ook wordt geproblematiseerd wat het belang kan zijn van aandacht voor morele kwesties binnen de school van de toekomst.

Dit praktijkvoorbeeld is een manier om de werkplekbegeleiders te professionaliseren in het begeleiden en opleiden van collega’s in opleiding. Inzicht in de morele kwesties van de werkplekbegeleiders dragen tevens bij aan de inhoud en vormgeving van de training van werkplekbegeleiders.

Activering deelnemers tijdens de presentatie:

Voor de presentatie van dit praktijkvoorbeeld staat 30 minuten.

De eerste 10 minuten zal een presentatie gegeven worden van de context waarin werkplekbegeleiders werken, de botsende waarden die hierin naar voren komen, het model aan de hand waarvan de werkplekbegeleiders zicht kunnen krijgen op hun (botsende) waarden en wat ze hiervan kunnen leren.

Vervolgens bespreken de deelnemers in twee of drietallen het model en de mogelijkheden om dit in te zetten in de eigen praktijk.

De laatste 10 minuten besteden we aan het bespreken van het discussiepunt en wordt dit verbonden met de gesprekken in de twee of drietallen.

Discussiepunt:

Wat is het belang om in een cursus voor werkplekbegeleiders aandacht te besteden aan morele kwesties in de begeleiding van studenten/aanstaande collega’s en hoe kan dit verbonden worden met aandacht die in de school van de toekomst nodig is voor morele kwesties?

Anders organiseren van onderwijs: wat en hoe
morele kwesties, professionele ontwikkeling, werkplekbegeleiders

Hoe klein kan onderzoek zijn? Betekenisvol onderzoek in je eigen onderwijspraktijk

Uitnodigende praktijkvoorbeelden122Niek van den Berg, Jantine van Beek, Aeres Hogeschool Wageningen, WAGENINGEN

Struktonfoyerdi 14:45 - 16:15

Abstract

Professionals uit groen vmbo, mbo en hbo deden van juli –november 2018 onderzoek naar vraagstukken in hun eigen werkpraktijk, begeleid via 5 bijeenkomsten ‘onderzoek van betekenis’. De begeleiders (een lector en twee docentonderzoekers) deden praktijkonderzoek naar de leergang zelf en modelleerden zo tevens het beoogde gedrag.

De leergang is een ‘pressure cooker’ met gezamenlijk, duo- en individuele werkvormen. De leergang maakt deelnemers nieuwsgierig naar elkaar en zet hen aan om tussen de bijeenkomsten door aan hun onderzoek te werken, om daarbij scherpe keuzes te maken en om belanghebbenden te betrekken. Zowel hun onderzoekende houding als hun werkpraktijk heeft er baat bij. Het eigen praktijkonderzoek door de begeleiders modelleert het beoogde gedrag, onder meer op het punt om onderzoek zo dicht mogelijk te verweven met je andere werkprocessen.

Korte beschrijving

Professionals uit groen vmbo, mbo en hbo deden van juli –november 2018 onderzoek naar vraagstukken in hun eigen werkpraktijk, begeleid via 5 bijeenkomsten ‘onderzoek van betekenis’. De begeleiders (een lector en twee docentonderzoekers) deden praktijkonderzoek naar de leergang zelf en modelleerden zo tevens het beoogde gedrag.

Tekst

Onderwerp

Het praktijkvoorbeeld betreft een korte leergang praktijkonderzoek voor docenten en lerarenopleiders. Het gaat om 5 modules van samen 30 uur, en 30 uur zelfwerkzaamheid. Van de startbijeenkomst tot de eindpresentaties doorlopen de deelnemers de verkenning van hun eigen onderzoeksidee, het ontwerpen en uitvoeren van het onderzoek, en het analyseren, concluderen en rapporteren.

Context

De deelnemers zijn afkomstig uit groen vmbo, mbo en hbo. Ze hebben eerdere ervaring met onderzoek doen, bijvoorbeeld in het kader van een masteropleiding. Of ze willen snuffelen aan het doen van onderzoek. De begeleiders zijn een lector en twee docentonderzoekers van Aeres Hogeschool Wageningen (AHW), alledrie met ervaring als onderzoeksdocent en –begeleider in de Master Leren en Innoveren. Voor de pilot was er subsidie vanuit het OnderwijsVernieuwingsProgramma (OVP) in de groene sector, vandaar de focus op die doelgroep.

Onderzoeksvragen zijn bijvoorbeeld: wat vinden leerlingen, ouders en docenten binnen een VMBO van een buitenlokaal? Wanneer is een leerplein in het MBO een goede leeromgeving voor Entree en niveau 2? Hoe monitor je studiesucces van HAVO- en MBO-instroom in het groene HBO?

Doel

Na 2 proefrondes met een interne module voor lerarenopleiders van AHW willen we een pilot doen met een gemengde groep deelnemers. Hoe krijgt de module (verder) vorm en wat zijn de opbrengsten voor deelnemers en begeleiders?

Centrale uitdaging/probleem en verloop van het voorbeeld

We wilden te weten hoe de leergang met een gemengde groep vormkrijgt en uitwerkt, of en hoe het samenwerkend leren zich ontwikkelt, of het lukt om in zo korte tijd betekenisvol onderzoek te doen, en ook wat het eigen praktijkonderzoek door de begeleiders teweeg brengt bij de deelnemers en omgekeerd.

Belangrijkste opbrengst

De leergang is een ‘pressure cooker’ met gezamenlijk, duo- en individuele werkvormen. De leergang maakt deelnemers nieuwsgierig naar elkaar en zet hen aan om tussen de bijeenkomsten door aan hun onderzoek te werken, om daarbij scherpe keuzes te maken en om belanghebbenden te betrekken. Zowel hun onderzoekende houding als hun werkpraktijk heeft er baat bij. Het eigen praktijkonderzoek door de begeleiders modelleert het beoogde gedrag, onder meer op het punt om onderzoek zo dicht mogelijk te verweven met je andere werkprocessen.

Leraren van de toekomst: flexibele professionals
docentonderzoekers

Leercoaching: de begeleiding van studenten in de flexibele pabo

Uitnodigende praktijkvoorbeelden83Marieke van Vliet, Hogeschool Inholland, DEN HAAG

Struktonfoyerdi 14:45 - 16:15

Abstract

In de flexibele variant van de deeltijd van de lerarenopleiding basisonderwijs van Inholland wordt er in de opleidingsdidactiek uitgegaan van de verschillende soorten leerprocessen waarmee de student wordt geconfronteerd. Onafhankelijk van het leertraject van de student wordt een aantrekkelijk en studeerbaar curriculum beoogd dat zich kenmerkt door spannend, betekenisvol en afwisselend onderwijs en onderwijs waarin creativiteit en probleemoplossend vermogen van de student worden bevorderd. Het uitgangspunt is dat de student zoveel mogelijk de regie voert over zijn leerproces en leertraject. Daarbij zijn de talenten van de student leidend en niet de leerstof uit het curriculum. De student geeft zijn leren vorm op verschillende niveaus: leren in het instituut, leren in de digitale omgeving en leren in de eigen onderwijspraktijk.

Voorwaardelijk voor het welslagen hiervan zijn een goede organisatie en een intensieve begeleiding van het leerproces van de student. Het concept van Leercoaching is daarvoor geschikt: een begeleidingsmodel dat enerzijds gericht is op de ontwikkeling van zelfstandig leren en het vergroten van het zelfsturend vermogen van de student in de opleiding, en dat zich anderzijds richt op het verdiepen van het leren op de werkplek door dat te verbinden met de persoonlijke en professionele ontwikkeling als professional.

Korte beschrijving

De onderwijspraktijk is het uitgangspunt van het leren van de student: de student selecteert ‘bouwstenen’ die hij op dat moment nodig heeft voor nieuwe kennis en vaardigheden. Wat hij leert, wanneer, hoe en in welk tempo bepaalt hij dus zelf waardoor de studie altijd relevant, actueel en betekenisvol is.

Tekst

Onderwerp:

Leercoaching in de flexibele Pabo

Context:

Leercoaching is een concept dat tot doel heeft om het leren en ontwikkelen van de student te sturen en te ondersteunen. Met behulp van leercoaching leren studenten om zelfstandig en systematisch hun weg te bepalen, zowel tijdens hun studie als erna, bij de uitoefening van hun beroep. Leercoaching bereidt in die zin dus voor op een leven lang leren en helpt om leren een plaats te geven in het leven.

Leercoaching is bestemd voor mensen die deelnemen aan het beroepsonderwijs. Uitgangspunt is namelijk het leerplan van het hbo dat primair beroepsgericht is. Dat betekent dat studenten vanaf het begin van hun studie zoveel mogelijk een realistisch en representatief beeld krijgen van het beroep dat ze gekozen hebben. Het onderwijsconcept en de opleidingsdidactiek van het traject van de flexibele deeltijd sluiten daar op aan. Kenmerkend voor het onderwijsaanbod is immers dat het erop gericht is dat wat geleerd wordt in de opleiding in de praktijk kan worden toegepast, én dat datgene wat in de praktijk ervaren wordt gekoppeld wordt aan inzichten uit theorie uit de opleiding. Een ander opleidingsdidactisch uitgangspunt is dat de student leert aan de hand van beroepsvraagstukken en dilemma’s. Een beroepsvraagstuk is een uitdagend, beroepsrelevant vraagstuk waarbij de student een afgebakend geheel van kennis-, beroepsvaardigheids- en houdingsaspecten moet inzetten om tot antwoorden te komen. De vraagstukken roepen beroepsmatig handelen op. Beide invalshoeken krijgen een plaats in de methodiek van Leercoaching.

Doel:

Het presenteren van de manier waarop de methodiek van Leercoaching binnen de flexibele Pabo van Inholland is ontwikkeld en inmiddels wordt uitgevoerd, evenals de wijze waarop de leercoaches op hun over het algemeen geheel nieuwe rol zijn voorbereid.

Centrale uitdaging/probleem en verloop van de practice:

Leren is een actief proces. Leercoaching gaat ervan uit dat de student een deel van de studie in een groep leert, de zogeheten leercoachgroepen. In de leercoachgroepen leert de student te werken met studenten die verschillende leerstijlen hebben: bewust zijn van de manier waarop je leert, zien wat studenten vanuit verschillende leerstijlen inbrengen, maakt dat je met elkaar kunt werken aan je manier van leren. In die zin is er in de Leercoaching sprake van een parallelproces: in de toekomst werkt de student in een team waarin een ieder ook op zijn eigen manier leert.

In de practice staan we stil bij wat Leercoaching is, wat de doelen zijn van Leercoaching, hoe het werkt en wat de taken en verantwoordelijkheden zijn van de leercoach.

Belangrijkste opbrengst:

Inzicht van de deelnemers in de stimulerende en belemmerende factoren bij het opzetten van Leercoaching als methodiek binnen de opleidingspraktijk.

Activering deelnemers tijdens de presentatie:

De trainingen Leercoaching voor Leercoaches binnen Inholland hebben het karakter van een training waarin het leren vooral plaatsvindt door sociale interactie en directe ervaring: twee van de perspectieven van waaruit Leercoaching wordt vormgegeven. In deze presentatie werken we langs de lijn van deze perspectieven.

Discussiepunt:

‘Eisen’ die worden gesteld aan de Leercoaches / Mate van ‘geschiktheid’ voor de rol van Leercoach.

Anders organiseren van onderwijs: wat en hoe
flexibel opleiden, wederzijds leerproces, zelfverantwoordelijk leren

Emotions at school

Workshop148Jeroen Bode, Onderwijsgroep Galilei, BRIELLE

Viskerfoyerdi 14:45 - 16:15

Abstract

Deze workshop gaat over het beter begrijpen van emoties bij het lesgeven in relatie tot het leren van de leerlingen. Door persoonlijke ervaringen te gebruiken krijgen de deelnemers aan de workshop inzicht in de effecten van verschillende emoties en bespreken we de mogelijkheden voor het begeleiden van beginnende leraren.

Emoties die verbonden zijn met leeractiviteiten en –prestaties zijn achievement emotions (Pekrun, 2006). Op school zijn achievement emotions belangrijk, want zij hebben direct invloed op het leren. Positief activerende emoties zoals plezier, trots en hoop richten aandacht op de leertaak, verhogen de intrinsieke motivatie en bevorderen diepgaand leren. Negatief activerende emoties zoals angst, schaamte en boosheid leiden de aandacht af van de leertaak, verminderen de intrinsieke motivatie en leiden tot oppervlakkig leren.

Recent onderzoek geeft aan dat naast het welzijn van de leraar ook het welzijn van leerlingen en hun leerprocessen in de les verbonden zijn met de emoties van de leraar (Pekrun, 2018). Zo is bekend dat plezier in lesgeven de kwaliteit van de les verbetert en dat negatieve emoties de effectiviteit van instructies verminderen. Het is daarom belangrijk te begrijpen:

welke emoties van belang zijn;

wanneer emoties gereguleerd kunnen worden;

hoe emoties gereguleerd kunnen worden.

Korte beschrijving

Deze workshop gaat over het beter begrijpen van achievement emotions bij het lesgeven in relatie tot het leren van de leerlingen. Door persoonlijke ervaringen te gebruiken krijgen de deelnemers aan de workshop inzicht in de effecten van verschillende emoties en bespreken we de mogelijkheden voor het begeleiden van beginnende leraren.

Tekst

Workshop Emotions at School

Aanleiding

Na mijn opleiding Master of Educational Management aan de NSO in Amsterdam ben ik mij verder gaan verdiepen in het werk van de filosoof Arnold Cornelis. Met een onderzoeksgroep van diverse leidinggevenden heb ik onderzoek gedaan naar de invloed van emoties op de ontwikkeling van een professional. Hieruit is een werkwijze ontstaan waarmee de invloed van emoties bespreekbaar wordt gemaakt. Onder begeleiding van prof. dr. Ruijters (VU) en prof. dr. Beijaard (ESoE) heb ik ervoor gekozen mij te richten op de begeleiding van beginnende leraren in het voortgezet onderwijs. Bij mijn eigen school De Ring van Putten in Spijkenisse verzorg ik workshops voor beginnende leraren en de ervaringen wil ik graag delen.

Onderwerp

Achievement emotions zijn aan de orde bij het beoordelen van leerprestaties en -activiteiten (Pekrun, 2006, 2017). De onderstaande tabel geeft een taxonomie om de invloed van achievement emotions op het leren bespreekbaar te maken.

Taxonomie van achievement emotions

Context

De context is de begeleiding van beginnende leraren bij het leren omgaan met spanningen, dilemma’s en moeilijke omstandigheden binnen de school. Deze context is belangrijk want de spanningen die beginnende leraren ervaren, hebben een negatieve invloed op hun professionele ontwikkeling (Pillen, 2013). Factoren die van invloed zijn op beginnende leraren zijn:

- emotionele stress;

- problemen met de rol als leraar;

- negatieve relaties met de schoolleiding of collega’s;

- hoge werkdruk;

- veranderingen van taken;

- gebrekkige communicatie over procedures en processen;

- onzekere verwachtingen over de toekomst (Harmsen et al., 2015).

Doel

Op school zijn achievement emotions belangrijk, want zij hebben direct invloed op het leren. Deze workshop gaat over het beter begrijpen van emoties in relatie tot leerprocessen. Door persoonlijke ervaringen te gebruiken krijgen de deelnemers inzicht in:

welke emoties van belang zijn;

wanneer emoties gereguleerd kunnen worden;

hoe emoties gereguleerd kunnen worden.

Activering

1 (15 min) Elke deelnemer noteert voor zichzelf een succesvolle en een tegenvallende leerprestatie uit zijn verleden. Voor beide leerprestaties benoemt de deelnemer ook welke emoties daarbij ervaren werden.

Korte uitleg relevante achievement emotions

Scores invullen over de sterkte van de ervaren emoties.

Elke deelnemer kiest een gesprekspartner en bespreekt kort de ingevulde scores. Na het gesprek worden ook de opgedane inzichten genoteerd.

2 (15min) Idem, maar dan voor een leerprestatie uit de toekomst (bijvoorbeeld volgende week een lezing geven of een examen doen)

3 (15 min) Idem, maar dan voor de huidige leerprestatie (dus tijdens de workshop)

4 (15 min) Met de gesprekspartner wordt besproken welke vormen van emotieregulatie vaak in de eigen praktijk worden gebruikt bij de begeleiding van beginnende leraren.

Korte uitleg relevante strategieën voor emotieregulatie

5 (15 min) Gezamenlijke afronding door opvallende zaken en inzichten te bespreken

Discussiepunt

In welke mate hebben beginnende leraren een open mindset voor emotieregulatie?

Kwaliteit voor en ín de klas
achievement emotions, beginnende leraren, leren